Britse verklaring was EG-ministers te vaag

NEW YORK, 22 SEPT. Groot-Brittannië is gisteren in een duidelijke poging het ratificatieproces van het verdrag van Maastricht te vertragen in conflict gekomen met de andere EG-lidstaten. Een bijeenkomst van de twaalf ministers van buitenlandse zaken in New York, die voor twee uren was gepland, duurde twee keer zo lang, doordat de andere elf het niet eens waren met een ontwerp-tekst voor een slotverklaring van de (voorzittende) Britten naar aanleiding van het Franse referendum, dat in zeer vage bewoordingen over het verdere ratificatieproces sprak en daar ook geen enkele limiet aan stelde.

In de uiteindelijk aangenomen, aanzienlijk verscherpte tekst staat nu weliswaar dat de ministers “hoge prioriteit geven aan een snelle en succesvolle afronding van het (ratificatie)proces, zonder dat de tekst van het huidige verdrag wordt heropend, volgens het tijdschema zoals dat is voorzien in artikel R van het verdrag”. In de oorspronkelijke tekst werd slechts de hoop uitgesproken op een “succesvolle afronding van het proces”, waarbij niet werd vastgesteld, dat er niet zou worden heronderhandeld. Niettemin kunnen de Britten de in werking treding van het verdrag vertragen, doordat het verdrag niet dwingend voorschrijft dat de gehele ratificatieprocedure vóór 1 januari beëindigd hoeft te zijn.

Tegelijkertijd hebben de EG-ministers van buitenlandse zaken gisteren in New York afgesproken, dat zij zich meer zullen bekommeren om de tamelijk negatieve reacties van het publiek op het Verdrag van Maastricht. Daarbij werd gesuggereerd, dat er veel overtuigingsarbeid nodig is. Mede om die reden is een extra topconferentie ingelast op 16 oktober, waarop de regeringsleiders en het Franse staatshoofd nader zullen ingaan op de wijze waarop het publiek bij de discussie over het toekomstig Europa kan worden betrokken.

Mogelijkerwijs wordt op die top een soort “interpreterende verklaring” over "Maastricht' uitgegeven, die het de Denen vergemakkelijkt er alsnog mee in te stemmen. In die verklaring zal dan zware nadruk worden gelegd op het in het verdrag opgenomen principe van "subsidiariteit', dat vaststelt dat slecht dat door "Brussel' wordt gedaan wat de lidstaten zelf niet kunnen.

Volgens de Nederlandse minister, Van den Broek, hebben de Twaalf op de bijeenkomst in New York in de wandelgangen van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, een duidelijke uitspraak gedaan, dat zij willen “doorgaan met Maastricht” en dat dit ook “spoedig” moet gebeuren. Van den Broek: “Wij mochten vandaag geen twijfel laten bestaan over onze bedoelingen, anders zou dat tot vertraging van het gehele proces hebben kunnen leiden.”

Op vragen aan Van den Broek of er een verschil van mening binnen de Nederlandse regering bestaat, gezien de uitlatingen van vice-premier Kok, dat de zaak in zijn huidige vorm niet kan worden doorgezet, antwoorde hij ontkennend. “Ik het bepaald niet de indruk dat er binnen de regering enig verschil van mening bestaat. Voor mijn vertrek naar New York hebben we nog alle mogelijkheden doorgenomen, ook de invalshoek van een knap "ja' in Frankrijk. In die gesprekken hebben we de drie dingen vastgesteld die nu ook in het communiqué staan, namelijk doorgaan met het ratificatieproces, geen heronderhandelingen en de onduidelijkheden traceren die er bij het publiek over Maastricht bestaan.”

Juist deze verwijzing in de slotverklaring van New York naar het tijdschema in artikel R van het verdrag biedt de Britten een ontsnappingsmogelijkheid. Daarin staat namelijk dat het verdrag op 1 januari 1993 in werking treedt, “of onmiddellijk nadat het laatste land het ratificatieproces heeft afgesloten”. De Britse premier Major heeft enkele dagen geleden zijn eerdere standpunt herhaald, dat hij het verdrag pas ter verdere ratificatie aan zijn parlement zal aanbieden, nadat de Denen hun bedoelingen hebben duidelijk gemaakt.

Of dat nu betekende dat de Denen eerst het verdrag alsnog moeten ratificeren, voordat de Britten verder gaan met hun proces van ratificatie, of dat dit al kan gebeuren, nadat de Denen hebben aangegeven wat ze precies willen, lieten de Britten gisteren in het midden. Minister Douglas Hurd wilde daar tijdens zijn persconferentie na afloop van de bijeenkomst niet op ingaan. Hij zei echter wel dat er sprake was van "flexibiliteit' bij de verdere ratificatie. Zijn woordvoerder zei dat “de Denen hun bedoelingen duidelijk moeten maken. We willen weten wat hun opties zijn en die moeten ook duidelijk zijn. Op dit moment is niets bekend”. Hurds woordvoerder zei bovendien met grote stelligheid dat “er geen enkele deadline” door de ministers was aangelegd.

De Deense minister Uffe Ellemann-Jensen zegde gisteren opnieuw toe dat de Denen voor half oktober met een "witboek' zullen komen, waarin hun opties staan voor het verdere ratificatieproces in hun land na het nee van het referendum begin juni. Een van de opties die gisteren openlijk in de wandelgangen werd besproken, is dat er in het late voorjaar van 1993 opnieuw een referendum wordt gehouden, waarbij deze keer de nadruk minder ligt op een goedkeuring (of afkeuring) van het verdrag van Maastricht, maar meer op een algemeen aanvaarden van verdere Deense deelname aan Europese samenwerking en integratie.

“Als de Britten hun ratificatieproces pas daarna afronden, kunnen zij de inwerkingtreding van het verdrag nog geruime tijd rekken”, zeiden diplomaten uit EG-landen gisteren. “We zijn dan als het ware overgeleverd aan de luimen van de Britse hardliners binnen de partij van premier Major.” Anderen daarentegen waren minder sceptisch over de tactiek van de Britse regering. Als ook de Denen uiteindelijk toch ja zullen zeggen - en de overige ministers zijn daar tamelijk sterk van overtuigd - dan heeft premier Major het makkelijker om het verdrag door het Lagerhuis te krijgen.

Dat was ook de achtergrond van het boterzachte ontwerp-communiqué, dat het Britse voorzitterschap presenteerde en waarvan in het bijzonder door de Duitser Klaus Kinkel en de Fransman Roland Dumas de "wolligheid' werd gekritiseerd. De Britten hadden er bijvoorbeeld ook verwijzingen in opgenomen naar “centralistische tendensen in Brussel”. De Duitse minister Kinkel wond zich bovendien nogal op over het feit dat in het ontwerp een koppeling werd gemaakt tussen de onrust op de valutamarkt en de afkeuring die binnen de bevolking van de lidstaten over het verdrag is uitgesproken.

“Het gaat hier om politieke wil”, zei minister Van den Broek na afloop: “Leggen sommige landen het hoofd in de schoot nu het proces wat minder vlot verloopt dan ze hadden verwacht of proberen ze, gezien de positieve uitspraak in Frankrijk, nu de zaak zo spoedig mogelijk tot een goed einde te brengen.” Ook de Britse regering heeft zich in Maastricht met haar handtekening verplicht het verdrag in haar parlement te zullen verdedigen, voegde de Nederlandse minister er aan toe.

    • Rob Meines