De Kaspar Hauser van de filosofie

Dwingende gedachten worden geboren uit een veelvoud van levenservaringen, maar hebben tegelijk een kwaliteit die ze doet loszingen van hun biografische achtergrond. Neem de volgende uitspraak van Schopenhauer in een brief van begin december 1819: “Ik voel een buitengewone geringschatting voor die soi-disant filosofen die in publicisten zijn veranderd, en die juist doordat ze een directe invloed willen uitoefenen op de tijdgenoten, bekennen dat ze geen regel kunnen schrijven die een latere generatie ooit zal willen lezen”.*

Dat dit inzicht voortkomt uit het welbegrepen eigenbelang van iemand die er ten minste veertig jaar over zou doen om zijn tijdgenoten ervan te doordringen dat hij een genie was, doet niets af aan de waarheid ervan. Schopenhauers durf om jaren achtereen in de ogen van zijn omgeving te mislukken, getuigt van een intellectuele burgermoed, die schaars is. Dat hij met zijn hoon jegens de publicisten ook zijn wachten heeft verzacht is een bijkomstigheid.

Natuurlijk zeurt er bij de soevereine rust die Schopenhauer heeft opgebracht, voortdurend een lichte paniek op de achtergrond mee. Hij noemde zichzelf niet voor niets de Kaspar Hauser van de filosofie: “ze hebben me opgesloten, ver van lucht en licht, opdat ik de wereld niet in trok; omdat mijn verschijning hun zeer onaangenaam zou zijn”. Wat als hij nooit het licht zal zien en zijn levenswerk ten prooi valt aan vergetelheid? Hij hunkert naar erkenning. Op hoge toon eist hij in brieven aan vrienden dat ze hem van alle tekenen berichten, zelfs de meest minuscule, die erop wijzen dat zijn hoofdwerk, Die Welt als Wille und Vorstellung (1819), leeft in de geleerdenrepubliek. Als een nauwgezette boekhouder registreert hij de meest subtiele stemmingswisselingen die zijn werk ten deel vallen.

En toch keert altijd weer die, uit nood geboren, overtuiging terug dat zijn tijd ooit zal komen. Zestien lange jaren na publikatie van de eerste druk - we schrijven 1835 en slechts enkele honderden exemplaren zijn verkocht - laat hij zijn uitgever weten: “Bij deze gelegenheid wil ik tegenover u mijn overtuiging uitspreken dat ondanks de vrijwel voorbeeldige verwaarlozing, die een werk als het mijne slechts in een in filosofisch opzicht diepgezonken en door de ellendigste tartufferie geteisterd tijdperk ten deel heeft kunnen vallen, het eens erkenning zal vinden, omdat het echte en ware domweg nooit voor altijd miskend kan blijven”.

Dat zijn uitspraak over het publicistendom ook een vorm van stroopsmeren is met de bedoeling een baantje als docent te verwerven in Göttingen is slechts ogenschijnlijk een minpunt. Er werd met een scheef oog naar Schopenhauers opvattingen gekeken en om te voorkomen dat hij om politieke redenen terzijde wordt geschoven wil hij zijn adressaat verzekeren “dat niets mij vreemder is dan ooit enige invloed op de politieke opinies van deze tijd te verwerven”. Daarna volgt de superieure haat tegen de "soi-disant filosofen'.

Deze vrees voor politieke censuur is een welkome aanleiding om een diepergaande opvatting te formuleren. Het is namelijk zijn stellige overtuiging dat ware filosofie een universele roeping heeft. “(...) ik zou het als een vernedering beschouwen als ik de serieuze toepassing van mijn geestelijke krachten zou richten op een sfeer die mij zo klein en beperkt voorkomt als de tijdelijke omstandigheden van een of andere bepaalde tijd of land”, schrijft hij in een vergelijkbare brief, waarin hij hengelt naar een andere baan aan weer een andere universiteit. Zijn opvatting is een vrucht van tegenspoed.

Dat kan niet gezegd worden van de materiële omstandigheden die het Schopenhauer mogelijk maakten in harmonie met deze onthechte opvatting te leven. Ook deze voorspoed doet niets af aan de zeggingskracht van zijn eenkennige levensloop. Men voelt een niet geringe jaloezie bij de herhaalde verwijzingen van Schopenhauer naar zijn familiekapitaal, waarvan het onderhoud hem dan wel menigmaal zorgen baarde, maar tegelijk in staat stelde er onbekommerd op los te denken en zijn "ingeplante denkneigingen' ongestoord te volgen.

Een rechtvaardige dwingelandij spreekt uit zijn eerste brief aan uitgever Brockhaus waarmee hij als eenendertigjarige Die Welt als Wille und Vorstellung ter publikatie aanbiedt. “...) mijn tekst is buitengewoon duidelijk, begrijpelijk, en daarnaast energiek en ik mag wel zeggen niet zonder schoonheid; alleen wie echt eigen denkbeelden heeft, bezit een eigen stijl. De waarde die ik aan mijn boek hecht is heel groot; ik beschouw het namelijk als de vrucht van mijn gehele bestaan”.

Het boek is zo belangrijk dat hij maar afziet van een echt honorarium, dat toch nooit in verhouding zou staan tot de onbetaalbare waarde ervan. Een mooi gebaar dat wel mogelijk wordt gemaakt door de andere bronnen waaruit hij kan putten om zijn dagelijkse maaltijd in hotel Englischer Hof te betalen. Deze omstandigheid maakt een dergelijke onthechte geesteshouding niet minder waardevol, hooguit moeilijker bereikbaar voor minder gefortuneerden.

Het lijkt zijn moeder, Johanna Schopenhauer, te zijn geweest die de jonge Arthur al vroeg op de waarde van een gezonde eenkennigheid heeft gewezen. In december 1807 schrijft ze haar negentienjarige zoon uit Weimar, dat hij er niet aan moet denken om bij haar in te trekken: “Ik leid nu een heel rustig leven, sinds jaar en dag heb ik geen onaangenaam ogenblik gehad, tenzij ik het aan jou te danken had, ik leef stil, niemand spreekt me tegen, ik spreek niemand tegen, geen luid woord valt in mijn huis, alles gaat rustig zijn gang, ik ga de mijne, nergens merkt men wie beveelt en wie gehoorzaamt, ieder doet het zijne in alle rust, en het leven verstrijkt, hoe, dat weet ik niet”. En voor het geval de boodschap nòg niet was overgekomen: “Het is noodzakelijk voor mijn geluk te weten dat jij gelukkig bent, maar niet daarvan getuige te zijn”.

Gezien deze levenslessen verbaast het niet echt dat Schopenhauer al vroeg een hang naar het boeddhisme ontwikkelde. “In het algemeen is de overeenkomst met mijn leer trouwens prachtig”, schrijft hij in 1856. Deze ethiek van de onthechting was hem op het lijf geschreven. Ook toen hij eindelijk roem had vergaard en het onderwerp van mateloze verering werd aan het einde van zijn leven, bleef hij een beetje chagrijnig op zijn hoede. Alhoewel, loftuitingen werden meestal gretig en in grote dank aanvaard.

Zijn eenzaamheid was zeker niet in alle opzichten een vrije keuze. In een brief aan een jeugdvriend klinkt de ongeveinsde treurigheid door van een buitenstaander tegen wil en dank: “Geloof niet dat ik voor "wonderlijk dier' speel: integendeel, ik ben heel natuurlijk en naïef. Maar hoewel ik probeer me te assimileren, ziet men toch meteen dat ik heel anders dan alle anderen ben.”

Of het nu gebrek aan erkenning, baantjesjagerij, een riant familiekapitaal, een wel erg afstandelijke moederliefde of een natuurlijke afstotelijkheid was die hem tot zijn eenzame inzicht brachten, het doet allemaal niks af aan de dodelijke waarheid, volgens welke het effectbejag der publicisten de ergste vijand van het ware inzicht is. Altijd zo schrijven alsof er niemand over je schouder meekijkt, het is een mooi maar moeilijk credo. Begin er maar eens aan.

* Arthur Schopenhauer, De wereld deugt niet, Arbeiderspers (Privé-domein), Amsterdam, 1992.