"Waarom stop je niet? Je hebt toch een prachtige carrière achter je?'; "Iemand die laat merken dat hij meeleeft, dat is al genoeg'; "Je wordt ziek van mensen die almaar vragen wat er mis is'

Al 22 jaar doet ze aan atletiek. Al 16 jaar neemt ze aan internationale wedstrijden deel. Zelden last van blessures. Maar sinds twee jaar wordt ze geteisterd door ziektes. ELLY VAN HULST, 33 jaar, nog altijd wereldrecordhoudster indoor op de 3.000 meter. Over tobben en tegenslag. Waarom ze toch niet opgeeft.

De wereldkampioenschappen atletiek heeft ze vorig jaar niet willen zien op tv. Net zo min als de Grand-Prix-wedstrijden. Ook naar de olympische finale van háár nummer, de 3.000 meter, heeft ze niet gekeken. Te pijnlijk. Te deprimerend.

“Als je carrière voorbij is, kun je op tv wel genieten van je eigen sport. Maar als je door ziekte bent weggerukt, dan wordt je alleen maar somber van die beelden. Waarom zou ik mezelf kwellen? Waarom zou ik mezelf pijn doen? Dat ik er niet bij was, dat heeft me pijn genoeg gedaan.”

“Alleen naar de series voor de 3.000 meter in Barcelona heb ik gekeken. Dat zal ik nooit vergeten. Ik zat die morgen met kriebels in mijn buik in het Dijkzigt-ziekenhuis voor onderzoek. En door mijn hoofd spookte: in Barcelona had ik nu de kriebels gehad voor de serie. Daar werd ik heel verdrietig van.”

Samen met haar levensgezel en coach Theo Kersten, de man die haar als 15-jarig meisje al trainde, koos ze ooit, in een ver verleden, voor een geleidelijke loopbaan. Onder het motto dat je kwaliteit de tijd moet gunnen om te rijpen. Ze grossierde al vroeg in Nederlandse titels. Strandde bij de Olympische Spelen acht jaar geleden in de halve finale van de 1500 meter. Kwam elk seizoen weer sterker terug. Tot ze vijf jaar geleden zover op de internationale ranglijst bleek gestegen, dat ze van haar topsport leven kon.

“Dit worden mijn jaren”, zei ze begin '88 tegen zichzelf. Hoewel ze geestelijk aan topprestaties misschien nog niet toe was. Ze is nu eenmaal stil en teruggetrokken van nature. Een kat-uit-de-boom-kijkster, die alles drie keer overdenkt voordat ze tot daden durft te komen. Een loopster die gevoelig is voor druk.

Dat bleek toen ze vlak voor de Spelen van Seoul de pech had, zo zegt ze het zelf, om de Amerikaanse favoriete Mary Decker te verslaan. Plotseling was zij de grote favoriete. Ze zou wel eens even een gouden medaille winnen. Onder die hoge verwachtingen bezweek ze in de finale. Ze finishte als negende.

En juist op het moment dat ze wel klaar was voor ereplaatsen op grote toernooien, zowel lichamelijk als emotioneel, juist in haar beste jaren werd ze door ziekte achtervolgd. Terwijl ze in het verleden nooit een seizoen had gemist. Ze won nog wel drie jaar op rij het Europees indoorkampioenschap op de 3.000 meter. Bijna achteloos liep ze in 1989 bij de WK indoor nog een mondiaal record op die afstand: 8.33,82. Maar de indoorwedstrijden heeft ze eigenlijk altijd als bijzaak beschouwd. De grote buitentoernooien, die had ze willen winnen. Dat is nooit gelukt.

Bij de Europese kampioenschappen in Split twee jaar geleden werd ze al gehinderd door een rugblessure. Een beknelde zenuw, gevolg van een zogeheten S-rug, hol van onder, bol van boven, die haar anderhalf jaar lang uitgeschakeld hield. Drie maanden mocht ze niet trainen. Er was een periode dat ze niet meer lopen kon.

Een olympische medaille had dat leed kunnen verzachten. Maar in Barcelona verscheen ze niet eens aan de start. Een paar veelbelovende wedstrijden na haar comeback in het winterseizoen werden algauw opgevolgd door een teleurstellende vijfde plaats bij de Europese indoorkampioenschappen in Genua. Haar pogingen daarna om aan de olympische kwalificatietijd te voldoen kregen al snel een steeds desperater karakter.

Aanvankelijk dacht ze dat ze door faalangst werd geremd. Wilde ze misschien te graag bewijzen dat ze nog meetelde? Voelde ze zich te verantwoordelijk tegenover haar nieuwe sponsor Mita die recht op goede resultaten had? Had ze toch weer verleerd hoe ze moest omgaan met grote druk?

Ze had geen enkele reden om aan een lichamelijke oorzaak te denken. Ze voelde zich niet ziek, niet slap, niet moe. In de trainingen ging toch alles goed?.

Kan ik het nog wel, vroeg ze zich af toen ze in de loop van het seizoen alleen maar slechter ging lopen. Toen ze in een internationale wedstrijd als laatste eindigde in een tijd die ze al als junior had gehaald. Was ze misschien toch te oud? “Ik begon verschrikkelijk aan mezelf te twijfelen.”

In die periode wilde ze met niemand meer praten over atletiek. “Want je bent dag en nacht bezig met je sport. Je leeft voor die sport. Je eet voor je sport. Dan word je er ziek van als de mensen almaar blijven vragen wat er toch mis is.” Ziek ook van je eigen standaard-antwoord: “Ik weet het niet.”

Ze voelde zich zo machteloos. Boos, maar vooral heel verdrietig. Over een onheil dat ze niet bevatten kon. Ze sloeg niet met deuren. Ze gooide niet met kopjes. “Ik klapte dicht, als het ware.” Zegt de atlete die wel vaker wordt verweten dat ze een schild om zich heen heeft, dat ze onbenaderbaar is.

Terwijl ze dat isolement juist niet zoekt. Na een hevige teleurstelling wil ze alleen maar getroost worden. Zonder holle woorden. “Iemand die je laat merken dat hij meeleeft, dat is al meer dan genoeg.”

Na maanden van vertwijfeling was het bijna een opluchting, toen NSF-sportarts Peter Vergouwen half juni een post-viraal syndroom constateerde. Ze had kennelijk in maart al een virusinfectie gehad. Door daarmee verder te lopen had ze haar afweersysteem en ook haar zuurstofhuishouding ondermijnd. De enige remedie: voorlopig rustig aan doen.

Achteraf vielen alle stukjes van de puzzel op hun plaats. De hoofdpijntjes, de rode ogen, al die andere kleine klachten. Ze vormden een keten die op 8 maart al in het Duitse Sindelfingen was begonnen. Had ze die dag maar beter geluisterd naar haar lijf.

Maar ze had weer zo nodig beleefd moeten zijn. Het liefste meisje van de klas, dat niemand tekort wil doen. Daardoor zelf tekort komt. Natuurlijk had ze zich in Sindelfingen niet lekker gevoeld. “Maar het gebeurt bij atletiekwedstrijden al zo vaak dat internationale toppers op het laatste nippertje wegblijven met een rotsmoes. En er waren maar vijf vrouwen voor de 3.000 meter. En ik ben daar altijd het lievelingetje van het publiek. Dus mijn verstand zei: "Je bent aan die mensen verplicht om te lopen'. Wat natuurlijk onzin is. Ik heb niet genoeg aan mezelf gedacht. Ik ben veel te netjes geweest.”

Met de nasleep kampt ze nog steeds. Want na de virusinfectie en het post-viraal syndroom volgden er nog allerlei andere kwaaltjes. Nu zit ze weer met ademhalingsproblemen waarvan de herkomst duister is.

Toch heeft ze nooit - “geen moment” - overwogen om met topsport te stoppen. Niet dat ze bang is voor een leven na de sport. Ze weet zelfs al precies hoe dat er uit gaat zien. Dan vestigt ze zich permanent in het land, waar ze nu al een kwart van het jaar verblijft. Als makelaar verdient ze dan in Portugal de kost.

Maar ze hecht nog altijd te sterk aan het topsportersleven. Het dagelijkse trainen. De spanning vóór de de wedstrijd. De ontlading daarna, al dan niet in vreugde. Dan kan ze vreselijk uitgelaten zijn. Ondanks het etiket van gereserveerdheid dat haar steeds wordt opgeplakt.

Ook het reizen zou ze missen. Als kind vond ze het een bezoeking om telkens weer te moeten verhuizen. Van Culemborg via Enschede, Uden en Maastricht naar de Friese hoofdstad. Als dochter van een beroepsmilitair heeft ze alle delen van het land gezien. Was ze net gewend, dan trokken ze weer verder.

Maar als sporter heeft ze het zwerversbestaan zelf gezocht. De winters bracht ze door in die zachte Algarve. 's Zomers reisde ze van wedstrijd naar wedstrijd, gretig alle steden, alle landen bekijkend. In haar Rotterdamse flat verbleef ze bijna nooit.

Eenzaam, ja, soms is het eenzaam. Soms denkt ze: deed ik maar een teamsport. Dan zouden we het verdriet kunnen delen. Maar ze moet er niet aan denken dat ze dan anderen zou kunnen treffen met haar fouten. Ze vond het vroeger al “een ramp” als ze aan een estafette moest meedoen. “Altijd bang dat ik het voor een ander zou bederven. Dat de ploeg gediskwalificeerd zou worden door mijn verkeerde wissel. Doodsangst. Dan kun je maar beter eenling zijn.”

Al had haar vader, zelf volleybalcoach, waarschijnlijk maar wat graag gezien dat ze volleybalster was geworden. Dat vermoedt ze. Nooit heeft hij laten merken dat hij trots was op de sportieve prestaties van zijn dochter. Nooit in haar bijzijn. “Integendeel.”

Ze mist nog de rust om zich te vestigen. Ze heeft ook nog altijd niet genoeg van winnen. Ook al staat haar woning vol met trofeeën. Met bekers, bokalen, vazen en schalen. Een trosje medailles hangt achteloos aan de huistelefoon.

Hoe belangrijk het winnen is, heeft ze juist afgelopen seizoen gemerkt toen ze vaak achteraan liep. “Voortdurend vroeg ik me af: waar ben ik mee bezig. Heb ik me zoveel ontzegd voor zo weinig? In de luwte vind ik atletiek niet meer leuk.”

"Waarom stop je niet?' Veel mensen die haar dat ongevraagde advies hebben gegeven. "Je hebt toch een prachtige carrière achter je?' Maar ze denkt dat ze nog altijd een mooie carrière voor zich heeft. Ze wil nog een paar jaar doorgaan op haar "eigen' nummers: de 1.500, de 3.000, de 5.000 meter. Daarna misschien nog eens overstappen op de 10.000 meter.

Alleen moet ze dan geen nieuwe tegenslagen krijgen. Want zo'n jaar als afgelopen jaar, dat wenst ze nooit meer mee te maken. “Om weer in zo'n diepe put te zitten, er nog eens uit te kruipen”, dat brengt ze niet meer op.