ZUIDPOOL

The Quiet Land. The Antarctic Diaries of Frank Debenham redactie June Debenham Back 207 blz., geïll., Bluntisham Books/Erskine Press 1992, f 94,55 ISBN 1 85297 030 8

Tachtig jaar na zijn terugkeer uit het Zuidpoolgebied, waar hij als geoloog deelnam aan Scotts legendarische en fatale expeditie, zijn de dagboeken gepubliceerd van de Australiër Frank Debenham. Zelf had "Deb' over zijn ervaringen in die drie jaar, die voor zijn verdere levensloop bepalend zijn geweest, het boek In the Antarctic geschreven. Vreemd genoeg verklaart zijn dochter June Debenham Back, die samen met haar zuster Barbara de eindredactie van de dagboeken verzorgde, dat ze nooit voor publikatie waren bedoeld, maar niet waarom dat alsnog, en dan ook nu pas, gebeurt.

Aan de controversiële inhoud kan het niet hebben gelegen, want ondanks het feit dat hij zich als Australiër meer dan eens achtergesteld voelde, is Deb mild over zijn metgezellen. Over Scott, "De Eigenaar' zoals zijn bijnaam luidde, laat Deb zich slechts één keer uit, in een brief aan zijn moeder. Een geweldige organisator, noemde hij Scott, maar erg driftig: ""Hoewel ik niet kan zeggen dat hij in het minst geliefd is, zijn we nog wel allemaal bereid hem te volgen.'' Interessanter nog is Debenhams verklaring voor de slechte kwaliteit van de Siberische pony's waar Scott, naar later bleek ten onrechte, zo veel van verwachtte. Scott had gehoord dat witte pony's het in polaire omstandigheden beter uithielden dan zwarte. Hoewel op de paardenmarkt de witte pony's van zichtbaar mindere kwaliteit waren, heeft Scotts inkoper zich aan zijn opdracht gehouden.

De charme van deze dagboeken ligt behalve in Debs aandoenlijke tekeningen, vooral in het onopgesmukte beeld dat ze geven van het dagelijks leven van de expeditieleden in Antarctica. Van het vieren van kerstmis met een boom gemaakt van een ski-stok en veren van de skua, bijvoorbeeld, of van het verschijnen van het eerste exemplaar van de South Pole Times (waarvan een volledige set vorige maand bij een Engelse antiquair is aangeboden voor een kleine vijftienduizend gulden).

Natuurlijk doen veel van de beschreven gebeurtenissen achteraf wrang aan, bijvoorbeeld de discussies over hoeveel kans Amundsen maakt om als eerste de Zuidpool te bereiken. ""Ik blijf erbij,'' schrijft Deb, ""dat Amundsen veel risico's neemt, zowel fysieke als morele, en dat het een moedige, hoewel unsportsmanlike onderneming is. Ik vrees dat zijn kansen beter zijn dan de onze.'' Zijn beste vriend op de expeditie was Oates, bijgenaamd Soldier, die op de terugweg van de Pool, verzwakt en uitgehongerd, een vrijwillige dood in een sneeuwstorm tegemoet liep om de anderen niet tot last te zijn.

Al tijdens de expeditie vatte Deb het plan op voor een polair centrum waar zowel reizigers als het geïnteresseerde publiek terecht kon. Met geld uit het Memorial Fund dat ter nagedachtenis van Scott werd opgericht kon in 1920 het Scott Polar Research Institute worden geopend op de zolder van het geologiemuseum van Cambridge. Naast zijn baan als docent geologie en later hoogleraar geografie bleef Frank Debenham tot 1946 directeur. In het nawoord zegt zijn assistente: ""Voor Deb belichaamde Antarctica de mystiek; het was voor hem altijd een romantische queeste geweest. Tot het einde toe heeft die romantiek, losgemaakt van de harde werkelijkheid van de expeditie, zijn gedachten en dromen gekleurd.''