Zonder angel

Nu zijn er nog dagen dat de zon warm ontstijgt aan de huivering van de ochtend. Opeens heb je geen trui meer nodig.

Op beschutte plekjes in de Hatertse Vennen hebben de laatste libellen genoeg energie verzameld om over te gaan tot handelen. Watersnuffel, vijverjuffer, bruinrode, bloedrode en zwarte heidelibel. Peter Verbeek speurt en wijst, benoemt en legt uit. Over de soortnamen bestaat in het Nederlands geen eenstemmigheid, ingewijden gebruiken de Latijnse.

Libellen jagen op mugjes en dergelijke. Het zijn de haviken onder de insecten en zo zijn ze ook toegerust: enorme, zoekende ogen en zes op het binnenhalen van mondvoorraad geconstrueerde pootjes. Je ziet dat die pootjes, potloodlijntjes, je vingertop pakken, je voelt ze pas als ze loslaten - alsof er iets kleverigs loslaat; dat zijn de weerhaakjes. Libellen hebben géén angel, niets giftigs.

Het grootste deel van hun leven bestaan ze als larf, keverachtige dingetjes, Peter haalt ze feilloos op uit het drab van het ven. Zeven keer vervellen ze. Na de achtste keer pompen ze zich op tot libel en dan is het voortplanten geblazen. Twee, drie weken voor het einde. Bij kou, regen, wind kunnen ze niet anders dan afwachten. Dat kan uitlopen tot een week of zes, maar ook dan: het einde.

De allerlaatste tref je roerloos in de vegetatie, dode, gave, ongebruikte libellen.