Een forse gezinsneurose

Tot dusver schetste deze rubriek louter de gang van zaken bij de politierechter. De politierechter is een alléén rechtsprekend rechter die de eenvoudige zaken behandelt waarvoor hij niet meer dan zes maanden gevangenisstraf mag opleggen. Voortaan zullen ook andere vormen van strafrechtspraak aan bod komen. Het gaat daarbij vooral om de meervoudige kamer waar een college van drie rechters de zwaardere strafzaken behandelt. De politierechter doet doorgaans onmiddellijk uitspraak, de meervoudige kamer pas na twee weken.

Maarten Wessels, een 20-jarige slanke jongen met een donker paardestaartje, kijkt een beetje verweesd de vrijwel lege rechtszaal in. Het publiek is vertrokken, redelijk voldaan na de behandeling van een spectaculair zedenzaakje. De drie rechters van de meervoudige strafkamer van de Utrechtse rechtbank vertreden zich even in een belendend vertrek. Alleen de officier van justitie, mr. J. Krol, is op zijn plaats gebleven.

“En wie is die meneer?” vraagt Wessels, achter zich wijzend.

“Pers”, zegt de advocaat, mr. B. Duinhof, een kloeke, blozende man met een besliste dictie.

Niet hèt antwoord om een onervaren verdachte gerust te stellen, maar dat kan de advocaat ook niet helpen. Er is niemand met Wessels meegekomen. Geen vrienden, geen familie. Alsof hij met die ene daad waarvoor hij nu terecht moet staan, iedereen van zich vervreemd heeft.

Maarten Wessels wordt ervan verdacht zijn vader met opzet zwaar mishandeld te hebben. Hij zou hem zó ernstig hebben toegetakeld, dat de man met een gaatje in zijn long en een klaplong enkele weken in het ziekenhuis moest worden verpleegd.

“Er was ruzie om geld”, constateert de voorzittende rechter, mr. Th. Clarenbeek aan het begin van de zitting. “U wilde gewoon geld van hem.”

“Dat is wel heel boud gezegd...” aarzelt Wessels.

“Maar zoiets was het wel”, zegt de rechter. “Uw vader heeft zelf aangifte gedaan. U, zijn jongste zoon, zou regelmatig problemen veroorzaken. U zou hem al drie keer eerder mishandeld hebben. En volgens uw oudste broer is het zelfs veel vaker gebeurd, maar wil uw vader dat niet toegeven.”

Het is alsof de rechter met één verbale incisie alle zenuwen van de verdachte tegelijk heeft blootgelegd. Wessels begint opeens druk te praten. “Mijn oudste broer is al lang niet meer thuis”, zegt hij. “Hijzelf heeft mij vaak mishandeld. Alle aandacht ging altijd naar hem uit. Ik werd steeds op mijn kamer opgesloten - om ons uit elkaar te houden.”

De rechter vindt het nog te vroeg voor intieme details uit het gezinsleven van de familie Wessels. Hij leidt de verdachte terug naar de gebeurtenissen van die vermaledijde avond, in maart van dit jaar. “U werd kwaad en stompte hem in de linkerzij. Hij ging naar boven en kwam na een half uur weer beneden.”

“Ik was toen al weg”, zegt Wessels. “Ik had het geld gekregen.”

“Volgens uw vader was u er nog wèl. U greep hem bij de keel, schopte hem in zijn buik, spuwde in zijn gezicht. Tegen de politie heeft u gezegd dat u zich dat allemaal niet meer kunt herinneren.”

“Dat is nog steeds zo.”

De rechter onderdrukt met moeite een geeuwtje. “Uw moeder kon niet gehoord worden, haar geestelijke toestand liet dat niet toe. Bij zo'n mishandeling zijn er veel emotionele problemen aan de orde - ervoor en daarna. Er was met u veel ruzie over geld. Wat kunt u daar nog over zeggen?”

“Ik heb altijd problemen gehad”, zegt Wessels. “Op school, thuis. Mijn kamer was mijn cel. Ik voelde me lelijk. Ik moest van de HAVO af, kwam op de MAVO terecht. Toen ging het een tijdje beter. Ik nam contactlenzen en ging er beter uitzien. Toen kwam die trein...”

Die trein. Het kost Wessels nog altijd zichtbaar moeite over het gruwelijke keerpunt in zijn jonge leven te praten. Het gebeurde op een zomeravond. De scholieren van de MAVO, onder wie Wessels, waren voor hun eindexamen geslaagd en vierden een feestje. In de sfeer van uitgelatenheid ontstond het plan voor een noodlottig spel: wie durft het langst op de rails te blijven staan terwijl een trein nadert?

Wessels meldde zich. En hij bleef het langst staan - zó lang dat de trein hem bijna vermorzelde. Eén been werd geheel verbrijzeld, het is een medisch wonder dat hij het heeft kunnen behouden. Hij was meteen voor een groot deel arbeidsongeschikt. Het duurde een poosje voor hij een bijstandsuitkering kreeg, en dus moest hij al die tijd bij zijn vader zijn hand ophouden. Dat viel niet mee, want hij had nooit veel contact met zijn vader gehad.

Een psychiater heeft "een forse gezinsneurose' bij Wessels thuis geconstateerd. Een zoon, Maarten, die zich het zwarte schaap voelde en met drugs en drank begon, een vader die niets van zijn kind begreep en een geestelijk labiele moeder die onder de spanningen bezweek.

“Toen mijn vader vier jaar geleden met de VUT ging”, vertelt Wessels, “en mijn moeder instortte, werden wij met elkaar opgescheept. Wat er is gebeurd, komt allemaal door thuis. Er waren altijd spanningen.”

“U bent toch niet alleen maar zielig?” wil een van de twee bijzittende rechters weten.

“Dat zeg ik niet. Ik moet zelf...”

“Misschien doet u er toch verstandig aan naar het Riagg te gaan.”

“Ik ben bij het CAD geweest. Die zien geen probleemgeval in mij, want ik ben van de drank af. Ik wil liever geen hulp. Ik wil er zelf achterkomen wat ik voorstel.” Hij vertelt dat hij inmiddels een vriend heeft gevonden in een maatschappelijk werker bij wie hij kan intrekken.

“Een triest verhaal”, concludeert de officier van justitie. “Het ging die avond om een bedrag van 250 gulden, maar het was een explosie van al lang bestaande spanningen. Maar het is niet goed te praten. Als je ruzie maakt, doe het dan alleen verbaal. Ik denk dat hij nog steeds niet op eigen benen kan staan, daarvoor zie ik te veel risicofactoren: zijn drankgebruik, zijn lichamelijke problemen.”

Zijn eis: 120 uur dienstverlening (onbetaalde arbeid) in plaats van drie maanden gevangenisstraf, plus drie maanden voorwaardelijk en ondertoezichtstelling van de reclassering.

Volgens de advocaat is er geen opzet tot zware mishandeling - zoals de aanklacht luidt - geweest. “Mijn cliënt bekent de mishandeling, maar niet de zware mishandeling. Zijn vader, een zeer nerveuze man, was al niet helemaal in orde.” Hij vertelt dat Wessels niet meer thuis woont en de kans op herhaling daarom gering is.

De rechter vraagt Wessels of hij nog contact heeft met zijn ouders.

“Niet meer”, zegt Wessels. “Ik zie ze nog wel eens lopen. Dan ga ik naar ze toe en zeg "hallo'. Mijn moeder groet terug en daar maak ik dan een praatje mee. Mijn vader zegt niets en loopt een beetje kwaad door. Mijn moeder twijfelt dan en loopt vervolgens achter mijn vader aan.”

In de hal neemt de advocaat hartelijk afscheid van zijn cliënt. Even later fietst Wessels, een beetje stijf, het pleintje voor de rechtbank af.

(Het vonnis, twee weken later: vrijspraak.)

De namen van de verdachten en getuigen in deze rubriek zijn om redenen van privacy gefingeerd.