Werkende moeder zijn ongelukkiger dan in jaren vijftig; Lippendienst makkelijker dan huishoudelijke dienst

LEIDEN, 19 SEPT. In het begin van hun relatie gaat alles goed. Zowel hij als zij hebben een baan en leiden een gelukkig bestaan. Na enige tijd denken ze aan kinderen en hij belooft ook zorg te dragen voor kind en huishouding. Totdat de baby daadwerkelijk wordt geboren. De kinderopvang blijkt onvoldoende, hij gluurt slechts af en toe over de krant of het goed gaat en zij heeft moeite de zorg voor het kind af te staan.

Een gang van zaken die veel moeders in het proefschrift "Mijn kinderen hebben er niets van gemerkt' zullen herkennen. Afgelopen donderdag promoveerde de historica drs. M. Morée, werkzaam aan de faculteit Vrouwenstudies in Leiden, op dit proefschrift, waarin ze de lotgevallen van twee generaties buitenshuis werkende moeders beschrijft. In totaal ondervroeg Morée veertig moeders van wie de helft in de jaren '50 en '60 een baan buiten de deur had en de andere helft in de jaren '70 en '80 betaalde arbeid verrichtte.

In veertig jaar bleken mentaliteit en mogelijkheden flink te zijn veranderd. Moest een moeder zich in de jaren vijftig nog verdedigen voor haar keuze om buitenshuis te werken (“we kunnen het geld zo goed gebruiken”), nu zijn ambitieuze moeders allang geen uitzondering meer. De trend is individuele ontplooiing voor iedereen, ook voor degene die een kind op de wereld heeft gezet.

Toch voelen moeders van nu zich ongelukkiger dan hun voorgangers in de jaren vijftig. “Hoewel de moeders tegenwoordig minder uren werken, gaan ze zwaarder gebukt onder overbelasting. Ze zien dat ze nauwelijks vrije tijd overhouden en protesteren daartegen. Vroeger was vrije tijd zo'n luxe voor buitenshuis werkende moeders, dat het niet eens in hun hoofden opkwam”, zegt Morée. Ze wijst erop dat het recht van mannen op vrije tijd vrijwel onaangetast is gebleven. Vaak brengen de vaders hun goede wil om zorg te delen wel naar buiten, maar “een lippendienst is makkelijker bewezen dan een huishoudelijk dienst.”

Op de golven van de tijd dreven de moeders die betaalde arbeid verrichtten mee. In de jaren vijftig verwaarloosde een moeder haar kinderen als ze 's ochtends naar haar werk ging, vanaf 1965 werkte ineens de hele straat. De werkende vrouw als klapstoel, op de arbeidsmarkt gezet als het goed ging. In 1974 werd in het emancipatiebeleid beroepsarbeid voor vrouwen als een recht beschreven. In de jaren tachtig richtten alle ogen zich op het "wondermiddel' kinderopvang. Maar dat bleef volgens Moree een minder pluriforme en toegankelijke voorziening dan werd beoogd. “Kinderopvang vindt alleen tussen negen en vijf uur plaats, een kind opvoeden doe je ook buiten die tijd. En als dan ook nog eens alle huishoudelijke taken op jouw schouders terecht komen...”

En dan zijn er de twijfels van de moeder zelf. Is zorg over je eigen kind afstaan eigenlijk wel zo leuk? Een van de ondervraagden - werkzaam als personeelsconsulente - zegt: “Bij ons tweede kind was de verdeling van de zorg veel eerlijker. Maar nu roept-ie ook om zijn vader en dat steekt toch.” Morée ontkent dat het ontbreken van gedeelde zorg tussen ouders dus "eigen schuld, dikke bult' van de vrouw is. Volgens de historica worden moeders vaak thuis ontmoedigd als ze betaalde arbeid en kinderen willen combineren. Het opvoeden van de kinderen biedt dan een aanlokkelijk alternatief. Bovendien betekent het regelen van het bestaan van je kind ook een soort macht, die je niet graag uit handen geeft.

Morée denkt dat voor de moeder van de toekomst, nu nog in de schoolbanken, weinig zal veranderen. Zj wil betaald werk en moederschap combineren, terwijl hj nog altijd denkt aan zijn volledige baan en voor haar hoogstens parttime werk in gedachte heeft. Uit onderzoek blijkt dat zij bereid is haar werkaspiraties naar beneden bij te stellen. Daarentegen strijkt hij - een echte vent - nog altijd niet zijn eigen overhemd.