Ondernemers: Mitterrand zet Europese belangen op het spel

PARIJS, 19 SEPT. De grote Europese ondernemers zijn zo kwaad op de Franse president Mitterrand, dat ze hem ervan beschuldigen de Europese belangen op het spel te hebben gezet voor zijn eigen belang.

Ze willen zelfs hun traditie doorbreken om politici niet in het openbaar te bekritiseren. Leden van de Europese Ronde Tafel, de invloedrijke industrielobby die een motor was achter de verwijdering van grensbelemmeringen in het kader van "Europa '92', zeggen dat Mitterrand onverantwoorde risico's nam toen hij besloot tot een Frans referendum over het verdrag van Maastricht. Het referendum was voor de Franse ratificatie van dat verdrag niet vereist.

De Europese ondernemers houden het erop dat Mitterrand dacht met een eenvoudige referendumoverwinning zijn binnenlandse prestige te kunnen verbeteren. “Mitterrand wilde zijn positie als president nog eens door het volk bevestigd zien, maar hij heeft zich vergist”, zegt de Italiaan Umberto Agnelli, vice-president van Fiat, kortaf.

De Belg Etienne Davignon, die acht jaar Europees commissaris was en nu de topman is van de Generale Maatschappij, zegt: “Ik vind het erger dan een misrekening. Je moet toch bij een beslissing aan de mogelijke gevolgen denken? Ik vind het niet verdedigbaar dat Mitterrand bij zo'n ernstige zaak het risico van een Europese crisis heeft genomen.”

Want of Frankrijk morgen bij het referendum het Verdrag van Maastricht aanvaardt of afwijst, volgens de Europese industriëlen is de schade al toegebracht. De valutamarkten hebben getoond geen vertrouwen in Europese maatregelen te hebben en het Europese Monetaire Stelsel is in de problemen geraakt.

Na jaren van euforie over de eenwording van de Europese markt, is volgens de leden van de Europese Ronde Tafel een nieuwe periode van Europessimisme aangebroken. Afgelopen woensdag staken ze in Parijs de koppen bij elkaar om te zien welke actie ertoe kan bijdragen dat de huidige crisis de Europese integratie en de totstandkoming van één Europese munt zo weinig mogelijk vertraagt.

De voorzitter van de Europese Ronde Tafel, de Fransman Jérôme Monod, topman van de Lyonnaise des Eaux-Dumez, wil over mogelijke actieplannen van de industriëlen nog niets zeggen. Hij herhaalt slechts: “De Europese Monetaire Unie moet er zo snel mogelijk komen. Als dat nu wordt vertraagd, is dat zuiver om Franse politieke redenen. Dat is zeer spijtig voor de concurrentiepositie van de Europese industrie in de wereld.”

De Europese integratie is aan een periode van verwarring begonnen, stelt de Belgische Gevaert-topman André Leysen vast. Ook de Europese industriëlen bevinden zich niet op één lijn. Ze wachten met spanning het voorlopige hoogtepunt van de turbulentie af - de uitslag van het Franse referendum van morgen.

Pag.18:

Wisse Dekker, voorzitter van de raad van toezicht van Philips, vertelt bij voorkeur eerst wat volgens hem gebeurt als de meerderheid van de Fransen "ja' zegt tegen het Verdrag van Maastricht en gaat pas daarna over tot het somberste scenario. Nog maar kort geleden hadden de ondernemers tamelijk eensluidende vooruitzichten over de marsroute naar de Europese monetaire unie, nu is de mening van Dekker er één van de vele. Als het Franse referendum positief uitvalt voor het Verdrag van Maastricht, veronderstelt hij, zullen de Britten weer voor vertraging zorgen door met ratificatie te wachten tot de problemen opgelost zijn met Denemarken. Dat land wees het verdrag eerder door middel van een referendum af.

Dekker ziet een Europa van twee snelheden in het verschiet, waarbij de monetaire unie wordt geleid door een Frans-Duitse as, met de Benelux in het kielzog. Andere landen moeten zich er maar bij aansluiten als ze eraan toe zijn. “Als Frankrijk "nee' zegt, betekent dat het einde van het Verdrag van Maastricht en moet er opnieuw worden onderhandeld. Maar mijn mening is: geen politieke unie, so what? Pas als er geen monetáre unie komt, wordt de concurrentiepositie van de industrie tegenover Amerika en Japan geschaad. Het Verdrag van Maastricht is voor die monetaire unie niet noodzakelijk.”

Dekker kondigt aan dat het bedrijfsleven “een geweldige druk” zal ontwikkelen om de eenwording van het Europese geldstelsel zo snel mogelijk te realiseren. Zijn collega's van de Europese Ronde Tafel willen daaraan meedoen, maar ze zijn het niet met Dekker eens dat de monetaire unie kan worden losgemaakt van de politieke unie en dus ook zonder Verdrag van Maastricht te vormen is.

Dekker zegt het gevoel te hebben dat de politici een te grote stap hebben willen nemen. Dat het Verdrag van Maastricht als bestseller in de Franse boekwinkels ligt, noemt hij ongelofelijk. "Maastricht', zo luidt het verwijt, zegt de burger niets. En het is heel moeilijk, aldus Dekker, het de burger wèl iets te laten zeggen. “Je kunt het alleen begrijpen als je het Verdrag van Rome kent.”

Politici zouden volgens Dekker voorrang moeten geven aan de monetaire unie en andere zaken, zéker gedachten over uitbreiding van de Gemeenschap met Oosteuropese landen, voorlopig laten wachten. “Ik sta achter het Verdrag van Maastricht en ik hoop dat het wordt geratificeerd. Maar we moeten afwijzing ervan niet beschouwen als een symbool van het mislukken van Europa.”

Fiats Umberto Agnelli gelooft evenmin dat zich een Europese catastrofe voltrekt. “De Europese integratie gaat door”, zegt hij. “Als Frankrijk het Verdrag van Maastricht afwijst, moet er opnieuw worden onderhandeld. Dat betekent tijdverlies en dat is een ernstige fout die niet alleen nadelig is voor de industrie, maar ook voor de Europeanen. Die geloven volgens mij in meerderheid in Europa.”

Hij zegt nog eens dat er geen sprake is van een tragedie, maar toont zich vervolgens somber: de devaluatie van de lire “is de demonstratie van de mislukking van het bestuur van Italië”. Als niet snel ingrijpende maatregelen worden genomen, komt het land in een vicieuze cirkel van inflatie en nieuwe devaluaties terecht en kan het nooit op tijd gereed zijn voor een monetaire unie.

Agnelli wil nog niet denken aan een Europa met twee snelheden: “Er zijn in Europa grote landen die een fundamentele rol vervullen. Duitsland heeft die op economisch gebied, Frankrijk bij de internationale betrekkingen, Engeland met de relatie met de Verenigde Staten, Italië met de kennis van Noord-Afrika en het Midden-Oosten. Als één van deze landen ontbreekt, is er geen Europa meer dat kan concurreren met Noord-Amerika en Japan.”

Agnelli is ook bezorgd over de mogelijkheid van heroplevend nationalisme, dat volgens hem wordt ingegeven door angst voor een onbekende toekomst. De mensen zoeken houvast in hun naaste omgeving. Voor Etienne Davignon is het een volkomen verrassing dat angst voor de gevolgen van de eenwording van Europa een rol kon spelen bij de Franse referendumcampagne. Hij zegt: “Ook indien de meeste Fransen voor ratificatie van het Verdrag van Maastricht stemmen, moeten we er lering uit trekken dat het mogelijk is dat de publieke opinie kan geloven dat er nog alternatieven voor Europese eenwording bestaan. Er zal moeten worden uitgelegd dat zonder stabiliteit geen economische groei mogelijk is en dat stabiliteit alleen kan worden bereikt als de samenwerking in Europa sterk genoeg is. Kijk maar wat gebeurt, nu de valutamarkten het vertrouwen in Europese maatregelen hebben verloren.”

De Vlaming André Leysen, die zeer Europees is als bestuurslid van de Duitse Treuhand en lid van de Raad van Toezicht van Philips, meent dat de Franse president Mitterrand ervan overtuigd was bij het referendum van morgen te winnen. “Dat is een politieke misrekening geweest.” Hij veronderstelt dat voor- en tegenstanders ongeveer vijftig procent van de stemmen krijgen. “Wat de uitslag ook wordt, de schade is al aangericht. Er zijn zoveel negatieve krachten bovengekomen dat zeker op korte termijn sprake zal zijn van verwarring. Maar als Frankrijk "nee' stemt, wordt het - in de woorden van De Gaulle uit 1940 - het verlies van een veldslag, niet van de oorlog.”

Hij gelooft dat, ondanks de vertraging, het fundamentele proces van de Europese eenwording niet meer kan worden gestopt. Daarbij trekt hij een vergelijking met de Duitse Zollverein: nadat in 1815 de eerste stappen voor die tolunie waren gezet, was pas in 1888 sprake van volledige realisatie ervan. “Op lange termijn ben ik optimistisch. Maar er komt eerst een periode van pessimisme. Het elan, de geestdrift over Europa '92, is voorbij. Er is een periode van twijfel gekomen waar we doorheen moeten.”

Leysen vindt van groot belang dat bij eventuele vertraging van het Europese integratieproces nieuwe streefdata worden vastgesteld. Daar kunnen landen naartoe werken, het dwingt staten als België en Italië ertoe de aanpassing van hun financiën aan de eisen van de monetaire unie niet op de lange baan te schuiven.

Reden om de gedachten over uitbreiding van de Europese Gemeeenschap maar even te vergeten, is er volgens Leysen niet. Volgens hem moet oplossing van de interne problemen gelijk oplopen met het streven naar uitbreiding. Maar hij veronderstelt dat het een lang proces is. Landen kunnen pas toetreden als ze aan de voorwaarden van de Gemeenschap voldoen en de Gemeenschap zelf moet de mogelijkheid hebben een nieuwe opzet te bereiken die efficiënt bestuur mogelijk maakt ondanks een groot aantal leden. Vandaar dat Leysen - nadat de huidige crisis tot een goed einde is gekomen - Oosteuropese kandidaten, Scandinavische landen, Zwitserland of Oostenrijk niet snel lid ziet worden van de Gemeenschap.

Sommige ondernemers, zoals de Italiaan Carlo de Benedetti, president van Olivetti, hebben de afgelopen maanden uitvoerig de Duitse Bundesbank bekritiseerd, die door het handhaven van een hoge rente de Europese integratie zou hebben tegengewerkt. Leysen: “Ik kan die redenering niet volgen. In afwachting van een eigen centrale bank heeft Europa een anker nodig. Of we dat nu willen of niet, de Bundesbank vervult de rol van centrale bank. Duitsland is de sterkste economische macht. Als we het anker in die Duitse stabiliteit verliezen, zijn we veel kwijt. Ik vrees dat een Franse afwijzing van het Verdrag van Maastricht de rol van de Bundesbank alleen maar versterkt. De Bundesbank moet dan langer die ankerfunctie vervullen, die anders sneller door een Europese centrale bank had kunnen worden overgenomen.”

Davignon, met zijn lange Brusselse ervaring, stelt vast dat het met Europa altijd een kwestie van extremen is. “Of we hebben de wind in de zeilen, of we zitten helemaal in de put.” De situatie nu typeert hij als “overdreven pessimistisch.” Toch voegt hij daar somberder aan toe : “Ik vrees voor een grotere crisis dan de meeste pessimisten nu verwachten. Er komt een lange vertraging van het Europese integratieproces. Ik ben normaal helemaal geen pessimist. Maar dit is de eerste keer dat er bij de Gemeenschap sprake is van een globale crisis. Bij andere crises ging het altijd over duidelijk gedefinieerde zaken. Als de Fransen "nee' zeggen, wat wijzen ze dan precies af? Ze tonen zich dan tegen de verdere ontwikkeling van de politieke, economische en monetaire samenwerking, maar niet tegen een bepaald artikel van het Verdrag van Maastricht.”

Hij meent dat bij een Frans "nee' niet slechts onduidelijk is wat eventueel aan het verdrag van Maastricht moet veranderen, maar ook dat het de vraag is wie de leiding kan nemen bij een poging weer Europese overeenstemming te krijgen. “De Fransen kunnen dat niet, daarvoor zal de verbittering over hun gedrag te groot zijn. De Engelsen zijn te dubbelzinnig met hun uitleg van het Verdrag van Maastricht. Wat op de valutamarkten gebeurt, toont dat de zaak wordt afgeschreven als er geen geloofwaardige oplossing kom.”

Davignon noemt nog de mogelijkheid van een monetaire unie zonder Frankrijk, “maar dat is geen Europese monetaire unie, dat is een regionale monetaire zone, geleid door de Duitsers.” Hij wordt emotioneel :“Ik ben zeer ontevreden met de situatie. Wij wilden als Benelux nooit meer kiezen tussen Frankrijk, Duitsland of Engeland. Die nachtmerrie komt nu toch terug.”

Volgens Davignon moeten de Europese industriëlen na een Frans "nee' weer een campagne beginnen om duidelijk te maken dat hun wereldwijde concurrentiepositie afhangt van de monetaire unie. “We moeten beter laten zien waarom er verschil is tussen stabiliteit die het resultaat is van een politiek rondom de Duitse mark en één die gevolg is van de Europese monetaire unie. Een paar jaar geleden gold nog dat wat goed was voor Duitsland, ook goed was voor de anderen. Dat is nu niet zo duidelijk meer. Dat zien we als wij via een hoge Duitse rente voor de Duitse hereniging betalen.”

De voorzitter van de Europese Ronde Tafel, Monod, zegt :“Wij willen een politiek die ons in de positie brengt dat we mondiaal kunnen concurreren.” Davignon vindt dat de ondernemers daarbij ook kritiek kunnen leveren op politici. “Ondernemingen in Europa hebben geen alternatief. Als er onnodige risico's met de Gemeenschap worden genomen, vinden wij dat wij kunnen reageren. Dat is ons recht, net zoals de politiek dat heeft. Wij hebben het recht ons uit te spreken over wat goed is voor Europa.”