Europese ideaal moet levend worden gehouden

Minister Van den Broek van buitenlandse zaken hield donderdag 17 september een lezing voor de Leidse studentenvereniging voor Internationale Betrekkingen over de toekomst van het Nederlands buitenlands beleid. Hierbij fragmenten uit deze lezing.

“We leven in een bezeten wereld. En wij weten het. Het zou voor niemand onverwacht komen, als de waanzin eensklaps uitbrak in een razernij, waaruit deze arme Europeesche menschheid achterbleef in verstomping en verdwazing, de motoren nog draaiende en de vlaggen nog wapperende, maar de geest geweken.”

Met deze onheilspellende woorden begon Johan Huizinga zijn beroemde boek In de Schaduwen van Morgen. Dat was in 1935 en de toestand van de wereld gaf ook weinig aanleiding tot een optimistische toonzetting. Het ergste moest bovendien nog komen, zoals de grote Leidse historicus voorvoelde. In de stijl van zijn dagen bevatte Huizinga's boek wat hij noemde, een “diagnose van het geestelijk lijden van onzen tijd”.

Leven we ook nu in een bezeten wereld? In de wisselbaden van vreugde en ontnuchtering waar we sinds 1989 doorheen worden gevoerd, is dat zeker geen buitenissige vraag. Oorlog in de Balkan. Onpeilbare haat en nijd tussen volkeren die tot voor kort tamelijk vreedzaam naast en door elkaar heen schenen te leven. Concentratiekampen als onderdeel van wat zo verhullend een "etnische schoonmaak' heet. Na veertig jaar van Koude Oorlog voelt de huidige vrede koortsig aan.

Een herhaling van zetten? Historische parallellen worden in elk geval onbekommerd getrokken. Sarajevo (1914), München (1938) en Vietnam (1961-1973) zouden alle lessen voor het heden inhouden. Dergelijke vergelijkingen kunnen ook misleidend werken. Ze kunnen ons het zicht ontnemen op de werkelijkheid en op wat ons te doen staat. Zoveel leert de geschiedenis ons in elk geval.

Naast handelen vraagt deze periode om bezinning. Zoveel is door de aardverschuiving van 1989 in beweging gebracht - en niet alleen op het Europese continent - dat het zin heeft een eerste balans op te maken. Welke ontwikkeling maakt de wereld nu door? Welke plaats neemt Nederland in deze snel veranderende wereld in. Welke opdracht tekent zich af voor ons buitenlands beleid?

Ik weet dat over vragen als deze een intensieve discussie wordt gevoerd, vooral op de opiniepagina's van de nationale dag- en weekbladen. Extreem tegengestelde standpunten worden hierbij niet geschuwd. Zo weerklinkt na enige tijd van vertwijfeling, waarin zelfs de vraag werd opgeworpen of er voor Nederlands buitenlands beleid nog wel toekomst was, nu weer de roep om een actieve internationale politiek. Er wordt zelfs weer gepleit voor een voortrekkersrol voor de Nederlandse diplomatie. Gidsland en niksland liggen in de politiek-intellectuele belevingswereld kennelijk pal naast elkaar.

Toen in 1946 de Britse geleerde en publicist G.D.H. Cole zijn medeburgers inzicht wilde verschaffen in de structuren van de nieuw ontstane, na-oorlogse wereld bleek hij niet met een handzame brochure te kunnen volstaan. Zijn boek The Intelligent Man's Guide to the Post-War World telde meer dan duizend dichtbedrukte bladzijden.

De vraag laat zich stellen hoeveel bladzijden zo'n gids nu zou moeten tellen om de lezer houvast te bieden in de wel erg onoverzichtelijke "Post-Cold-War-World' waarin we thans leven. 1989 was een revolutie, zowel een maatschappelijke als een internationaal-politieke. En revoluties hebben nu eenmaal de eigenschap dat zij bijzonder veel overhoop halen.

Aanvankelijk leek alles zo overzichtelijk. De val van de Berlijnse Muur hield de belofte in van de overgang naar een wereld vrij van ideologisch en militair antagonisme. Door ons gekoesterde waarden als vrijheid, democratie, mensenrechten en internationale samenwerking zouden daarin de boventoon voeren. Natuurlijk, niet alles zou meteen in kannen en kruiken zijn; de overgang van plan naar markt zou pijn en moeite veroorzaken.

Niettemin waren de voortekenen goed. In 1990 bezegelde het Handvest van Parijs in CVSE-verband het einde van de deling van Europa, en het 2+4-akkoord deed hetzelfde voor de deling van Duitsland. Regelingen van conventionele en nucleaire wapenbeperking leken het vredesdividend tastbaar te maken. De hulp aan Oost-Europa kwam op gang; minder omvangrijk dan nodig en mogelijk, maar als gebaar van politieke verzoening toch van meer dan symbolische betekenis. Intussen werd overal in Oost-Europa een begin gemaakt met de overgang naar democratische structuren.

Ook op wereldniveau betekende 1989 een omslag. Het verdwijnen van de Oost-West confrontatie maakte in veel delen van de wereld de weg vrij voor minder gepolariseerde verhoudingen en een meer pragmatische aanpak van problemen en conflicten. Ook in de lang geblokkeerde Noord-Zuid verhouding kwam weer enig schot. In de Verenigde Naties won vooral de Veiligheidsraad, getuige onder meer de aanpak van de Golfcrisis, spectaculair aan besluitvaardigheid. Al met al leek er uitzicht te bestaan op een veiliger, rechtvaardiger en duurzamer wereld.

Niet dat dit nu geheel is verdwenen, maar minder gunstige ontwikkelingen vertroebelen toch steeds meer het beeld. Het einde van de Koude Oorlog heeft het deksel gelicht van een ketel borrelend van vergeten of verdrongen conflicten. In een aantal Oosteuropese landen lopen de nationalistische sentimenten en de etnische spanningen hoog op. Grenzen en gebieden worden betwist, staatsstructuren staan onder druk of zijn al bezweken.

Op diverse plaatsen heeft dit al aanleiding gegeven tot gewelddadige conflicten. Het voormalige Joegoslavië houdt nu ons aller aandacht gevangen. In de voormalige Sovjet-Unie zijn arbitrair getrokken binnengrenzen de buitengrenzen gaan vormen tussen internationaal erkende staten. Daarbij staat ook de politieke zeggenschap over de krijgsmacht op het spel.

Ook buiten Europa heeft het einde van de Koude Oorlog een keerzijde. Het verdwijnen van de polarisatie tussen Oost en West heeft lang niet ieder conflict beter beheersbaar gemaakt, en sommige zelfs minder goed. Aan de verspreiding van de technologie van massavernietigingswapens naar bedenkelijke regeringen wordt onvoldoende paal en perk gesteld. Het nieuwe verdrag over de uitbanning van chemische wapens geeft enige reden tot hoop, maar afgewacht moet worden of de ratificatie en implementatie even wereldwijd worden als de opzet is.

Het regime in Irak vertoont geen tekenen van inkeer. In Afghanistan laat de burgeroorlog niet af. Hetzelfde geldt voor grote delen van Noord-Oost Afrika, in het bijzonder voor Somalië, nu schijnbaar geheel in de greep van een verwoestende anarchie. Noord-Afrika raakt steeds meer besmet met religieus fundamentalisme. Afrika is een continent dat het zwaar te verduren heeft. De aids-epidemie dreigt een ravage aan te richten; het sociaal-economisch evenwicht wankelt.

Al deze bronnen van ellende en onveiligheid brengen miljoenen mensen in beweging, op zoek naar een schuilplaats en een beter lot. Massamigratie is een veelvuldig optredend verschijnsel en laat ook Europa niet onberoerd.

Door de geschiedenis van ons buitenlands beleid lopen drie rode draden: veiligheid, economie en identiteit. Afhankelijk van tijd en omstandigheden krijgen deze elementen natuurlijk hun specifieke inhoud. Maar ze zijn in de vaderlandse geschiedenis steeds nauw met elkaar verweven geweest. Dit gaat terug op het ontstaan van de Nederlandse natie tijdens de Tachtigjarige Oorlog. "Niemands knecht' is een watermerk van de Nederlandse culturele identiteit. Daarmee is tegelijk ons traditionele verlangen naar politieke zelfstandigheid en economische vrijheid kernachtig weergegeven.

Aanvankelijk - in onze Gouden Eeuw - vervulde Nederland de rol van grote mogendheid: niet groot genoeg om te overheersen, maar wel sterk genoeg om anderen de voet dwars te kunnen zetten. Vooral van Frankrijks continentale aspiraties moesten we toen weinig hebben. Politiek ging onze voorkeur uit naar Engeland, commercieel en maritiem echter onze grote concurrent.

De ongelukkige afloop in 1830 van de opgelegde fusie met België genas Nederland voor lange tijd van de lust deel te nemen aan grote mogendheden-politiek. Ons land deed in het Concert van Europa weinig van zich horen. De afzijdigheid was niet bijster herosch, maar we kochten er een langdurige vrede mee. Onderwijl konden we bevrediging vinden in het rollenspel van koopman, dominee en volkenrechtgeleerde.

De Duitse inval in mei 1940 schudde ons land ruw wakker uit deze politieke geesteshouding. We konden ons niet langer verlaten op een min of meer abstracte internationale rechtsorde. De naoorlogse Nederlandse buitenlandse politiek bestond dus vooral uit een keuze voor betrokkenheid. Voor hernieuwde deelname aan grote mogendheden-politiek en aan het handhaven van een machtsevenwicht. Ditmaal deden we dit echter niet zelfstandig, maar samen met anderen.

In de Oost-West confrontatie was de keus ondubbelzinnig voor de NAVO. Grote waarde hechtten we aan de Amerikaanse bijdrage tot de Europese veiligheid. Die was niet alleen onontbeerlijk voor Nederlands veiligheid maar vormde ook de belangrijkste voorwaarde voor het herstel van onze speelruimte op het continent - uiteraard tegenover de Sovjet-Unie, maar aanvankelijk ook in de zo traumatische relatie met Duitsland.

Ook voor de Europese integratie werd bewust gekozen; het plan-Beyen gaf zelfs een beslissende zet tot de oprichting van de Gemeenschap. Tegelijk zag Nederland er steeds nauwlettend op toe dat de EG niet in anti-Atlantisch vaarwater geraakte, één van de redenen waarom de Britse toetreding onze hartelijke instemming had. Van Europese "grootmacht'-aspiraties moesten we in elk geval niets hebben.

Ter bescherming van de eigen positie als kleiner land heeft Nederland zich bovendien steeds met hand en tand verzet tegen de vorming van ieder directorium van Europa's groten. Daartegenover plaatsten we - samen met België - een model van supranationale communautaire ontwikkeling, oorspronkelijk overigens een Frans idee.

Daarnaast zijn we ook in breder kader steeds de internationale rechtsorde blijven koesteren. Vooral betekende dit steun aan de Verenigde Naties, na enige tijd ook omvangrijke ontwikkelingshulp en groeiende aandacht voor de mensenrechten. Hier dreef ons een door eigen ervaring gevoed besef dat vrede en veiligheid gebonden zijn aan vrijheid en rechtvaardigheid.

De naoorlogse constellatie bood Nederland een gunstige uitgangspositie. De combinatie van Atlantisch bondgenootschap en Europese Gemeenschap gaf ons land niet alleen bescherming en invloed op een gedeeld Europees continent, maar ook een tamelijk ongehinderde toegang tot de wereldeconomie en tot mondiale ontwikkelingen. In dit kader kon de Nederlandse economie tot bloei komen en kon een sociale rechtsstaat worden opgebouwd. Nederland was een tevreden natie ook al kampte het zo nu en dan met oprispingen van onvrede.

En toen kwam dat wonderbaarlijke jaar 1989, gevolgd door die hectische tijd vol diplomatieke overuren om de directe gevolgen zo goed mogelijk op te vangen. Het kan niet anders of ook de voor Nederland relevante internationale constellatie is hierdoor benvloed. Hiervan wil ik vier aspecten belichten:

Ten eerste: het bipolaire wereldbeeld is verdwenen. Wat voor wereld is er voor in de plaats gekomen? Op het steeds belangrijker economische terrein tekent zich een multipolaire wereldorde af. Daarvan ligt het zwaartepunt in de driehoek Japan-Europa-Amerika.

Politiek vertoont het beeld nog meer schakeringen. De Europese Gemeenschap heeft weliswaar het potentieel voor een mondiale rol, maar mist voorlopig de vereiste politieke eensgezindheid. Japan is veel meer een eenheid en heeft ook de financieel-economische kracht, maar koestert nog niet de ambitie van een wereldmacht.

En welke is de plaats van Rusland, geografisch nog steeds het grootste land ter wereld, militair ook nog een supermogendheid, maar economisch en politiek verwikkeld in een zeer gecompliceerd transformatieproces? Waar staat in dit verband China, het volkrijkste land ter wereld, bezig aan een spectaculaire economische sprong voorwaarts? En speelt de Derde Wereld nog een gemeenschappelijke politieke rol, of valt die steeds meer toe aan regionale mogendheden als India, Indonesië, Egypte, Nigeria, Brazilië en Mexico, of aan regionale arrangementen als ASEAN?

De zwaartepunten zijn onmiskenbaar aan het verschuiven, maar een duidelijk patroon tekent zich nog niet af. Wel is onbetwist dat de Verenigde Staten, door een combinatie van politieke, economische en militaire factoren, nog steeds het meeste gewicht in de schaal leggen. Of dit land ook feitelijk de verantwoordelijkheid van supermogendheid wil en kan blijven dragen, spreekt echter minder vanzelf dan in de afgelopen vijfenveertig jaar.

Ten tweede: Europa is, vanuit Nederland gezien, sterk vergroot. Door het ineenstorten van het Oostblok is Europa nu een "open ruimte' die in feite tot aan China reikt. De hereniging heeft Duitsland weer tot een Middeneuropees land gemaakt. Voor de neutrale landen in Europa is hun niet-gebonden status in een nieuw daglicht komen te staan. De Midden- en Oosteuropese landen zoeken snelle toenadering tot West-Europa, maar - anders dan de EVA-landen - missen zij daarvoor thans nog het economisch vermogen. Een aantal staten voortgekomen uit de voormalige Sovjet-Unie heeft soortgelijke aspiraties, maar op allerlei manieren zijn zij nog sterk gebonden aan Rusland. Dit Rusland is sinds de onttakeling van communisme en imperium op zoek naar een democratische oriëntatie die past bij zijn omvang, traditie en identiteit.

Als gevolg van deze geopolitieke verschuiving zien alle Europese landen zich opeens uitgedaagd hun relaties ten opzichte van elkaar opnieuw te definiëren. De Europese Gemeenschap is daarbij een belangrijk referentiepunt.

Ten derde: tegenover de huidige fragmentatie in Oost-Europa stelt West-Europa het beeld van toenemende integratie. Dit beeld is echter niet vrij van vertroebelingen. De ambities met betrekking tot de Europese integratie zijn onder invloed van 1989 flink opgeschroefd, maar het aantal obstakels op die weg is ook toegenomen. Tegelijk heeft de eenwording van Duitsland het integratieproces een extra impuls gegeven, niet in de laatste plaats in Duitsland zelf.

Het verdrag van Maastricht poogt op deze uitdagingen een antwoord te geven, voorziet ook in een versnelling van de eonomische integratie, maar blijft op het punt van de inbedding in een rechtsorde achter bij wat Nederland daartoe nodig acht.

De aanstaande toetreding van nieuwe lidstaten verscherpt daarnaast het vraagstuk van de identiteit van "Europa': waar begint het, waar houdt het op en op welke politieke "eindtoestand' is het integratieproces gericht?

Het Joegoslavische conflict maakt intussen duidelijk hoezeer het lot van de lidstaten van de EG met elkaar verbonden is geraakt. Tegelijk legt het bloot hoe weinig zij vooralsnog bekwaam zijn in complexe vraagstukken als deze gezamenlijk te handelen.

Ten vierde: tussen Europa en de Verenigde Staten zijn politiek, economie en veiligheid in een gewijzigde verhouding komen te staan. De economische relatie staat onder druk van de economische malaise en de invloed van handelsblokken, zoals blijkt uit de slepende GATT-besprekingen. Wat de veiligheid betreft, heeft de NAVO zich vernieuwd, en op verzoek van de nieuwe democratieën zelfs haar contacten oostwaarts uitgebreid met de oprichting van de Noordatlantische Samenwerkingsraad (NASR).

Tegelijk behoeft de Atlantische relatie een nieuwe vanzelfsprekendheid, zowel in Europa als in Noord-Amerika. De oude werkverdeling tussen de NAVO, die borg stond voor de veiligheid, en de EG, die zorgde voor economische integratie, is in de nieuwe Europese verhoudingen niet langer zo simpel. De Maastrichtse afspraken over de WEU en het gemeenschappelijke veiligheidsbeleid beogen Europese en Atlantische verantwoordelijkheden op elkaar te betrekken. Maar het is de vraag of deze afspraken voldoende ondubbelzinnig zijn om concurrerende politieke ambities de pas af te snijden. In elk geval is op dit punt voor 1996 de mogelijkheid voorzien van herziening van de afspraken.

Als ik deze analyse op ons land betrek, moet ik concluderen dat 1989 de internationale uitgangspositie van Nederland op sommige punten heeft versterkt. Op andere punten is onze positie er echter niet eenvoudiger op geworden.

De versterking is er vooral in gelegen dat Nederland deel uitmaakt van de Westerse wereld die nu in zoveel opzichten de toon aangeeft, zowel mondiaal als op het Europees continent. Tegelijk bieden onze commerciële contacten en onze ontwikkelingssamenwerking ons een wijdvertakte wereldwijde presentie. Voor de multilaterale samenwerking, waaraan wij steeds zo veel waarde hechten, zijn sinds het einde van de Koude Oorlog veel oude belemmeringen weggevallen; en dat versterkt in beginsel de Nederlandse positie.

Nu de complicaties. Die houden verband met mogelijk afnemende bescherming en invloed op het continent. Ik denk dan bijvoorbeeld aan de nieuwe instabiliteiten in Oost-Europa. Die leven weliswaar nog geen acute bedreiging voor onze veiliheid op, maar het zou onverstandig zijn het huidige veiligheidsprobleem van Europa te onderschatten.

Tegen deze toch wat diffuse risico's zouden we ook minder goed ingedekt zijn, mocht de Europees-Amerikaanse verhouding ernstig in het ongerede komen. Gebrek aan overeenstemming over politieke of economische kwesties - van veiligheid tot handel - kan de kans hierop sterk vergroten.

Onze positie wordt ook benvloed door de verdere ontwikkeling van de Europese integratie. Uitbreiding van de Gemeenschap met nieuwe lidstaten zal het relatieve gewicht van ons land ongetwijfeld verminderen, maar die uitbreiding is om redenen van politieke en economische schaalvergroting toe te juichen. Veel meer zou onze positie geschaad worden, als het integratieproces stokte, hernationaliseringstendensen zouden worden aangewakkerd, en het recht van de sterkste in Europa zou herleven. Zeker voor een kleiner land is dat niet aanlokkelijk. Maastricht wil dat risico op veilige afstand houden.

Welke conclusies verbinden we hieraan voor Nederlands buitenlands beleid? Graag wil ik de wellicht wat boude stelling verdedigen dat we op hoofdlijnen het naoorlogs beleid moeten en ook kunnen voortzetten. In deze roerige tijd is Nederlands belang daarmee het best gediend. Op basis daarvan dienen we flexibel in te spelen op nieuwe kansen en uitdagingen en moeten ook zeker nieuwe accenten worden gezet. Een pleidooi voor continuteit èn vernieuwing dus.

Er is geen weg terug naar de vooroorlogse afzijdigheid. In een interdependente wereld is Nederland voor zijn veiligheid en economie, maar ook voor onze grote milieubelangen, steeds meer aangewezen op internationale samenwerking.

De grote verworvenheid van het naoorlogse multilateralisme is juist dat het een rem vormt op de gevaren van renationalisatie, fragmentatie en onberekenbare coalitiepolitiek. Verschijnselen van de vooroorlogse wereld, die niemand veiligheid of welvaart hebben gebracht, die nu weer - althans in Oost-Europa - de kop opsteken.

Het is dan ook zaak de effectiviteit van de multilaterale samenwerking te vergroten. Binnen die verbanden - zowel de mondiale als de Euro-Atlantische - dient Nederland meer dan ooit een actief beleid te voeren. Bilaterale diplomatie is daarbij overigens een onmisbaar instrument. Binnen die internationale verbanden moet immers steun voor Nederlandse beleidsvoorkeuren worden geworven.

Maar hoe ver moeten we met die gentensiveerde deelname aan multilaterale verbanden gaan? Is er bijvoorbeeld een grens aan wat Nederland aan Europese integratie kan verdragen? Verliezen we onszelf niet in de grote Europese mêlée. Deze vrees bestaat, niet alleen in Denemarken, maar ook in ons land. Ze is ook niet geheel zonder grond. De Brusselse hang naar regelneverij, waar de nationale hoofdsteden overigens aan meedoen, moet aan banden worden gelegd.

Het is daarom winst dat de discussie over Maastricht - ik kom daar nog op terug - het besef heeft verscherpt dat de lidstaten alleen dan bevoegdheden aan Brussel moeten afstaan - soevereiniteit moeten bundelen, zoals dat zo mooi heet - als de eigen belangen inderdaad beter gemeenschappelijk dan zelfstandig kunnen worden gediend. Subsidiariteit dus.

Wel moet daarbij telkens worden beseft dat zonder Europese integratie Nederland wellicht meer ruimte zou hebben een eigen geluid te laten horen. Maar het zou tegelijk veel meer de speelbal van internationale ontwikkelingen zijn en in feite ook veel minder de eigen samenleving naar eigen inzichten kunnen vormgeven, dan nu het geval is. Het klinkt tegenstrijdig, maar toch is het waar: Nederland heeft door de Europese Gemeenschap veel meer greep op het eigen lot dan indien we erbuiten stonden.

De onverplichtendheid is afgenomen. Het eigen geluid is misschien minder goed herkenbaar. Maar onze inbreng in een groter geheel laat ons delen in verantwoordelijkheid voor internationale gemeenschappelijkheid. Ook dat behoort tot onze nationale identiteit.

Een keus voor multilateralisme betekent echter niet dat Nederland zich in één specifiek verband moet laten opsluiten. Sinds het einde van de Koude Oorlog zijn geluiden van dien aard wel te vernemen. Zo zou, nu de vijand is verdwenen, de NAVO zichzelf eigenlijk hebben overleefd en zou Nederland voor zijn veiligheid al zijn kaarten moeten zetten op de CVSE als belichaming van het zo gewenste stelsel van collectieve veiligheid in Europa.

Een soortgelijk argument wordt wel gehanteerd voor de Europees-Amerikaanse verhouding, dat wil zeggen de relatie NAVO-EG. Het Amerikaanse engagement voor de Europese veiligheid is in de nieuwe situatie een aflopende zaak, zo wordt dan beweerd. Daarom zou Nederland geheel moeten opteren voor een Europese veiligheidspolitiek en dito defensie, vorm te geven in de Europese Gemeenschap.

Beide redeneerwijzen beschouw ik als a-politiek. Multilaterale verbanden ontlenen hun betekenis niet alleen aan de belofte van internationale samenwerking, maar ook aan de politieke relaties die zij belichamen. De geschiedenis heeft ons helaas geleerd dat de Europese landen niet goed in staat zijn het evenwicht en de vrede op het eigen continent te bewaren en dat de Verenigde Staten daarin een onmisbare rol hebben te vervullen.

Daaraan doet het einde van de Koude Oorlog in beginsel niets af. Integendeel, juist in een "open' Europa, in een Europa dat weer in beweging is, verankert de NAVO de veiligheid. En zonder de VS is er geen NAVO. Noch de Europese Gemeenschap, ondanks de daarin vervatte Frans-Duitse verzoening, noch de CVSE, ondanks het daarin belichaamde uitzicht op paneuropese samenwerking, bieden daarvoor een afdoende alternatief.

Natuurlijk ligt het ook in het Amerikaanse strategische belang in de toekomst bij de Europese ontwikkeling betrokken te blijven. Maar daarvoor is nodig dat de Europese landen metterdaad duidelijk maken deze betrokkenheid op prijs te stellen en samen met de VS verantwoordelijkheid te willen nemen. Integratie is per slot van rekening geen monopolie van de Europese Gemeenschap, maar is op een wat andere wijze evenzeer een kenmerk van de Atlantische gemeenschap.

Nederland zou grote schade lijden als het zich tot een onnodige en valse keuze tussen Europa en Atlantis zou laten verlokken. Die spagaat moeten we volhouden, en als we daarin de nodige politieke energie steken kan dat ook heel goed. Dat deze uitspraak geenszins eventuele wijzigingen in de verdeling van taken en verantwoordelijkheden in de Europees-Amerikaanse verhouding uitsluit, mag intussen vanzelf spreken. Daar zijn we in de WEU al mee begonnen. Een sterkere Europese veiligheidsidentiteit wordt door de Verenigde Staten ook gesteund. Daarbij geldt echter één maar. Een Europese veiligheidspolitiek die beoogt vooruit te lopen op een Amerikaans afscheid van Europa, riskeert niet alleen dit afscheid nodeloos dichterbij te brengen maar daardoor ook de veiligheid en stabiliteit in Europa te ondermijnen.

Dat is ook de reden van onze terughoudendheid voor deelname aan het onlangs opgerichte Frans-Duitse korps. De zo gewenste Europese identiteit op veiligheids- en defensiegebied moet immers steeds - zo spraken we in Maastricht af - ook een bijdrage aan de NAVO-solidariteit leveren. En dat is bij dit Eurokorps in zijn huidige onafhankelijke opzet niet verzekerd.

Maastricht is een noodzakelijk goed. Europese integratie is in eerste èn laatste instantie een politiek proces. Nu in Oost-Europa middelpuntvliedende en nationalistische krachten virulent aanwezig zijn, moet West-Europa zijn op integratie gerichte structuren versterken. Dat is het signaal waarop heel Europa wacht.

Als Maastricht mislukt, valt niet de EG uit elkaar. Wèl verliezen we voor onbepaalde tijd onder meer de Economische en Monetaire Unie, het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, de versterkte democratische controle op de verbeterde besluitvorming, de versterkte sociale paragraaf, de verstevigde samenwerking op politieel- en justitieel gebied, en de harmonisering van het visumbeleid. En dat alles in een Europa met wegvallende grenzen. Want de voltooiing van de interne markt gaat door.

Met een Frans ja is Maastricht overigens nog niet in veilige haven. Het Deense Nee staat immers nog overeind, en het is zeer de vraag of de Deense regering hieraan recht kan doen zonder de andere lidstaten te willen bewegen tot heronderhandeling over de kernpunten van het verdrag. Ik hoop echter dat de Denen in de geest van de Unie dit dilemma weten op te lossen. De Unie is immers geen gelegenheidscombinatie, maar bij uitstek een politieke gemeenschap. Als Denemarken de politieke integratie echter niet mee wil maken, zou het die ook niet moeten willen blokkeren.

In elk geval zou het de wereld op zijn kop zijn, indien de Elf probeerden dit dilemma op te lossen voordat Denemarken zijn positie heeft bepaald. Daarom hebben zij kort na het Deense referendum tijdens een bijeenkomst in Oslo bevestigd dat zij de ratificatie van het verdrag zullen voortzetten. Daarmee staat op gespannen voet dat de Britse regering, onmiddellijk na het Deense referendum, de parlementaire behandelingsprocedure heeft stopgezet en de hervatting ervan aan de uitkomst van het Deense gewetensonderzoek heeft gebonden.

Als Maastricht lukt, wat komt er na? Is Maastricht tussenstation of eindstation? Heeft de Europese integratie nog toekomst? Of is nu wel de grens bereikt van de mate waarin landen bereid zijn hun soevereiniteit met anderen te delen? Europa zal geruime tijd nodig hebben om de sprongen voorwaarts die in Maastricht zijn gemaakt, te verwerken en te consolideren.

Allereerst de economische integratie. De interne markt zal, naar het zich laat aanzien, inderdaad in 1993 gerealiseerd worden. Voor de totstandkoming van de Economische en Monetaire Unie is een ambitieus schema opgesteld, dat vooral op het terrein van het economisch naar elkaar toegroeien zeer veel van de lidstaten zal vergen. De interne markt vraagt ook om harmonisatie van het monetair beleid - inclusief Europese centrale bank en een gemeenschappelijke munt.

De economische logica van deze operatie zonder weerga is ijzersterk, maar naties leven nu eenmaal niet bij brood alleen. In de wijze waarop een land zijn economie organiseert en zijn munt hanteert, schuilen immers aspecten van het beeld dat een natie van zichzelf heeft en zelfs van de manier waarop zij haar souvereiniteit beleeft. De in Maastricht afgesproken bundeling van bevoegdheden op dit terrein zal dus de nodige voeten in de aarde kunnen hebben. De uitslag kennen we conform afspraak tegen het eind van deze eeuw, wanneer de Monetaire Unie haar intrede doet.

Ten tweede: Maastricht omvat ook een pijler voor samenwerking op het terrein van asielbeleid, migratiebeleid en criminaliteitsbestrijding. De afspraken hierover zijn vooralsnog geheel van intergouvernementele aard. Dit is daarom ook begrijpelijk omdat deze niet alleen de nationale organisatie van zoiets gevoeligs als het justitieel apparaat betreffen. In de wijze waarop landen met de problemen in dit vlak omgaan weerspiegelt zich ook veel van de nationale identiteit.

Tegelijk is duidelijk dat in een wereld van steeds grotere onderlinge afhankelijkheid en met een vrijgemaakte Europese markt, waarin ook de vrijheid van personenverkeer in toenemende mate zal zijn gerealiseerd, de lidstaten onherroepelijk steeds meer op onderlinge samenwerking en harmonisatie van beleid zullen zijn aangewezen.

Ten derde: een soortgelijk dilemma doet zich nog sterker voor ten aanzien van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, dat in Maastricht in de steigers is gezet. Ook hier gaat het om intergouvernementele samenwerking, niet om een communautaire aanpak. Maar de logica van het identificeren van gemeenschappelijke belangen en het aanwijzen van terreinen voor gemeenschappelijke actie zal in de praktijk de ruimte voor soevereiniteitsbeleving van de lidstaten - zelfs van de grotere - vermoedelijk kleiner maken.

Zullen we niettemin op dit terrein vooruitgang weten te boeken? Ik denk het wel. Daarvoor staan de Europese landen te zeer voor gezamenlijke externe opgaven. Maar het zal ongetwijfeld veel tijd kosten, want verschillen in nationale tradities en belangenperceptie in de buitenlandse en veiligheidspolitiek worden nu eenmaal niet van vandaag op morgen overbrugd. Het Joegoslavische conflict maakt dit maar al te duidelijk.

Ten vierde: de uitbreiding met nieuwe leden. Die met Oostenrijk, Zweden, Finland en andere EVA-landen staat voor de deur. In beginsel moet dit worden toegejuicht. Het gaat om landen die in politiek en maatschappelijk opzicht nauw bij de Gemeenschap aansluiten en dus het interne evenwicht kunnen versterken.

Op de wat langere termijn komt de toetreding van Midden- en Oosteuropese landen in zicht. Maar zal deze uitbreiding - wellicht ook nog met andere aspirant-leden - de Europese integratie niet fundamenteel van karakter veranderen? Kan een Gemeenschap met 20 à 25 lidstaten als politieke eenheid functioneren, zowel naar binnen als naar buiten? Het standaard-antwoord, namelijk dat de nieuwe leden het zogeheten acquis van Maastricht zullen moeten onderschrijven, is even waar als formalistisch. De eerlijkheid gebiedt te onderkennen dat van de uitbreiding - zeker in eerste aanleg - enige verwatering van de integratie valt te verwachten en dus te vrezen. De communautaire structuren zullen moeizamer gaan functioneren, evenals de besluitvorming in de Europese Raad en de samenwerking op justitieel en buitenlands-politiek terrein.

Ofschoon Nederland er zeker naar zal streven, is het zeer de vraag of de herziening van Maastricht die voor 1996 is voorzien, op dit punt veel soelaas zal kunnen bieden. Enige institutionele stroomlijning, inclusief versterking van de positie van het Europees Parlement, hopelijk nog wel. Maar dat er enige tijd van een Europese Unie met verschillende externe en interne gezichten sprake zal zijn, is een ontwikkeling die niet kan worden uitgesloten.

In deze zin zal Maastricht een adempauze in de verdieping van de integratie kunnen inluiden. Dat het ook een eindstation zal zijn, is echter minder waarschijnlijk en is bovendien ook niet wenselijk. Daarvoor is de combinatie van economische en politieke dynamiek, die de kern van de integratie uitmaakt, vermoedelijk toch te sterk. Maar het duurt misschien wel tot een volgende politieke generatie voordat de draad van verdere eenmaking van Europa weer wordt opgepakt.

Met het oog daarop blijft het zinvol voor een land als Nederland - zoveel mogelijk in Beneluxerband - het perspectief van een communautaire rechtsorde met supranationale elementen aan de orde te stellen. Niet alleen het eigen belang van een kleiner land, maar ook de levensvatbaarheid van het integratieproces zelf zijn hiermee gediend. Onlangs schreef Ben Knapen: “Als ideaal is Europa onbereikbaar, maar ondertussen is er veel bereikt.” Mijn conclusie is: om in de toekomst nog meer te kunnen bereiken, zal het ideaal levend moeten worden gehouden.