Christelijke of kerkelijke grondslag?

Een van de publieke discussies die met de regelmaat van de klok terugkeren is die over de grondslagen van politieke partijen. Het Sociaal en Cultureel Planbureau heeft onlangs rapport 1992 uitgebracht. Voor menig "buitenstaander' bracht dit rapport op grond van opinie-onderzoek onder andere als welkom resultaat, dat er bij de Nederlandse bevolking (21 procent) en zelfs bij kerkleden (34 procent) steeds minder animo is voor verzuiling in de politiek.

Toch behoeft er maar een niet-christelijk, in dit geval een hindoestaans CDA-kamerlid, zijn hand op te steken om de eed af te leggen, of iedereen bemoeit zich ermee. RPF-kamerlid Leerling begon te protesteren. CDA-voorzitter W. van Velzen reageert door eerst te zeggen, dat het CDA geen christelijke partij is, gezien de naamgeving Christen Democratisch Appel enigszins merkwaardig, en corrigeerde zichzelf daarna door op te merken dat het geen “confessionele” partij was. “De vraag of een partij christelijk of niet christelijk is, vind ik niet relevant. Het CDA is een partij in een democratie, die probeert oplossingen te vinden die zijn geïnspireerd door de bijbel”. Aldus kamervoorzitter Wim Deetman. Premier Lubbers mengde zich ook nog in de discussie. Het CDA is geen kerkelijke partij. “Kerken kennen een hiërarchische ordening. Het CDA is een christelijke partij, maar is niet een partij, die de mensen de maat neemt. “Het CDA is geen kerkelijke partij” zei Deetman nog, “en ook geen kerk. In een kerk wordt vaak van je gevraagd uit te komen voor je geloof. Maar dat is niet de taak van het CDA.” Sinds het wat ongelukkig uitgevallen Mandement in 1954 hebben bisschoppen dit soort meningsverschillen meestal aan theologen overgelaten als Schillebeeckx en Van Kessel, die er uitvoerige studies aan hebben gewijd. Maar nu neemt ook een bisschop het woord. Bisschop Bomers van Haarlem reduceert dit soort problemen meestal tot een zeer duidelijke opvatting: “Het is niet mogelijk een onderscheid te maken tussen een kerkelijk en christelijk standpunt. Wie standpunten inneemt, die strijdig zijn met het kerkelijk leergezag kan zich niet christelijk noemen.”

Bij de totstandkoming van het CDA kwamen er al critici aan het woord. De Kampense hoogleraar G. Rothuizen schreef, dat hij niet meeging met het CDA en dat hij politiek gesproken voorlopig op straat belandde. Voordat er christenen waren bestonden er al mensen en Socrates leerde al, dat je je vijanden moest liefhebben. “Dat alles betekent ook dat een christelijke ethiek en een christelijke politiek om christelijk te kunnen zijn eerst in de leer moeten gaan bij ethiek en politiek in het algemeen. Anders worden het slagen in de lucht. Je kunt er dan misschien nog wel een kerk mee regeren of een zede of een ziel mee beheersen, maar geen wetenschap bedrijven of een land besturen.”

Kostelijk was de opmerking over Joop den Uyl, die een paar jaar later op een vrome zondagmorgen voor de Ikon-radio hevig zou uitvallen tegen de macht van het CDA. Volgens Rothuizen stopte de PvdA ook belijdenis in haar politiek. Het is daar niet alleen maar een kwestie van optellen en aftrekken. “Den Uyl, dat is bekend, dat is een gelovige. En dat niet alleen: iedereen moet het van hem zijn. Waarom anders de notoire preektoon? Omdat hij ooit naar de kerk ging? Er is - gelukkig - meer aan de hand. En het zijn niet de slechtste neomarxisten, die om een geloviger socialisme vragen” (De Tijd 10 oktokber 1980).

Een van de interessantste discussies over verzuiling hielden de Amsterdamse politicoloog S. Stuurman en de VU-socioloog D. Kuiper. Zij spraken met elkaar in 1984 (VU-Magazine, 4 april). Stuurman vond, dat alleen protestanten en katholieken een echte zuil hadden, omdat in beginsel een zuil alle klassen moest omvatten, wat bij de socialisten en de liberalen niet het geval was. Bovendien moest een godsdienstige ideologie voor de samenhang zorgen. Het socialisme had wel een integrerende ideologie, maar niet op basis van godsdienst. Stuurman voorspelde toen al de toekomst. “De vraag is hoe de oude machtsnetwerken van de zuilen, onderwijs, welzijnswerk, al die koepels en stichtingen, erin zullen slagen de koek onder hun eigen paraplu te verdelen. Al dan niet in een coalitie met het CDA. En vervolgens hoe de liberalisering van de cultuur en de individualisering binnen de katholieke en protestantse gemeenschap zich zal ontwikkelen. Ik denk dat we op de duur een tweede jaren zestig krijgen, waarna het CDA ofwel nog veel kleiner zal worden, ofwel zal overgaan in een soort heel vage christelijke middenpartij. Wat het natuurlijk al een beetje is.”

Nu het marxistisch-socialisme in het grootste deel van de wereld als ideologisch bindmiddel niet veel meer betekent, krijgt het christendom weer meer kansen. De CDA-leiding beseft dat zeer goed. Dat behoeft niet tot herzuiling te leiden, maar kan wel een toenemende culturele polarisatie betekenen. De politicoloog M. van Schendelen ziet dit verschijnsel als een restauratie van de verzuilingspolitiek: de vorming van gesegmenteerde subculturen door culturele beïnvloeding. Bij de toenemende machteloosheid om wereldpolitieke problemen op te lossen, die de gemiddelde kiezer heus niet ontgaat, komt er ook meer behoefte aan politiek leiderschap nieuwe stijl. De maatschappelijke relevantie van religieuze overtuigingen, ook van niet-christelijke godsdiensten, wordt verbonden met een inscherping van eigen verantwoordelijkheidsbesef voor normen en waarden. In dit opzicht is de installatie van een CDA-kamerlid met een hindoestaanse achtergrond, van meer dan symbolische betekenis.

De laatste voorzitter van de KVP, Piet van Zeil, verwoordde het bij zijn afscheid als burgemeester van Heerlen: “Het is mijn overtuiging dat de autochtonen opnieuw naar waarden gaan zoeken die in de verzuiling verankerd liggen. Het ethisch reveil van Van Agt is destijds weggehoond. Maar dertien jaar later hoor ik minister Dales pleiten voor een aangescherpt normbesef in bestuur en ambtenarij. Zelfs de media schreeuwen nu om meer fatsoen in de politiek. Dan denk ik: het zaad is dus toch niet op een rotsige bodem gevallen. Van Agt is zijn tijd vooruit geweest” (in Elsevier van 22 augustus).

Behalve Ien Dales had hij minister Hirsch Ballin ook kunnen noemen. In een CDA-toespraak in Breda zei deze: “Ik wil een vergelijking maken met de kerken. Zij gingen in zekere zin de overheid voor. Vanaf de jaren zestig boetten ze aan betekenis in en keerden burgers hun rug toe. Ze hebben sindsdien geleerd dat liturgische aanpassingen de ontkerkelijking niet konden stuiten. Van soortgelijke manoeuvres moet de politiek het dan ook niet verwachten. Het is veel meer het gezag van politici dat op het spel staat dan de staatkundige inrichting” (Vrij Nederland, 5 september).

Het is waar, dat ongeveer een kwart van de katholieken geen band meer heeft met de kerk. Een op de vier katholieken noemt zich geen kerklid meer. Uit onderzoek blijkt, dat dit geenszins alleen met de invoering van de liturgie in de volkstaal heeft te maken, maar veeleer met het gezagsverlies van kerkelijke leiders, die denken met autoritaire uitspraken, vooral over seksualiteit, de gelovigen bij de kerk betrokken te houden. Een groot deel van hen zal als kerkelijk gedistantieerde christenen op het CDA blijven stemmen, zodat de grondslagen-discussie nog steeds van actuele betekenis blijft.

    • Walter Goddijn