"Turkije praktiseert censuur via de kogel'

ANKARA/DIYARBAKIR, 21 SEPT. Turkije is na het voormalige Joegoslavië momenteel een van de gevaarlijkste landen voor journalisten om te werken. Sinds februari zijn nu in het Koerdische Zuidoosten al negen persvertegenwoordigers vermoord; tientallen anderen zijn gearresteerd, gemarteld of in elkaar geslagen.

Internationale mensenrechtenorganisaties en de Federatie van Journalisten, die eerder deze maand een actiedag hielden voor de vrijheid van meningsuiting in Turkije, spreken van “censuur via de kogel”. De vermoorde journalisten werkten met uitzondering van Izzet Kezer, fotograaf van de populaire krant Sabah (morgen), allemaal voor pro-Koerdische publikaties.

Volgens premier Süleyman Demirel waren de slachtoffers in werkelijkheid geen journalisten maar ordinaire activisten. De Turkse minister van binnenlandse zaken, Ismet Sezgin, heeft verklaard over bewijzen te beschikken dat ze deel uitmaakten van de Koerdische Arbeiderspartij, de PKK, die strijdt voor een onafhankelijk Koerdistan, of een andere (Koerdische) terreurorganisatie. Andrew Yurkovsky, vertegenwoordiger van het in New York zetelende Comité ter Bescherming van Journalisten, vroeg zich deze maand in Ankara af waarom de Turkse regering deze mensen dan niet voor de rechter had gebracht, als er zulke sterke aanwijzingen zijn dat ze terroristen waren.

Journalisten in het Koerdische zuidoosten zeggen dat de aanslagen het werk zijn van de fundamentalistisch-islamitische groepering Hezbollah of van de contra-guerrilla. Volgens Serhat Bucak, eigenaar van het linkse weekblad Ikibini Dogru (Naar Tweeduizend) en tevens verbonden aan de pro-Koerdische krant Özgur Gündem (Vrije Agenda), werkt Hezbol-contra - zoals Hezbollah in de volksmond wordt genoemd - nauw samen met de contra-guerrillagroepering binnen de Turkse veiligheidstroepen, om zo het linkse Koerdische verzet te breken. “Hoe kan het anders”, vroeg Bucak zich af, “dat nog niet één van deze moorden is opgehelderd?”

De Turkse autoriteiten ontkennen het bestaan van een contraguerrilla-organisatie. Hezbollah, dat de laatste maanden bijzonder actief is in het zuidoosten, zou officieel niet in Turkije opereren. Maar er zijn sterke aanwijzingen dat de fotograaf Kezer in maart door een kogel uit het geweer van een Turkse militair om het leven kwam. In het Koerdische stadje Cizre was hij gedurende het Koerdische nieuwjaar (Nevroz) getuige van een gewapende confrontatie tussen het Turkse leger en de PKK.

Bucak zegt ook de andere daders te kennen: “De journalisten die met één nekschot om het leven werden gebracht, komen voor rekening van Hezbol-contra, terwijl degenen die verscheidene keren werden beschoten, door de contra-guerrillaorganisatie om het leven zijn gebracht. Het is zo langzamerhand duidelijk hoe deze organisaties te werk gaan.”

De eigenaar van het linkse weekblad heeft zich samen met vijf medewerkers van Ikibini Dogru en het dagblad Özgur Gündem tijdelijk in de Koerdische stad Diyarbakir gevestigd om de lokale journalisten een hart onder de riem te steken. “We buigen niet voor geweld. We gaan gewoon door met publiceren”, is zijn devies. Volgens Bucak wordt in de reguliere Turkse pers zo weinig over de werkelijke situatie in het zuidoosten geschreven, dat alléén dat al een reden is om waarom de publikaties waaraan hij is verbonden, moeten blijven verschijnen.

De dood van de acht journalisten staat dan ook niet op zichzelf. Ook de (linkse en Koerdische) publikaties zelf staan onder druk. Zo verschijnt de Koerdische krant Rojname al niet meer, sinds een televisiespot waarmee de publikatie zichzelf bekendheid wilde geven werd verboden, de krant in beslag werd genomen en een medewerker werd gearresteerd en gemarteld. Het Koerdische weekblad Welat (land) verschijnt onregelmatig.

Journalisten en eigenaren van publikaties worden berecht op basis van de gewraakte anti-terreurwet, die in l990 werd geïntroduceerd. De formuleringen in deze wet zijn zo vaag, dat het bedrijven van terreur niet nodig is om te kunnen worden aangeklaagd.

De regering heeft inmiddels een nieuwe perswet opgesteld, die een grotere vrijheid van meningsuiting moeten garanderen. Maar gezien het geweld in het zuidoosten, dat politici huiverig maakt om hervormingen door te voeren, wordt de kans klein geacht, dat deze wet ongeschonden door het parlement komt.