OVER DE OPKOMST VAN DE INVENTIEVE BÈTA-MEIDEN

Feminine Ingenuity. Women and Invention in America door Anne L. Macdonald 514 blz., gell., Ballantine Books 1992, f 47,05 ISBN 0 345 35811 2

Vrouwelijke uitvinders bestaan door Farag Moussa 188 blz., gell., An Dekker 1992, vert. Joke Schretlen (Portraits of Contemporary Women Inventors 1990), f 28,50 ISBN 90 5071 100 6

Kunnen vrouwen uitvinden? Edison, Marconi, Bell, het zijn klassieke namen die iedereen kent maar tegelijk zijn het stuk voor stuk mannen. Wie weet eens een vrouwelijke uitvinder te noemen? Zelfs de doorgewinterde feminist blijft het antwoord op deze vraag veelal schuldig. Toch zijn ze er, al is hun aandeel beperkt, en bij elkaar hebben ze legio vondsten op hun naam staan. Correctievloeistof, het koffiefilter, de onderwatertelescoop, baanbrekende geneesmiddelen, ontspiegeld glas, de zelfreinigende woning: alle werden ze bedacht door een vrouw.

Wie op zoek wil naar vrouwelijke uitvinders kan terecht op het octrooibureau. Daar staan ze geregistreerd, samen met hun geesteskinderen, in gezelschap van een overmacht aan mannelijke collega's. Deze officiële lijsten zijn niet uitputtend. Voor sommige vindingen is eenvoudig nooit een patent aangevraagd en ongetwijfeld is het voorgekomen dat vrouwen hun invallen aan echtgenoten of werkgevers toevertrouwden, die vervolgens met de eer gingen strijken. Ook waren er vrouwen (en mannen) die afknapten op de taaie, kostbare procedures die het octrooibureau oplegde. Maar het probleem met dit soort gevallen is altijd de bewijsvoering.

Over vrouwelijke uitvinders zijn onlangs twee boeken verschenen. Vrouwelijke uitvinders bestaan, van de Zwitserse auteur Farag Moussa, bevat meer dan dertig portretten van vrouwen en meiden uit alle delen van de wereld (met in vertaling extra aandacht voor Nederland en België) die zich als uitvinder hebben onderscheiden. Het zijn even zovele lofzangen op de vrouwelijke inventiviteit, op het doorzettingsvermogen van de hoofdrolspeelsters, zonder noemenswaardige aandacht voor historische of sociaal-economische contexten. ""Het is zeker niet mijn bedoeling de vraag te beantwoorden waarom en door wie die vrouwen onzichtbaar zijn gemaakt,'' schrijft Moussa in zijn inleiding. ""Dat is zo'n ingewikkeld verhaal dat je meer dan een mensenleven nodig hebt om het te kunnen begrijpen.''

TEGEN DE KLIPPEN OP

Toch ligt juist in die beperking de grote zwakte van de bundel. Door hun oppervlakkigheid en eenvormigheid in stijl gaan de portretten al snel vervelen. Op een gegeven moment geloof je het wel, alweer zo'n vrouw die haar baanbrekende idee tegen de klippen op aan de man probeert te brengen. Bijna alle gepresenteerde uitvindingen liggen op het technische vlak, terwijl in de praktijk de meeste octrooien die aan vrouwen zijn toegekend met het huishouden te maken hebben. Maar dat komt niet in Moussa's kraam van pas. Het boek lijkt, ook qua taalgebruik, nog het meest geschikt voor gebruik binnen het onderwijs. Daar moet de slimme meid op haar toekomst worden voorbereid, en aan rolmodellen is groot gebrek.

Aanmerkelijk interessanter is het boek Feminine Ingenuity van de historica Anne L. Macdonald. Het is een doorwrochte maar daarom niet minder levendige studie naar de geschiedenis van Amerikaanse uitvindsters. Zelf in het bezit van een octrooi (ze bedacht een manier om bij het breien met meerdere draden wol alles netjes uit elkaar te houden) heeft Macdonald twee eeuwen aan archiefmateriaal van het Octrooibureau (opgericht in 1790), alsmede kranten, vaktijdschriften en manuscripten, op de aanwezigheid van inventieve seksegenoten nagevlooid. Dat leverde een schat aan gegevens op, te beginnen met het octrooi dat Mary Kies uit Connecticut zich in 1809 als eerste vrouw verwierf voor haar methode van stro vlechten. Macdonald presenteert haar materiaal op een toon die betrokkenheid verraadt, maar ze onthoudt zich van waardeoordelen en chauvinisme is haar vreemd.

In tegenstelling tot Moussa's gesoleerde heldinnen, dragen de uitvindsters bij Macdonald het stempel van de politieke, economische en sociale omstandigheden waarbinnen zij opereerden. Haar geschiedenis van vrouwelijke uitvinders is onlosmakelijk verbonden met de zich wijzigende rolpatronen tussen de seksen, met de strijd voor het vrouwenkiesrecht, kortom met de geschiedenis van de vrouw in het algemeen. Zo betekenden de Amerikaanse Burgeroorlog en beide Wereldoorlogen voor inventieve vrouwen een uitgelezen kans om zich ook buiten het gebied van het huishouden te etaleren, maar steeds dwong de thuiskomst van de frontsoldaten hen terug naar de keuken.

Vrouwelijke uitvinders, zo laat Macdonalds studie zien, hebben zich in Amerika nooit georganiseerd. Dat heeft alles te maken met het solitaire, onafhankelijke karakter van het beroep. Uitvinders zijn competitief ingesteld, doen het liefst geheimzinnig uit angst dat een ander het idee eens mocht kapen en hebben weinig behoefte aan het uitwisselen van informatie. Dat neemt niet weg dat ze zich, gezien de gratis publiciteit, aandacht van derden graag laten aanleunen. Een eeuw geleden waren dat de suffragettes die, in hun strijd voor vrouwenemancipatie, uitvindingen van hun zusters, en dan vooral de succesvolle op "masculien' gebied, dankbaar aanwendden als munitie. Tegenwoordig wordt geprofiteerd van de opkomst in de academische wereld van vrouwenstudies. Wat meer zoden aan de dijk zet: vrouwelijke uitvinders zijn door de Amerikaanse regering herkend als speerpunten in het gevecht om meer bèta-meiden, die mee moeten helpen buitenlandse technologische overheersing te voorkomen.

HUISHOUDEN

Honderd jaar geleden stond één procent van de verstrekte octrooien op naam van een vrouw. Inmiddels is dit cijfer gegroeid tot drie à vier procent, nog altijd niet om over naar huis te schrijven. Net als mannen vinden vrouwen uit op die terreinen waar ze het meest ervaren zijn. Nog altijd vormt het huishouden de grootste categorie, gevolgd door kleding en dergelijke. Volgens Macdonald is daar niets mis mee, al constateert ze met spijt dat al die huishoudelijke uitvindingen er weinig toe doen: tegenover de wasmachine staat een vertienvoudiging van de hoeveelheid was. Maar sinds vrouwen beter zijn opgeleid, is er een verschuiving gaande richting chemie en biotechnologie.

In vroeger tijden was dat ondenkbaar. Zeker, ook vrouwen mochten uitvinden, maar meer dan huishoudelijke "nieuwigheidjes' werd niet van ze verwacht. Vond de man de fiets uit, dan volgde de vrouw met handige kledij om de aanstootgevende broekrok bij het afstappen te camoufleren, of met busjes peper aan de stuurstang om zich al fietsende de honden van het lijf te houden.

Die tijd is voorbij, Amerika kan zich het verspillen van zoveel talent eenvoudig niet langer permitteren. Tegenwoordig zijn er landelijke uitvindwedstrijden voor de jeugd, waaraan honderdduizenden kinderen meedoen. Een van de hoofdprijzen van 1989 was voor de zesjarige Suzanna Goodin. Zij was het beu om bestek met aangekoekt kattevoer te moeten afwassen en vond de eetbare lepel uit.