Europese integratie staat voor langdurige crisis

Na het Franse referendum is gespeculeerd over de vraag of de minieme meerderheid voor het ja wellicht is toe te schrijven aan het feit dat vele Fransen de verleiding niet hebben kunnen weerstaan een stem tegen hun president uit te brengen.

Tegen deze theorie pleit echter dat de twee belangrijkste oppositieleiders Chirac en Giscard een leidende rol hebben gespeeld in de campagne voor het ja. Misschien had het een paar procent gescheeld als een meer in de volksgunst staande president het referendum had uitgeschreven. Maar wel staat vast dat op dit moment een aanzienlijke minderheid van het Franse volk afwijzend danwel sterk aarzelend staat tegenover een verdere voortgang van het Europese integratieproces. Dit zal vrijwel onvermijdelijk een druk leggen op het Europese beleid van de Franse regering, ongeacht de politieke kleur daarvan.

Het Franse referendum heeft het verdrag van Maastricht niet de doodsteek gegeven, zoals velen hadden gevreesd. Maar dit betekent geenszins dat het verdrag nu in veilige haven is. In de eerste plaats is er het probleem dat voor het in werking treden daarvan de instemming van alle twaalf lid-staten vereist is, en dat op 2 juni jongstleden het Deense volk in een referendum het verdrag heeft verworpen. Niets wijst erop dat de stemming inmiddels positiever is geworden in Denemarken. Het tegendeel is eerder het geval. Vermoedelijk kan een nieuw referendum alleen dan een meerderheid voor het ja opleveren, als Denemarken in een speciaal protocol bij het verdrag alsnog een uitzonderingspositie krijgt toegekend (bijvoorbeeld niet meedoen aan het EMS en geen verplichting tot het helpen opbouwen van een gemeenschappelijk Europees defensiebeleid). Een concessie die overigens aspirant-leden van de Gemeenschap zoals Oostenrijk, Zweden, Finland en Zwitserland zal aanmoedigen ook opting-out clausules te bedingen.

Bijzonder zorgelijk is ook de afbrokkelende steun van het verdrag in Engeland. De Britten hadden zich al losgemaakt van de onmiddellijk na het Deense referendum tussen de overige elf gemaakte afspraak om met het ratificatieproces door te gaan. Maar al vóór het Franse referendum liet Major weten dat hij de ratificatieprocedure in zijn land pas zou voortzetten als het Deense probleem zou zijn opgelost. Inmiddels heeft de Britse premier een zware nederlaag geleden omdat hij zich vorige week gedwongen zag tot stappen die hij voordien steeds als onaanvaardbaar en ondenkbaar had gekwalificeerd: devaluatie van het pond en opschorting van de Britse deelneming aan het EMS. Deze ontwikkelingen leidden tot een grote versterking van de aanhang van de groep van Euro-sceptici in de conservatieve partij die mevrouw Thatchers afkeer van de "perverse alchemie' van het EMS en van het Europse integratieproces in het algemeen delen. Ook Major roept nu op tot wijzigingen in de Europese financiële en monetaire samenwerking die, als hij daaraan vasthoudt, nagenoeg onvermijdelijk tot een fors meningsverschil met Duitsland zullen leiden. Last but not least zijn er de opiniepeilingen die uitwijzen dat op dit moment een duidelijke meerderheid van de Britten tegen het verdrag van Maastricht is. Major heeft in het verleden steeds een referendum over deze kwestie van de hand gewezen. Maar zal hij, gezien de spanningen in zijn partij die het door het Lagerhuis loodsen van het verdrag ongetwijfeld zal oproepen zich niet genoodzaakt zien te insisteren op aanvullingen van het verdrag die in feite op amendering daarvan in Britse zin zullen neerkomen?

Maar als, wellicht op enkele concessies aan Denemarken na, een ongeschonden verdrag van Maastricht uiteindelijk, zij het mogelijk met enige vertraging, de ondersteuning van alle twaalf Europse partners zal krijgen - zullen de doelstellingen van het verdrag dan ook werkelijk worden verwezenlijkt? Wat de doelstelling van een gemeenschappelijk buitenlands-, en uiteindelijk ook defensiebeleid betreft, weten wij, met de ervaringen van de Golfoorlog en Joegoslavië voor ogen, hoe moeilijk het is tot gemeenschappelijk optreden te komen, juist en vooral als het zaken van groot gewicht betreft.

Het verdrag heeft voor de EMU een tijdschema vastgelegd: uiterlijk 1999 zal het tot invoeren van een gemeenschappelijk Europese munt moeten komen. Maar kan dit schema mede in het licht van de EMS-crisis waarmee Europa thans worstelt, nog als realistisch worden beschouwd? De EMU kan er alleen komen als een hoge mate van convergentie in het economisch en financieel beleid van de lidstaten wordt verwezenlijkt. Maar deze convergentie vergt op haar beurt van de betrokken regeringen ingrijpende stappen die vaak electoraal uitermate onaantrekkelijk zullen blijken te zijn. Wellicht kunnen regeringen die stevig in het zadel zitten dit opbrengen. Maar in de huidige situatie moeten wij constateren dat in ieder van de vier grootste staten van de Gemeenschap regeringen aan de macht zijn die, om uiteenlopende redenen, hetzij aan gezag hetzij aan steun hebben verloren. Bovendien blijkt in Duitsland de tegenzin om de zo solide D-mark voor een Europese munt in te ruilen nog verder te zijn gegroeid.

Veel wijst erop dat het Europese integratieproces voor een langdurige crisis-periode staat. Op langere termijn zal het inzicht wel weer gaan prevaleren dat het verzekeren van de positie van de Gemeenschap in de wereld en het behoud van politieke en economische stabiliteit binnen de Gemeenschap zelf, verdere voortgang van het eenwordingsproces noodzakelijk maken. Maar op korte termijn zal het wel eens kunen zijn dat consolideren van wat reeds werd bereikt het enige haalbare blijkt.

Terwijl de Europese Gemeenschap in crisis verkeert, worstelen Midden- en Oost-Europa om aan de chaos te ontkomen. Het uitblijven van een versterking van de Gemeenschap en de interne verdeeldheid van de lid-staten is voor hen alarmerend nieuws. Want onvermijdelijk betekent dit dat de Gemeenschap niet of onvoldoende toekomt aan wat voor haar, ook uit welbegrepen eigenbelang, een prioriteit zou dienen te zijn: het uitsteken van een reddende hand naar de andere helft van Europa.