OMZIEN NAAR HOLLAND; Over zelfverheffing en zelfverloochening van een natie

Het verdriet van Nederland. Een Fransman stoeit met de Hollandse ziel door C. Chartier 120 blz., Prometheus 1992, f 24,90 ISBN 90 5333 097 6

Nederland in een veranderende wereld. De toekomst van het buitenlands beleid door Ph. P. Everts, redactie 157 blz., Van Gorcum / Instituut voor Internationale Studiën 1991, f 35,-- ISBN 90 232 2664 X

De daffodil en het kosmopolitisch mankement van Nederland door B. Knapen 39 blz., Langhout & De Vries 1992 (Alexander Hegiuslezing 1992), te bestellen via antw. nr. 1150, 8100 WB Raalte, f 19,95 ISBN 90 73087 09 0

Het Nederlandse onbehagen door H. Pleij 186 blz., Prometheus 1991, f 24,90 ISBN 90 5333 068 2

Het einde van Nederland? Kenteringen in politiek, cultuur en milieu door H. Righart 158 blz., Kosmos 1992, f 24,90 ISBN 90 215 1859 7

Europa: een volgende akte. Een verkenning van de grondslagen en de toekomst van de Gemeenschap en de positie van Nederland daarin door P. G. C. van Schie e.a. 225 blz., Prof. Mr. B. M. Teldersstichting 1992 (Geschrift 76), f 32,50 ISBN 90 73896 04 5

Perron Nederland door A. de Swaan 235 blz., Meulenhoff 1991, f 34,50 ISBN 90 290 2522 0

Nederlandse levensstijl en taal in het verenigende Europa door A. J. Verburgh 164 blz., De Vuurbaak 1991 (Groen van Prinsterer Stichting publikaties no. 66), f 17,50 ISBN 90 6015 914 4

De orde en rust die Nederland uitstraalt, is doorgaans gemengd geweest met vrees. Door de eeuwen heen heeft menigeen zich met angst in het hart afgevraagd: is deze geordende uitzonderingstoestand in een rivierdelta wel van deze wereld? Hoe kan een klein land aan de uiterste rand van Europa zich verweren tegen de omringende elementen van natuurlijke en politieke aard? Zeker vanaf de Belgische opstand in 1830 is Nederland een lichtgewicht natie geweest, die niet al teveel woeling kan verdragen en daarom zware vragen aan de wereld stelt.

Mischien dat elk gevoel van verwantschap, ook wat betreft het eigen land, gepaard gaat met de angst van een mogelijk verlies. Die ondertoon van angst is duidelijk toegenomen. De laatste tijd zijn de Nederlanders minder zeker van hun zaak, dat merk je aan de afkalvende eensgezindheid over de toekomstige ordening van Europa. De twijfel groeit over de status van de Nederland in een Europa dat sinds de oorlog niet meer zo turbulent is geweest. Zoveel kan men wel opmaken uit een reeks recente publikaties.

De een formuleert de onzekerheid zakelijk en spreekt van ""Nederland in een veranderende wereld''; een ander legt al iets meer kritische waardering in zijn woordkeus en wijst op ""het kosmopolitisch mankement van Nederland''; weer een ander zoekt het in de veilige ironie van ""perron Nederland''; en ten slotte is er iemand die zich te buiten gaat aan de vraag: ""Het einde van Nederland?''. Maar wat ook de emotionele lading is, allemaal schrijven ze over hetzelfde: wat is de plek van Nederland in het zich verenigende Europa, wat blijft er nog over van de Hollandse eigen-aardigheden?

Men zou kunnen zeggen: naarmate er minder van Nederland over is, wordt er meer over geschreven. Dat is een weemoed die niemand helemaal kan verklaren.

De historicus Hans Righart observeert in zijn boek Het einde van Nederland?: ""We zijn in Nederland momenteel getuige van een ontluikend cultureel nationalisme, een beschaafd gevoel voor nationale eigenwaarde.'' Mocht dat het geval zijn dan vormt dat in ieder geval een opmerkelijk contrast met de traditie. Want hoe men die verder ook waardeert, dat hier te lande het nationalisme nooit vaste voet aan de grond heeft gekregen, is wel zeker.

Dat verschijnsel wordt ten dele verklaard door de kwetsbaarheid van de Lage Landen of, zo men wil, door de hang naar geborgenheid van een kleine natie die voor haar handel buitengewoon afhankelijk is van haar omgeving. Niet in een projectie van eigen macht buiten de grenzen kan zo'n land in Europa zijn heil vinden, maar juist in zelfbeperking. Gelegen in de spanningsvolle driehoek van Duitsland, Frankrijk en Groot-Brittannië deed Nederland alles om een evenwicht tussen deze grote mogendheden te bevorderen bij wijze van zelfbescherming.

En verder zocht de Nederlandse diplomatie steun in het streven naar internationale rechtsordening en morele codering van de buitenlandse politiek. Overdrijvingen daargelaten zijn dat geëigende vormen van zelfbescherming voor een land met relatief weinig machtsbronnen.

DOMINEE EN KOOPMAN

Blijkens zijn opmerkingen over ""de polderkoorts van het internationalisme'' en zijn daaraan nogal tegengestelde verzuchting ""we zijn geen moralisten, we zijn pragmatici'' in Het Nederlandse onbehagen heeft de neerlandicus Herman Pleij niet veel van deze houding begrepen. De tegenstelling van dominee en koopman is voor een klein land namelijk een onheuse probleemstelling. De beteugeling van machtspolitiek door juridische en morele beginselen is een welbegrepen eigenbelang voor een land als Nederland.

Deze tamelijk constante strategieën, die geboren zijn uit lijfsbehoud, komen bijeen in een moeilijk te doorgronden zelfbeeld. In cultureel en diplomatiek opzicht zien de Nederlanders hun land als een "kruispunt'. Verder van expansionisme en nationalistische hoogmoed kan men zich nauwelijks afkeren: de natie als een "punt'! Toch is dat beeld in de loop der eeuwen gecultiveerd. De correspondent van Le Monde Christian Chartier schrijft terecht in Het verdriet van Nederland: ""[...] Nederland schijnt er voortdurend mee bezig te zijn om zich kleiner te maken dan het is'', maar ook hij slaagt er onvoldoende in de redelijkheid van deze houding te doorgronden.

In culturele en diplomatieke aangelegenheden ziet Nederland zich namelijk naar een woord van Huizinga als een "middelaar', een maagdelijk punt waar alle invloeden elkaar kruisen en onbevangen worden gewogen.

Hier wordt een subtiel en verraderlijk spel gespeeld dat wellicht zo samengevat kan worden: in de zelfbeperking zoekt Nederland zelfbescherming, maar ook zelfverheffing. Als "middelaar' staat Nederland immers niet tussen de naties, maar boven de nationalistische geloofsijver. Thorbecke schreef het al in 1830: ""De Nederlandsche Staatkunde, zelve vrij van heerschzucht, is de billijkste oordelaarster over de heerschzucht van anderen.'' Door zichzelf zo klein mogelijk te maken, vergroot Nederland zijn reikwijdte enorm. Althans in eigen ogen, de buitenwereld kijkt daar vaak wat meewarig naar.

Dat spel is na de oorlog tot een uiterste consequentie doorgevoerd en daarin moet een oorzaak gezocht worden van de huidige malaise, die in zoveel publikaties doorklinkt. Door de keuze voor een Verenigde Staten van Europa is de in beginsel heel verstandige zelfbeperking die Nederland uitdroeg verworden tot een streven naar zelfopheffing. Van zelfbenoemd "kruispunt' tussen en boven de mogendheden werd de laatste stap gezet naar de algehele verdwijning als zelfstandige natie-staat. Nederland wil "deel-staat' zijn in het Verenigde Europa en verkeert in de waan dat de meeste andere landen haar op die weg zullen volgen.

MISVATTING

De opstellenbundel Perron Nederland van Abram de Swaan is in veel opzichten de meest gave verwoording van deze geestesgesteldheid. Zijn opvattingen over Nederland worden geschraagd door een hier veel voorkomende misvatting.

In zijn studie spreekt De Swaan zonder veel omhaal over de verbreiding van een ""een vaderlandsloze cultuur''. Natuurlijk zijn verschijnselen als uniforme massaconsumptie of een mondiale vermaaksindustrie niet te loochenen, maar dat rechtvaardigt nog lang niet de stelling dat "de' cultuur zich uit zijn nationale bedding heeft losgemaakt. Iemand die op Italiaanse schoenen loopt, kan heel wel als enige literaire liefde Gerard Reve koesteren.

Iets dergelijks geldt voor De Swaans verdediging van het universalisme van de Westerse cultuur. Zijn terechte verzet tegen de gedachte dat alle culturen even waardevol zijn, zegt op zichzelf niet zoveel over nationale verschillen in bestuurlijke en juridische cultuur, in literatuur en muziek, religieuze stijl, de aankleding van de verzorgingsstaat, enzovoorts, die alleen al in West-Europa een taai leven leiden. De verwerping van cultuurrelativisme brengt immers niet noodzakelijkerwijs het idee van een vaderlandsloze cultuur met zich mee.

Het dorpseigene, streekeigene of volkseigene, het is allemaal nostalgie volgens De Swaan, die tot de volgende conclusie komt: ""Dat is de functie en de zin van de Nederlandse taal en cultuur, dat je er de wereld mee in en uit kunt stappen. Het nut van een natie is een perron in de wereld te zijn.'' Van de ene zin naar de andere wordt ongemerkt de hele afstand overbrugt die het geval Nederland scheiden van "de natie' in het algemeen. Zo wordt het Nederlandse zelfbeeld, geheel in overeenstemming met de traditie, tot algemeen geldige norm verheven. Het kruispunt is verschrompeld tot een perron, wat blijft is het erg Nederlandse idee dat we onthechte reizigers in een wereldbeschaving zijn geworden. Het ogenschijnlijk weidse blik van De Swaan is gevangen in een lokale traditie.

EIGEN GOOTJE

De prijs die wordt betaald voor deze rol als culturele en diplomatieke makelaar is duidelijk: Nederland neemt veel in zich op, maar geeft weinig van zichzelf terug. De spons die Nederland zegt te willen zijn, wordt uiteindelijk toch alleen boven het eigen gootje leeg geknepen. Dat is wat de historicus en journalist Ben Knapen in zijn Alexander Hegiuslezing ""het kosmopolitisch mankement van Nederland'' noemt (de voordracht is ook afgedrukt in De Groene Amsterdammer van 26 augustus en 2 september jl.): ""[...] 's lands gevoeligheid voor de internationale windstromen is groot, maar de hoop dat al die windstromen zullen samenvloeien tot een globale cultuur met Nederland in de voorhoede is een illusie. Het is hier New York niet.''

Een andere prijs voor deze bemiddelende rol is de illusie van onkwetsbaarheid die zich gaandeweg heeft gevormd. Nederland dacht werkelijk de geschiedenis aan zijn kant te hebben, een avant-garde in Europa te vormen. Het zou misschien een kwestie van lange adem worden, maar dat Europa ten slotte zich zou voegen naar het Nederlandse zelfbeeld, daarover bestond nauwelijks twijfel. Beetje bij beetje ging men werkelijk geloven dat een toenemende economische en culturele vervlechting een spontane supranationale orde ging opleveren.

Het spel van de "zelfopheffing' kon echter alleen gespeeld worden zolang de Europese samenwerking een weinig ambitieuze aangelegenheid was die zich voltrok in een rustig continent onder de paraplu van Amerika en Rusland. Vanuit haar zelf bedachte nulpunt kon Nederland opereren op twee fronten: de bestaande machtsconstellatie bood het land optimale bescherming en tegelijk verhief Nederland zich boven zijn achterlijke, door nationale zorgen geplaagde omgeving, met een kosmopolitisch pleidooi voor een Verenigde Staten van Europa.

OMWENTELINGEN

Die tijd is voorbij en komt nooit meer terug. In de bundel Nederland in een veranderende wereld wordt de balans opgemaakt van de recente omwentelingen in Europa. De Amsterdamse politicoloog J. .H. Leurdijk schrijft onder meer: ""Met het herstel van de Duitse eenheid en het geringere belang van de Sovjet-Unie en de Verenigde Staten voor de Europese veiligheid wordt het krachtenveld van de Europese driehoek Groot-Brittannië, Frankrijk en Duitsland - waarin Nederland voor de Tweede Wereldoorlog een neutrale positie koos - toch voor een belangrijk deel hersteld.'' De bescherming is goeddeels weggevallen en verdrongen machtspolitieke patronen komen weer boven drijven.

Het gedroomde Europa, waarin Nederland zo graag op een geheel eigen manier kopje onder had willen gaan, vertoont scheuren, waardoorheen de samenstellende delen van het oude continent nu pas goed zichtbaar worden. De trauma's van de natie-staten in Europa hebben de Nederlanders nooit werkelijk bezig gehouden, want ach, het volkseigene is toch pure nostalgie. Al zou dat waar zijn, dan nog gaat het om buitengewoon hardnekkige nationale herinneringen en om heel werkzame mythes die de hoofden van de burgers in Europa vullen.

In zijn bijdrage Is er nog toekomst voor het Nederlandse buitenlandse beleid? analyseert Koen Koch de aard van het integratieproces op een verhelderende manier: ""Precies door het wegvallen van de (binnen)grenzen, die toch min of meer als "schokdempers' functioneerden, treden verschillen in politieke en economische macht tussen de verschillende staten directer aan de oppervlakte. In deze zin is het proces van Europese integratie [...] een verhulde voortzetting van het proces van statenconcurrentie.'' De hoop dat de Europese Gemeenschap een rechtsorde zal worden die het machtsverschil weet te neutraliseren blijkt meer en meer ijdel te zijn, rivaliteit tussen de naties van Europa is geenszins verdwenen.

Grenzen fungeren inderdaad als "schokdempers' en hebben dan ook in de collectieve waarneming een beschermende functie. Dat hebben de voorstanders van het grenzeloze Europa zich te weinig gerealiseerd. Open grenzen lijken behalve een symbool van vooruitgang en vertrouwen, ook het zinnnebeeld te worden van toenemende kwetsbaarheid voor criminaliteit, concurrentie en immigratie.

Opvallend is dat plotseling vrijwel niemand in Nederland echt nog gelooft dat de Europese Gemeenschap zich tot een federatie zal ontwikkelen. Wat vijf jaar geleden nog een vrijwel onaantastbare eensgezindheid was, is sinds kort omgeslagen in ontnuchtering. Koch bijvoorbeeld schetst een "model' waarin veel van de nationale soevereiniteit is "weggelekt', zonder dat deze overgedragen is aan een nieuw soeverein lichaam op een hoger niveau. Het laat zich denken dat deze halfslachtigheid vooral de positie van de kleinere naties in Europa onder druk zet.

DRIE REACTIES

Globaal kan men uit de onderhavige publikaties de volgende verwachtingen omtrent de toekomst van Nederland als natie-staat destilleren: die der stadspatriotten, die de opheffing van Nederland al hebben voltrokken en de traditie van de stad-staat met geheel andere middelen willen voortzetten; die der capitulanten, die zich al monkelend en onderhandelend uiteindelijk neerleggen bij de verzwakking van Nederland als natie-staat; en ten slotte, die der eigenheimers, die eigenzinnig als ze zijn, breken met de gedachte van zelfopheffing en de Nederlandse identiteit op de een of andere manier willen verdedigen.

Al deze houdingen laten iets wezenlijks van Nederland zien, maar terwijl de stadspatriotten helemaal niet vinden dat er iets verloren gaat door Europa - er was immers al niets meer van belang - vinden de capitulanten dat eigenlijk wel, alleen ze zien niet wat er nog te redden valt, en zijn de eigenheimers ervan overtuigd dat veel wat hen dierbaar is weg dreigt te vallen in een anoniem, multicultureel Europa.

De stadspatriotten worden aangevoerd door Abram de Swaan. In zijn Perron Nederland geeft hij op het eerste gezicht een nogal tegenstrijdig beeld van de positie van Nederland in Europa: nu eens benadrukt hij ""de machteloosheid van Nederland in de internationale politiek en economie'' dan weer spreekt hij wervend over ""Amsterdam als de culturele belichaming van de Randstad als wereldstad en van Nederland als wereldhandelsmacht''.

Wie verder wil kijken, ontwaart een patroon. De Swaan ziet Nederland allang niet meer als een natie-staat (het is ""als politieke eenheid vrijwel irrelevant''), maar naar analogie met de zeventiende eeuw als een stad-staat die rond Amsterdam en Holland is gecentreerd. Met andere middelen speelt hij zo het spel van de zelfopheffing en zelfverheffing rustig door. Wat is namelijk het geval volgens De Swaan? ""Die Groot-Hollandse metropool behoort [...] tot de vijf, zes belangrijkste van de wereld.''

De Swaan staat met dergelijke gedachten allerminst alleen. Zijn pleidooi sluit heel goed aan bij de filosofie van "Nederland distributieland', die in feite ook een reductie van Nederland tot een uitgebreide Randstad behelst. Waar Colenbrander begin deze eeuw bang voor was - ""Nederland als aanlegsteiger en expeditiekantoor'' - is, aan het einde van de eeuw gekomen, voor menigeen een wenkend perspectief.

Hoe men ook verder wil oordelen over De Swaans stadspatriottisme, in elk geval is hij consequent: alles wat niet aan zijn kosmopolitische wereldbeeld beantwoordt, valt buiten de Groot-Hollandse stad-staat en doet eenvoudigweg niet mee. Hij wil uit betrekkelijk grootsteedse materie een megalopool boetseren, maar loopt daarbij naar eigen zeggen vast in een alom heersend provincialisme. Nederlanders beseffen volgens hem niet de schaal waarop het stedelijke leven zich hier afspeelt. Ze zijn al lang wereldburgers, maar gedragen zich als dorpelingen, in weerwil van De Swaans pedagogische vermaning. Die weerbarstigheid zou hem te denken kunnen geven.

VERLOREN

Hans Righart behoort tot de school der capitulanten, hij gelooft niet meer in een toekomst van Nederland als een zelfstandige natie-staat. ""De slag om de Nederlandse identiteit werd zo'n dertig jaar geleden al verloren zonder dat één politicus of minister het in de gaten had. Er is misschien één troost: we zijn, meer dan welk land ook, klaar voor Europa.'' Dat is waarschijnlijk te voorbarig. Want zoals gezegd is het voortdurende spel met zelfopheffing nooit beproefd in het stabiele Europa van de Koude Oorlog. Dus het valt nog te bezien hoe de ""strijd om de nationale identiteit'' zal uitpakken nu de druk op Nederland is toegenomen.

Ben Knapen kan ook tot deze school gerekend worden, maar vertegenwoordigt een voorzichtiger variant. In zijn lezing vraagt hij zich wel af of een kosmopolitische, globale cultuur wortel kan schieten, omdat de etnische en nationale loyaliteiten toch heel sterk zullen blijven. Maar in Nederland? ""Het ontbreken van een nationaal te definiëren, subjectieve sense of purpose heeft tot gevolg dat Nederland als collectief niet zoveel wil. [...] Bij principieel gebrek aan nationaal elan is de enige overlevingsstrategie die van de zelfgenoegzaamheid, de mentale afzijdigheid.''

Even lijkt het dat Knapen dat betreurt en zal gaan pleiten voor zoiets als een "reveil van de natie', maar nee, hij concludeert: ""[...] als subjectieve natie zijn we niet zo geschikt. [...] mij lukt het niet om daar somber over te worden.'' Hoe zich dat verhoudt tot zijn pleidooi voor "de formulering van collectieve prioriteiten' in een recente beschouwing is niet helemaal duidelijk.

Langzaam voegt Nederland zich naar een Europees gemiddelde, dat is in sommige opzichten jammer, toch zijn de voordelen niet uit te vlakken. Sterker nog, naar zijn opvatting vormt ""de nationale ontvlechting de motor van de huidige modernisering'' in Nederland. Juist door op te gaan in Europa worden de anomalieën van het Nederlandse sociale en politieke bestel opgeruimd en dat is goed zo. De ontnuchtering van Nederland door Europa zou men kunnen zeggen.

Ten slotte de eigenheimers, die langzamerhand enige erkenning oogsten in politiek Nederland, maar nog nauwelijks in intellectueel Nederland. Of het zouden de observaties van Pleij moeten zijn over de ""blinde vlek op het nationale netvlies, die een nadere beschouwing van het culturele verleden zo pijnlijk in de weg staat''.

De schuchtere versie van deze school wordt gevormd door enkele liberale ideologen, zoals blijkt uit een recent rapport van de Teldersstichting, Europa: een volgende akte. Daarin wordt een veel terughoudender beeld geschetst van de Europese Gemeenschap, dan tot voor kort gebruikelijk was. Een van de gebieden waar "Brussel' vanaf hoort te blijven, is de cultuur.

We lezen onder meer het volgende: ""Een beleid dat zich actief richt op het behoud van de Nederlandse cultuur stelt grenzen aan de Europese integratie. [...] Deze concentratie op het uitdragen van de Nederlandse cultuur is echter niet erg zinvol als de cultuur op eigen bodem wordt ondermijnd.'' Wat volgt zijn dan en- kele onbestemde opmerkingen over het belang van kennis van de Nederlandse taal, literatuur en geschiedenis.

VERLEGENHEID

Wat men vooral in dergelijke passages proeft, is de verlegenheid met het onderwerp. Nadruk op culturele identiteit en hedendaags liberalisme gaan maar moeilijk samen. Dat is niet verwonderlijk, want hoe zou men uitgerekend vanuit een liberaal gezichtspunt het eigene van Nederland willen omschrijven?

Wie daar traditiegetrouw veel minder moeite mee hebben zijn de gereformeerden. Een studie van de oudparlementarier A. J. Verbrugh (GPV), Nederlandse levensstijl en taal in het verenigde Europa, probeert zowel de Nederlandse identiteit in positieve zin te omschrijven, en tegelijk de bedreiging te duiden waaraan deze bloot staat in Europa. Daarmee is het een tamelijk uitzonderlijk geschrift.

De Nederlandse identiteit wordt door hem onder twee gezichtspunten nader beschouwd: de aanwezigheid van een ""calvinistische component'' en een sterke traditie van ""burgerlijke tolerantie''. Het is deze erfenis, door Verbrugh omschreven als Nederlandse levensstijl, die in een eenwordend Europa onder druk komt te staan. Wat het calvinisme betreft, moet niet enkel gedacht worden aan de hechte kern van het geloof, maar ook de doorwerking daarvan in "uiterlijkheden' als ""soberheid, plichtsgetrouwheid, het nadruk leggen op de persoonlijke gewetensbeslissing'', die ook in een geseculariseerde samenleving blijven voortbestaan.

Het ontbreken van een sterk nationalisme is hem geen doorn in het oog: ""Wij betreuren dit niet, omdat geen duivel met Beëlzebub behoort te worden bestreden.''

Daardoor staat volgens Verbrugh Nederland in Europa wel aan allerlei bedreigingen bloot: ""Voor een land als Nederland bestaat [...] het gevaar dat het vanwege zijn verzwakte profilering en zijn beklemde aardrijkskundige ligging steeds meer wordt meegezogen door het zelfzuchtige materialistische spel van de sterken en hierdoor ten slotte wordt overbluft.'' Wanneer Europa steeds meer politieke eenheid zal krijgen, neemt de beknelling van de kleinere cultuurgebieden toe onder druk van de grotere mogendheden, aldus de gerefomeerde oud-politicus.

Bij nader toezien springt zijn redenering op een weinig beredeneerde manier van deze politieke bedreiging naar het domein van de cultuur. Zo komt zijn pleidooi voor allerlei ondersteunende maatregelen ten behoeve van de Nederlandse levensstijl en taal enigszins in de lucht te hangen.

Men krijgt de stellige indruk dat de culturele omweg die Verbrugh, maar ook de liberalen van de Teldersstichting, bewandelen vooral voortkomt uit het taboe dat ook in deze kringen rust op een meer politiek getint nationaal voorbehoud bij de Europese eenwording. Toch wijzen hun overwegingen in de richting van een meer principiële kritiek op het Europa van de Twaalf, alleen durven ze deze grens niet echt te passeren, daarvoor is de echo van het verleden nog te sterk.

De culturele reserves van de eigenheimers en de tegenstrijdigheden van de capitulanten vragen om een urgent politiek debat. Is een democratie mogelijk los van de historische taal- en cultuurgemeenschappen die Europa kent? Men hoeft geen liefhebber te zijn van glibberige volkerenpsychologie om in te zien dat een levendige democratie in het zeer omvangrijke en complexe multi-culturele bouwwerk van de Europese Gemeenschap hoogst onwaarschijnlijk is. De slotsom dat de parlementaire democratie nog zeer lang gebonden zal blijven aan de nationale gemeenschap is geen teken van introvert beleden nationalisme, maar geeft blijk van een zorgvuldige omgang met de toch al fragiele betrokkenheid van burgers bij hun bestuur.

De kritische doorbreking van de flirt met zelfopheffing kan beslist geen kwaad na al die jaren van ontspannen wachten op het aanstaande Europa. Het publieke debat over de plaats van Nederland op het woelige continent is pas begonnen en laat nu al een snelle ontnuchtering zien. Die omslag wettigt de indruk dat het Nederlandse ideaal van een Verenigd Europa niet zo heel diep ging. De verhullende Troonrede - "in Europa ligt onze toekomst, en daarin zullen we ons als Nederlanders sterk en geloofwaardig tonen met onze eigen identiteit' - is weinig meer dan een versleten deken voor een aarzelende natie.