Japan is belangrijkste donor van Indonesië

JAKARTA, 19 SEPT. Ambassadeur Michihiko Kunihiro bood Indonesië vorige week zijn afscheidscadeau aan: een zachte lening van 1,2 miljard dollar voor het fiscale jaar 1992-'93. Dat is alvast tweederde van de hulp die Japan deze zomer in Parijs heeft toegezegd in het kader van de Overleggroep voor Indonesië (CGI), de opvolger van de inmiddels ontbonden IGGI. Daarmee voert Japan nog steeds de ranglijst aan van Indonesiës donoren.

Aan het einde van de maand verwisselt Kunihiro zijn standplaats Jakarta voor Beijing, een fraaie promotie, die niet zonder symbolische betekenis is. De ambassadeur maakte van de gelegenheid gebruik om het gastland nog wat goede raad en een voorzichtige waarschuwing te geven. Het investeringsklimaat in Indonesië is niet slecht, zei hij, maar er valt nog heel wat te verbeteren als het land wil bijblijven in de wedloop om de investeerdersgunst. Zo repte hij van “protectionistische regelgeving” en “monopolistische praktijken”, die “de Indonesische regering geleidelijk aan zal moeten afschaffen”.

“Japanse ondernemers”, aldus Kunihiro, “staan nog steeds bovenaan op de lijst van buitenlandse investeerders in Indonesië, maar zij trekken naar die plaatsen waar het rendement het hoogst is; onze regering kan hen niet voorschrijven waar zij moeten investeren”. En zowel China als het inmiddels "opengelegde' Vietnam lokken. Dat laatste zei hij er niet bij, maar de goede luisteraar kon het zelf bedenken.

Voorlopig is er nog geen sprake van een Japanse exodus. Het straatbeeld van Jakarta wordt gedomineerd door lichtreclames van bedrijven als Sony, Mitsubishi en Sumitomo. Menige Jakartaan heeft het niet over een fotozaak, maar over een "Toko Fuji'. En de doorgaande wegen van de Indonesische hoofdstad zijn drie keer per dag verstopt met Japanse auto's. Particuliere taalinstituten adverteren met hun cursussen Japans, want kennis van die taal vergemakkelijkt de toegang tot het bedrijfsleven.

Vijftig jaar nadat de keizerlijke troepen Zuid-Oost Azië veroverden, heeft Japan een glorieuze come-back gemaakt in de regio, zij het deze keer met zulke vreedzame middelen als leningen, investeringen en industrieprodukten. Cynische waarnemers beweren dat Japan nu pas de doelen heeft bereikt waarmee het destijds in Azië ten oorlog trok: een stabiele aanvoer van grondstoffen, goedkope arbeidskrachten en marktcontrole.

Steeds meer Japanse bedrijven verplaatsen hun activiteiten naar Zuid-Oost Azië om door verlaging van hun produktiekosten concurrerend te blijven op de Amerikaanse en Europese markt. De economische ontwikkeling van Thailand, Maleisië en Indonesië drijft goeddeels op hulp en investeringen uit en handel met Japan.

Tokio's favoriete partner in de regio is Indonesië. Japan is Indonesiës grootste donor, eerste buitenlandse investeerder en belangrijkste handelspartner in Azië. Bijna de helft van de Indonesische uitvoer - 12,7 miljard dollar in 1990 - gaat naar Japan, dat een groot deel van zijn olie betrekt uit Indonesië.

De grondslagen voor de huidige nauwe economische betrekkingen tussen Indonesië en Japan werden gelegd in 1958 toen beide landen een verdrag tekenden over herstelbetalingen en diplomatieke betrekkingen aanknoopten. De projecten die uit de herstelbetalingen zijn gefinancierd, werden uitgevoerd door Japanse aannemers als Mitsubishi Construction, dat in Jakarta grote gebouwen neerzette als Wisma Nusantara en Hotel Indonesia.

In die jaren kreeg het grote Japanse bedrijfsleven voet aan de grond op de Indonesische markt.

Na 1965 werd het herstelbetalingsprogramma vervangen door Japanse bilaterale hulp. Het komende begrotingsjaar beloopt de Japanse bijdrage aan het hulppakket van de CGI 1,82 miljard dollar. Dat is maar liefst twee derde van de totale bilaterale hulp van de aangesloten donorlanden, maar de groei is eruit. In het fiscale jaar 1991-'92 verstrekte Japan in voormalig IGGI-verband 1,32 miljard dollar in de vorm van leningen, schenkingen en technische hulp en nog eens 500 miljoen buiten de IGGI om, in de vorm van leningen van de In- en Exportbank. Daarvan werd 1 miljard uitgetrokken voor snel besteedbare betalingsbalanssteun. De zachte leningen van 700 miljoen worden uitgekeerd door het Overseas Economic Cooperation Fund (OECF) in de vorm van projectsteun. Via de Japanese International Cooperation Agency (JICA) kreeg Indonesië nog eens 120 miljoen in de vorm van schenkingen en technische hulp.

Het zwaartepunt van de projecthulp ligt op versterking van de infrastructuur. Dit jaar verstrekte Japan leningen op zachte voorwaarden voor 19 infrastructurele projecten, waaronder verbetering van het vliegveld van Balikpapan (Oost-Kalimantan), uitbreiding van de haven van Semarang (Midden-Java), de aanleg van een grote stuwdam annex waterkrachtcentrale in Kotapanjang (West-Sumatra), onderhoud van het wegennet en verbetering van het zeetransport in Oost-Indonesië. De kredieten zijn formeel niet-gebonden, maar het leeuwedeel van de contracten gaat naar Japans-Indonesische joint-ventures. De rente over de concessionele leningen bedraagt momenteel 2,6 procent per jaar. Na tien jaar begint de afbetaling, uitgesmeerd over een periode van dertig jaar.

Indonesië neemt na de Verenigde Staten en Hongkong de derde plaats in op de lijst van landen waar Japanse ondernemingen hun kapitaal investeren. In 1987 bedroegen de rechtstreekse Japanse investeringen in Indonesië 454 miljoen dollar, in 1990 al 1.105 miljoen. In 1991 stak Japan 769 milioen dollar in een 66-tal projecten. Hoewel de Japanse belangstelling voor investeren in Indonesië als gevolg van binnenlandse economische perikelen en toenemende belangstelling voor andere lokaties in Azië dit jaar wat afnam, staat Japan in termen van cumulatieve investeringen, van 1967 tot heden, met 11,04 miljard dollar nog steeds bovenaan. Daarna volgen Hongkong met 4,17 miljard en Taiwan met 3,36 miljard. Het totale bedrag aan buitenlandse investeringen beliep eind 1991 47,25 miljard dollar.

Het door etnische Chinezen bestierde bedrijfsleven in Indonesië vormt een belangrijke schakel bij de Japanse investeringen. Zo beschikken Chinese "conglomeraten' als de Salim Groep en Astra over profijtelijke licenties voor de produktie van Japanse auto's en zijn ze een reeks joint-venture overeenkomsten aangegaan met Japanse firma's.

Japanners houden zich over het algemeen aan de wettelijke minumlonen die gelden voor de industrie. Toch klinken er veel klachten, met name onder het Indonesische middenkader; een recente opiniepeiling wees uit dat men liever werkt voor Amerikaanse en Europese bedrijven. Men klaagde over de geringe talenkennis van de Japanse managers, over relatief lage salarissen, korte vakanties en karige sociale regelingen. “Wij hebben een hoop geleerd over Japan, maar wat hebben zij over ons opgestoken”, vroeg een respondent. “Misschien zijn wij voor hen slechts een van die tropische landen met bananen en papaya's.”

Toch is een groot deel van de Indonesische elite pro-Japans. Dat geldt niet alleen voor de zakenlieden die rijk zijn geworden van hun transacties met de Japanners, maar ook voor de legertop en de intellectuele elite. De grondslagen voor het Indonesische leger werden gelegd tijdens de Japanse bezetting in de vorm van de PETA (Troepen ter Bescherming van het Vaderland), een vrijwilligerscorps samengesteld uit Indonesische jongeren. Een van hen was Soeharto, die na de Japanse inval deserteerde uit het Nederlandse koloniale leger en vrijwillig dienst nam bij de PETA. De persoonlijke connecties uit de bezettingstijd vormden in de jaren vijftig de aanzet tot de eerste zakelijke transacties.

Onder de intelligentsia leeft nogal wat sympathie voor Japan en ook dat is historisch verklaarbaar. Bekende schrijvers als Pramoedya Ananta Toer en Mochtar Lubis en de krantenuitgever B. M. Diah leerden het journalistieke vak in dienst van Japanse persorganen. Onder de Japanse bezetting mochten schrijvers zich bedienen van de Bahasa Indonesia. Zij menen dat Japan Indonesië hielp een eigen nationale identiteit te ontwikkelen en dat het land beslissend heeft bijgedragen aan de Indonesische onafhankelijkheid.

Toch zijn bepaald niet alle Indonesiërs pro-Japans. In regerings- en zakenkringen klinkt bezorgdheid over de toenemende afhankelijkheid van de geldschieters in Tokio. Eenvoudige burgers moeten weinig hebben van de afstandelijke Japanners en beschouwen hen als vreemde indringers. Ouderen bewaren bittere herinneringen aan de drieënhalf jaar Japanse bezetting; menigeen noemt die gruwelijker dan driehonderd jaar Hollands koloniaal bestuur.

Jonge Indonesiërs kijken over het algemeen vol bewondering naar Tokio. Omdat negatieve berichten over Japan ontbreken in de Indonesische pers, zien jongeren dat land uitsluitend als een model van welvaart en efficiëntie. Minister Habibie van Onderzoek en technologie stimuleert jonge landgenoten om technische wetenschappen te studeren in Japan. Tokio stelt jaarlijks een kleine tweehonderd beurzen beschikbaar. De ervaringen van Aziatische - ook Indonesische - studenten in Japan zijn niet onverdeeld gunstig; menigeen spreekt van discriminatie. Een Japanse correspondent in Jakarta: “Zij komen tot de conclusie dat Japan vooral op het Westen is georiënteerd en weinig belangstelling heeft voor de culturen van Azië.”