VAN 'T HEK EN ZIJN "SPORTVERDWAZING'

Tom van 't Hek is gestopt met hockey. Dat verschafte de 221-voudige international de kans eindelijk eens een seizoenkaart van Ajax te kopen en om de veertien dagen zijn zondagen op de voetbaltribune door te brengen. Maar dat gaat dus niet door. Van 't Hek blijft het hockey trouw. Hij is dit seizoen trainer-coach van de vrouwen van Kampong. In zijn eerste competitiewedstrijd behaalde hij een gelijkspel (2-2) tegen favoriet HGC.

Tom van 't Hek is nerveus voor zijn debuut als coach. Vlak voor het begin van de wedstrijd maakt hij in de Wassenaarse bosjes achter één van de doelen nog even snel een sanitaire stop. “Als speler hoefde ik nooit te piesen”, zegt hij.

Hij heeft tijdens de wedstrijd geen moment rust in zijn lijf. Van 't Hek, die tussen begin- en eindsignaal twee sigaren rookt, loopt voortdurend heen en weer langs de lijn, zit dan weer op de reclameborden en dan weer tussen de tassen op de grond. Pas na dertien minuten neemt hij, zoals het eigenlijk hoort, in de dug-out plaats. De coach van Kampong houdt het er welgeteld drie minuten uit.

Het zijn, vindt Van 't Hek, mooie dug-outs bij HGC. Een beetje laag misschien, in verband met het stootgevaar voor het hoofd. Hij zit in de tweede helft net weer even op de bank als zijn ploeg voor de tweede keer scoort. Van 't Hek is blij en springt enthousiast op. “Heb jij ook weleens je hoofd gestoten?”, vraagt hij met een brede grijns aan Donald Drost, de mannencoach van Kampong, die even naast de dug-out is komen staan. Het eerste doelpunt van zijn team, in de 26ste minuut, had Van 't Hek door de defensieve missers bij de tegenstander begroet met “foutje, bedankt”. “Het leek Pearl Harbour wel daar in de verdediging.”

Hij zou, had hij beloofd, zijn mond dicht houden. Dat lijkt een enorme opgave voor Van 't Hek die als actief hockeyer ook pratend altijd een hele wedstrijd speelde. Maar als coach weet hij zich inderdaad tamelijk gedeisd te houden. Af en toe roept hij een paar kreten het veld in, “kijk uit” en vooral “kom, kom, kom”. Van 't Hek zegt uit ervaring te weten dat spelers het als storend ervaren als hun trainer langs de lijn als een wildeman tekeer gaat. “Kijk maar eens naar de topcoaches in het voetbal. Die zijn bijna allemaal rustig. De schreeuwers zitten altijd bij clubs als Emmen en Veendam.”

Praten tegen de twee vrouwelijke scheidsrechters doet hij ook bijna niet. Slechts een paar keer kan Van 't Hek zich niet bedwingen. In de beginfase vraagt hij luidkeels om een vrije slag. Direct daarna excuseert hij zich bij de arbiter. “Sorry, ik dacht dat je het niet zag.” Vlak na de rust roept hij een keer voor iedereen hoorbaar “verdomme, hoog” en zegt dan iets minder hard: “We krijgen hier niets, vanmiddag.”

Van 't Hek is ontevreden over de arbitrage die inderdaad met strafcorners voor HGC strooit. Maar verder houdt de debuterende coach de kritiek voor zich en moppert alleen een beetje tegen de toeschouwers naast de dug-out. “Het heeft”, zegt Van 't Hek na afloop, “geen nut om tegen de scheidsrechters te praten. Dat is verloren energie. Waarom ik het als speler wel deed? Dat heeft met kansberekening te maken. Als speler kan je het spel met zo'n scheidsrechter aangaan en heb je daadwerkelijk een kans om hem of haar te beïnvloeden.”

Hij heeft inmiddels gemerkt dat het coachen van een team, ook al houdt hij zijn mond dicht, een vermoeiende bezigheid is. “Hans Jorritsma zei na een wedstrijd altijd dat hij op was. Dan dacht ik: wat een flauwekul, zeg, je hebt toch niet zelf gespeeld. Maar nu begrijp ik het. Ik ben soms helemaal kapot.”

Spijt van zijn besluit trainer te worden heeft hij niet. “Ik vind het erg leuk.” Hij kreeg voornamelijk verbaasde reacties. “Van: wat moet je daar nou?” Tijdens een toernooi bij Schaerweijde kwam er zelfs iemand naar Van 't Hek toe die zei het droevig te vinden dat een international met zo'n staat van dienst in de regen een vrouwenploegje stond te coachen. De hockeyende arts heeft er om moeten gelachen. “Ik heb geantwoord dat ik én hockey leuk vind én Kamponger ben. Dat is voldoende om inspiratie uit te putten.”

Voor Van 't Hek, zestien jaar actief op het hoogste niveau, was het al lang een uitgemaakte zaak dat hij na het afgelopen seizoen zou stoppen met hockeyen. Hij speelde in de laatste competitie nog wel achttien van de 22 competitiewedstrijden mee, maar was door problemen met zijn knie nooit echt meer fit. “Misschien ben ik wel net één jaar te lang doorgegaan.” Het coachschap bij de Kampong-vrouwen betekent een goede vervanging. Want Van 't Hek kan en wil het hockey niet missen. Zelf noemt hij het “een soort sportverdwazing”. “Mijn leefpatroon thuis is niet veranderd, drie trainingsavonden en een wedstrijd op zondag.”

Van 't Hek ontkent niet dat hij zich vroeger regelmatig minder vleiend over vrouwenhockey heeft uitgelaten. “De gedrevenheid is groter dan ik had verwacht”, zegt hij nu. “En je moet bij de vrouwen natuurlijk niet dezelfde verwachtingen hebben als bij de mannen. Er wordt minder hard geslagen, hè. Maar verder is het prima.” Met Kampong heeft hij een plaats bij de eerste zes in de hoofdklasse als een soort doelstelling. Stiekem hoopt hij al op een beetje meer. “HGC was vandaag een klasse beter, maar ik zit te genieten als ik mijn ploeg zich te barsten zie werken en een puntje zie pakken.”

Van 't Hek heeft geen trainersdiploma's. Hij steunt echter op zijn ervaring als speler. “Ik hou van hele eenvoudige dingen. Een beetje Engels, sokken naar beneden en spelen. Ik doe niet aan testen en prikken in het oor. Op die manier breng je mensen terug tot maten en getallen. En daar heb ik een hekel aan.” Hij wil het vooral leuk houden. Veel van zijn oefenstof heeft hij afgeleid van trainingswerk van Jorritsma en wat betreft de benadering van zijn ploeg stak hij veel op van zijn ex-coach Gerard Stroes. “Ik voel me een soort optelsom. Ik doe soms wel andere dingen dan anderen doen. Ik ben bijvoorbeeld niet het bos ingeweest met mijn speelsters. Maar er bestaat geen computerprogramma Tom van 't Hek. Ik heb echt niet het ideale concept in huis.”

“Weet je”, zegt de debutant tot slot, “waaraan ik moet wennen? Dat ik als coach steeds mijn ballentas moet meenemen. Laatst zat ik na een training al in de auto toen ik dacht: o, mijn ballen. Ben ik teruggegaan. Ach, het went best snel, hoor.”