Christelijk of kerkelijk

Dat protestanten en katholieken verschillend denken over het christelijk gehalte van de christen-democratie is bekend. Maar katholieken onderling zijn het ook lang niet altijd eens. Enkele citaten van de mannen met de vele voorletters.

H.J.A.M. Schaepman, katholiek staatsman, in Proeve van een Program voor een katholieke politieke partij (1883), wil “geen kerkelijke partij, geen leerstellig program”, want “het partijverband beweegt zich niet op het terrein van het geloof, maar van de staatkunde.”

P.A.J.M. Steenkamp, oprichter van het Christen Democratisch Appel, in NRC Handelsblad (26 juli 1975): “Er is een stroming die zegt: Hoe kun je - in Gods naam - het CDA vertegenwoordigen zonder in de Bijbel te geloven? Maar er is een andere groep - en u voelt wel, ik kies geen partij - die vraagt zich af: Zouden mensen die niet in de Bijbel geloven niet in de Kamer mogen? Dat is toch een kwestie tussen God en die man of vrouw zelf?”

W.G. van Velzen, partijvoorzitter van het CDA, in het Binnenhof (29 augustus 1992): “Het CDA is een partij "geïnspireerd door'. Daar mogen we op worden aangesproken. Maar het CDA is geen christelijke partij. Het is een volkspartij die zich richt op de hele samenleving, niet alleen op christenen.”

Minister-president R.F.M. Lubbers op de wekelijkse persconferentie (4 september 1992): “Ik noem het CDA moeiteloos een christelijke partij. (...) Maar het CDA is geen kerkelijke partij in de zin van hiërarchie en ordening.”

Monseigneur H.J.A. Bomers, bisschop van Haarlem, in KRO's Echo (8 september 1992): “Het is niet goed in te zien hoe je een onderscheid kunt maken tussen wat christelijk is en wat kerkelijk is.” (K.V.)