"Wie breekt betaalt', ook op valutamarkt

ROTTERDAM, 18 SEPT. Volgens sommige bancaire kringen is in de afgelopen tumultueuze week door de diverse Europese centrale banken mogelijk voor zo'n honderd miljard gulden geïntervenieerd, vooral ter ondersteuning van het Britse pond. En dat allemaal in een (mislukte) poging om de koersverhoudingen binnen het Europees Monetair Stelsel (EMS) te handhaven.

Wie voor de kosten opdraait? Meestal alle betrokken banken, dus ook die uit het land met een sterke valuta. Maar de devaluerende partij is altijd de grootste verliezer. Ook op de valutamarkt is het adagium: "wie breekt betaalt'.

De winst is dan voor de valutahandelaren, die gokten op een waardedaling van de munt in kwestie. Zij konden de munt immers tegen de interventiekoers kwijt, om haar na de devaluatie goedkoper terug te kopen.

Het antwoord op de vraag hoe de kosten precies worden verdeeld, vereist enige uitleg. De belastingbetaler kan in die zin gerust zijn, dat het bij de miljarden-interventies altijd gaat om leningen en niet om schenkingen. De kosten c.q. opbrengsten vloeien alleen voort uit rentevergoedingen en koersfluctuaties.

In EMS-kader zijn over interventies nauwkeurig omschreven afspraken gemaakt. De centrale banken zijn verplicht te interveniëren als de munt van een ander EMS-land de afgesproken bodemkoers bereikt. Zo gold tot woensdag in Nederland voor het pond een minimum-koers van 3,1305 gulden. Door het aankopen van ponden kan worden voorkomen dat de munt door de bodem zakt.

De Nederlandsche Bank (DNB) houdt (in een passieve rol) het "loket' open voor de Nederlandse commerciële banken die ponden aanbieden. De commerciële banken krijgen in ruil guldens. Zij moeten de aan DNB afgestane ponden deponeren op een rekening bij de Bank of England. DNB heeft dan dus een vordering bij de Britse centrale bank.

De berekening van de uiteindelijke kosten en opbrengsten is enigszins ingewikkeld, omdat de transacties in ECU's worden "gecleared' via het Europese Fonds voor Monetaire Samenwerking (EFMS), dat fungeert als een soort administratiekantoor.

De aflossing door de Bank of England (na enkele maanden) zou de Britten bij de huidige koersdaling van het pond met tien procent zo'n tien miljard gulden kosten. De Bank of England lost echter af in ECU's, waardoor de kosten enigszins worden gedrukt. Het pond bepaalt voor tien procent de waarde van de ECU (Europese Reken Eenheid), waardoor de ECU deze week ook (enkele centen) zakte. De Bank of England hoeft dus geen tien procent meer ponden voor de ECU-schuld neer te tellen, maar een procentje minder dan dat. DNB krijgt bij de aflossing vanwege de koersdaling van de ECU dan natuurlijk ook wat minder guldens uitbetaald. Bij de huidige koersverhoudingen dus datzelfde procentje.

Daar staat tegenover dat DNB rente-inkomsten heeft. Het ECU bezit levert DNB een ECU-rente op van momenteel 10,5 procent. DNB loopt echter tegelijkertijd voorschot-rente (8,75 procent) op de gulden mis, omdat het bij de interventie immers met de commerciële banken ponden voor guldens heeft geruild. Door het huidige positieve renteverschil is er per saldo rentewinst. Of de rentewinst het koersverlies kan goedmaken, hangt steeds van de marktontwikkelingen af.

Niet verplichte interventies in bij voorbeeld de dollarmarkt kunnen DNB onder de huidige omstandigheden geld kosten. Dollar-tegoeden leveren in de Verenigde Staten immers slechts een rente van 3 à 4 procent op, veel minder dan de huidige guldensrente. Dit renteverlies kan alleen worden gecompenseerd, indien de dollar in de tussentijd in koers stijgt.

Omdat in de afgelopen jaren interventies meestal effect hadden, werd wel eens vermoed dat de centrale banken per saldo een kleine winst overhielden. De Nederlandse minister van financiën, en dus de belastingbetaler, merkt daar overigens helemaal niets van. Dat komt omdat winst en verlies uit valuta-interventies niet in de resultatenrekening van De Nederlandsche Bank terechtkomen, maar op de balans worden verwerkt via de rekening "waarderingsverschillen goud en deviezen'. Alleen de vermogenspositie van DNB ondergaat dus de invloed van interventies op de valuta-markten.

Voor deze boekhoudkundige verwerking, die overigens niet door alle Europese centrale banken wordt toegepast, werd eind jaren zeventig door het ministerie van financiën en DNB gekozen. In 1976 moest Financiën zijn toevlucht nemen tot het uitschrijven van een speciale staatslening, om verliezen uit valuta-interventies te financieren.