Schokkende beelden

De reclamemakers voor de verenigde kleuren van een merk - hoe heet het ook weer en van wat - heeft nu het straatbeeld opgevrolijkt met de foto van een stervende fuut. Het dier zwemt in een plas olie, het is overdekt met olie, aan zijn rode ogen in het dodelijk zwart heeft het zijn uitverkiezing te danken. De Aidspatiënt waarmee een poosje geleden werd geadverteerd, heeft al het beoogde rumoer veroorzaakt. Een foto van een wit wollig schaap dat zijn laatste rituele adem uitblaast zal de volgende vereniging van kleuren verzorgen. Dat belooft nog meer herrie.

Ik schrijf dit stukje niet met de bedoeling de codecommissie voor de reclame aan te moedigen deze affiches in strijd met de goede smaak te verklaren. Als die firma de commerciële aandacht op zich wil vestigen door het sterven in exploitatie te nemen, moet ze dat zelf weten. "In strijd met de goede smaak': het is op zichzelf al een uitdrukking waarop ik me niet graag zou laten betrappen. Ten eerste is er al zo ongelofelijk veel lelijks te zien dat de moed je in de schoenen zinkt bij de gedachte er iets aan te moeten doen. Ten tweede heeft het iets pauselijks: alsof de goede smaak ex cathedra kon worden afgekondigd. Uw goede smaak is de mijne niet en als we allemaal dezelfde goede smaak hadden zou het er saai uitzien in de wereld.

Ik wil alleen vaststellen dat foto's van in doodsnood verkerende wezens een soort recycling ondergaan. Ze staan dagelijks in de krant om ons ervan op de hoogte te brengen dat ergens anders iets verschrikkelijks is gebeurd. De gruwelijkste, of de "schokkendste' beelden zijn daarmee niet aan het eind van hun nut of waarde. Ze komen nog een keer te voorschijn in verband met een goed doel. De bemiddelaars tussen dit goede doel en ons willen ons "wakker schudden' en "bewust maken.'

Helpt het? Ik weet het niet. De reeks beelden die het journaal van de NOS aan het verse nieuws vooraf laat gaan is een poosje geleden vernieuwd. Er zit weer zo'n "schokkende' foto in, maar de montage is te flitsend om goed te kunnen zien wie waarvan het slachtoffer is geworden. Het is daar ook niet de bedoeling de kijker wakker te schudden voor een goed doel, maar hem een voorproefje te geven van het veelzijdige, onophoudelijk veranderende wereldnieuws. In de vorige reeks kwam een foto voor van een uitgehongerde, doodzieke jongen die ook gemakkelijk had kunnen figureren voor de hierboven genoemde reclamecampagne. Iedere avond die jongen: was dat al niet voldoende bewustmaking?

Hoe meer slachtoffers van allerhande treurigheid, wreedheid en stupiditeit je ziet, hoe geringer de "bewustheid'. Er moet wel iets heel bijzonders worden vertoond om het publiek en zijn leiders tot nader nadenken te bewegen. Het bewijs daarvoor is onlangs geleverd door de reportage uit een Servisch concentratiekamp met gevangenen die regelrecht aan de Duitse kampen herinnerden. Dat veroorzaakte de collectieve verontwaardiging die misschien de grondslag is geweest voor de kleine verandering van de politiek der beschaafde landen. Het is mogelijk; het kan ook zijn dat ik me vergis. Het ontstaan van een politiek, een wending daarin, het uiteindelijk resultaat: dat is allemaal veel te ingewikkeld om het tot één oorzaak terug te voeren. Daar gaat het me ook niet om.

De bewustwording dateert niet van vandaag of gisteren. Toen ik op de lagere school zat werden de kinderen één keer per jaar in het gymnastieklokaal bij elkaar gebracht. Er stond een toverlantaren waarmee foto's van zieke mensen in Afrika werden vertoond. Dat was de bewustmakingsvoorstelling die ons rijp maakte voor de Simavi-collecte. Het was verschrikkelijk. Lepra, pokken, gezwellen, close-ups van zweren. Veel kinderen konden er niet van slapen, een enkele wilde dokter worden. Het kwartje dat we van onze moeder hadden meegekregen, werd beschouwd als een soort aflaat.

Achteraf bezien denk ik dat ik toen al niet in het effect van dergelijke bewustmaking heb geloofd. "Schokkende' foto's doen zelden de solidariteit opbloeien. Ze veroorzaken eerder walging, angst, in letterlijke zin afkeer, of inflatie van het gruwelijke. Wie in het effect van de vertoning blijft geloven moet met steeds sterker staaltjes komen om de inflatie te overwinnen.

Dat wordt nu gedaan door de makers van de hierboven genoemde campagne en, met een andere bedoeling, door de Posterijen bij hun pogingen de Rode Kruispostzegels aan de man te brengen. We zien in een reeks "schokkende' beelden, afgewisseld door mensen die hun tong uitsteken en "wèh!' of "bèh' roepen. Bij het laatste plaatje neemt het verhaal de draai naar de ontknoping: die uitgestoken tong dient niet om te laten zien dat het de eigenaar een zorg zal zijn wie er crepeert, maar juist om te bewijzen dat hij een postzegel nat maakt die dat creperen zal verhinderen.

Ik begrijp wel wat de makers heeft bewogen: het overwinnen van de inflatie die de opeenvolging van "schokkende' beelden nu eenmaal veroorzaakt. Maar je kunt niet een directe verbinding leggen tussen het likken aan een postzegel en het sterven van de honger. Dat, dunkt mij, wil dat er bij de liefdadigste Nederlander niet in. Daarom is die reclame van de Posterijen niet "in strijd met de goede smaak' maar gewoon stom. Het is een poging om de lacherigheid, de vrijblijvendheid van de maatschappij die we hier hebben, via een bijdrage van nul komma zoveel cent te verbinden met een andere maatschappij die in alle opzichten ons voorstellingsvermogen te boven gaat. En afgezien daarvan, dat soort necrofilie is blijkbaar in de reclamemode.

Ik hoop dat het helpt; dat er veel postzegels verkocht mogen worden, maar de werving voor het likken vind ik niet goed.

Vogelverschrikkers

De bibliografie is deze week uitgebreid met de volgende titels:

Charles Donker en Karel Eykman, De vreselijk verlegen vogelverschrikker, De Harmonie, Amsterdam 1974.

Jan Kooistra en Robin d'Arcy Shillcock, De vogel en zijn verschrikkers, Krips Repro, Meppel 1990.

Verder maakt een lezer mij attent op een ""uitgebreide verhandeling'' over de vogelverschrikker door Günter Grass in het eerste deel van zijn Hundejahre. Ik heb het niet gelezen; ik neem het graag aan.

We hebben er nu zeven. Er moet meer zijn.