Het Maastrichts

In India vroeg ik aan een politicoloog wat hij van de Europese Eenwording vond. Hij barstte in lachen uit: ""Ze begrijpen hun eigen geschiedenis niet'', zei hij, ""omdat ze te weinig naar de rest van de wereld kijken''.

Iets dergelijks had Jan Romein ook al gezegd: Europa is een afwijking op de wereldgeschiedenis, en niet andersom. Daarom is het goed om er af en toe van buitenaf naar te kijken. Zo heeft Benedict Anderson, een antropoloog die zijn leven lang onderzoek deed naar natievorming in het Verre Oosten, gemerkt dat de manier waarop de Europese naties zijn ontstaan uniek is; de nadruk heeft hier niet zozeer gelegen op godsdienst, huidskleur of een politieke ideologie, maar op taal. Ook de beroemde Afrika-kenner Basil Davidson komt tot zo'n conclusie: de stabiliteit van de Westeuropese naties is volgens hem te danken aan het feit dat bestuurders en burgers elkaar verstaan, wat men van veel Afrikaanse landen niet kan zeggen.

Europa-deskundigen daarentegen hebben de neiging langer stil te staan bij de rol van Locke, Rousseau, Kant, Herder en Fichte, of van Luther en Napoleon, dan bij het belang van de eerste grammatica en het eerste woordenboek van een volkstaal, of de eerste bijbels en romans die leesbaar waren voor gewone burgers.

Dat bestuur en volk dezelfde taal spreken en hetzelfde gedachtengoed delen wekt kennelijk weinig verwondering. Toch is deze situatie in de rest van de wereld vrij zeldzaam, zoals in India en Ghana, of dichter bij huis: Suriname, waar politici en ambtenaren zich in het Nederlands uitdrukken, terwijl men op de markt alleen Sranang Tongo of Sarnami hoort. Zo was het ook in Europa in de Middeleeuwen, toen de elite Latijn sprak en boeren en ambachtslieden er met open mond naar luisterden zonder er ook maar iets van te snappen. Tot ver in de zeventiende eeuw spraken de Duitse bestuurders bijvoorbeeld geen Duits, maar Frans. In vrij letterlijke zin waren bestuur en volk vreemden voor elkaar.

Maar hierin kwam verandering toen Antonio de Nebrija van de Universiteit van Salamanca het eerste boek schreef in een volkstaal, het Castiliaans. Dat gebeurde vijfhonderd jaar geleden, en het is triest en typerend tegelijk dat dit heuglijke feit in Europa niet wordt herdacht. Alsof men weigert in te zien dat met de overgang van de gesproken taal naar een geschreven taal iets veel belangrijkers gebeurde: namelijk de overgang van een taal van handelingen naar een taal van ideeën, en dus de overgang van zomaar een armoedige groep mensen die op het land ploeterde en aan de heren belasting betaalde, naar een gemeenschap met cultuur. Ik zou zelfs willen beweren dat er toen pas sprake was van een beschaving: toen men in de volkstaal ook boeken ging schrijven.

Niet alleen boeken, maar vooral ook kranten, zegt Benedict Anderson. De natie is volgens hem een "imaginaire gemeenschap' die bijeen wordt gehouden door nationale kranten waarin wordt verteld wat er binnen de eigen gemeenschap gebeurt. Het zijn de verslaggevers - en dan vooral de sportverslaggevers, maar daar hebben we het een andere keer over - die het onderscheid maken tussen de belangrijke "binnenlandse' gebeurtenissen en het minder belangrijke buitenlandse nieuws. Het lezen van de krant is een ritueel dat aan de lezer het gevoel geeft dat hij samen met zoveel onzichtbare (en dus "imaginaire') anderen dezelfde feiten en gegevens op hetzelfde moment deelt.

Het volk heeft dus nu boeken en kranten in de eigen taal, en daarmee een ideeënwereld en een cultuur. Maar hoe komt het volk aan een "eigen' bestuur? Hoe wordt een natie een natie-staat? Dat is wat Europa betreft nogal ingewikkeld. Stan Verschuuren geeft in zijn boek "Nationalisme in Europa en de Sovjet-Unie' een goed overzicht, en hij gaat uitgebreid in op de rol van filosofen en politici. Maar je zou misschien ook simpelweg kunnen zeggen dat de overgang van de gesproken taal naar geschreven taal noodzakelijkerwijs de opkomst betekende van een nieuwe groep: de mensen die de boeken en kranten schreven, ofwel de intellectuelen. De intellectuelen gaven aan de volkstaal een zeker cachet, en voor de bestuurders was het nu sjiek genoeg om zich in die taal uit te drukken. Zo kreeg het volk greep op het bestuur, omdat het zijn bestuurders verstond. En het is dan nog maar een kleine stap naar de parlementaire democratie.

Ik weet niet of het inderdaad zo is gegaan, maar waar het niet zo ging, is de parlementaire democratie niet ontstaan. In Afrika bijvoorbeeld zijn de bestuurders in het gunstigste geval opgeleid in Europese talen en in het Europese gedachtengoed, dat niet goed aansluit bij de leefwereld van de gewone Afrikanen. Wat natievorming betreft zit Afrika nog in de Middeleeuwen. Woorden als individuele verantwoordelijkheid, zelfonderzoek, vrijheid en democratie moeten in de oren van eenvoudige Afrikanen klinken als Latijn.

Basil Davidson heeft dit prachtig beschreven in zijn laatste boek "The Black Man's Burden: Africa and the Curse of the Nation-State'. Hij formuleert het eindeloos beleefder, maar het gaat om de verbinding tussen volkstaal en bestuurstaal als noodzakelijke voorwaarde voor het ontstaan van een natie-staat. Het is geen voldoende voorwaarde, omdat er ook zoiets als een produktieve middenklasse moet zijn en een zekere economische zelfstandigheid. Maar dat zijn complicerende factoren. Feit blijft dat in de Europese natievorming vooral de volgorde zo bijzonder is: eerst was er een volkstaal waarin ook boeken werden geschreven, toen werden de bestuurders gedwongen om zich in die volkstaal uit te drukken.

Als de eenheid van volkstaal en bestuurstaal de essentie van de natie als culturele gemeenschap is, begrijpt men waarom "Europa' als "culturele gemeenschap' de eerst komende vijfhonderd jaar onwaarschijnlijk lijkt. Het Verdrag van Maastricht is ongeveer net zo voorbarig als de surfplank met vleugels van Leonardo da Vinci, terwijl we een paar honderd jaar later pas in Boeings kunnen rondvliegen.

En uit het standpunt van de rest van de wereld is Maastricht een gigantische denkfout, overal worstelt men nog met het probleem van natievorming en burgerschap, alle grote landen doen krampachtige pogingen om hun volk bij elkaar te houden: in China doen ze het met ideologie, in India met tegemoetkomingen aan de eisen van Sikh- en Tamilterroristen, en in de Verenigde Staten ontdekt men met de komst van honderdduizenden Spaanstalige migranten dat voor het Amerikaanse burgerschap het spreken van Engels wellicht belangrijker is dan de bereidheid slecht betaald werk te verrichten. Zelfs in Nederland begrijpt men langzaam (heel erg langzaam, helaas) dat allochtonen eeuwig allochtonen zullen blijven als ze geen Nederlands leren spreken en schrijven. Zodra er geen eenheid is tussen volkstaal en bestuurstaal gaat het mis, daar twijfelt men haast nooit aan.

Behalve dan bij het Verdrag van Maastricht. In het proces van de Europese eenwording is een nieuwe bestuurstaal ontstaan die door geen gewone Fransman, Nederlander, Brit, Deen of Duitser wordt verstaan. Hoeveel journalisten hebben de verdragstekst niet proberen te lezen en te vertalen, zonder succes. De bestuurstaal voor het Nieuwe Europa is het Maastrichts, zoals het Latijn in de Middeleeuwen. Het is een autoritaire taal en een arrogante taal, zoals het Frans dat door de Duitse bestuurders in de zeventiende eeuw werd gesproken. Het is van meet af aan een ondemocratische taal, en het is, bovenal, een omkering van de geschiedenis: in Europa had men eerst een volkstaal, waarin gedacht en geschreven werd, en daarna de bestuurstaal die zich aan de volkstaal conformeerde, waardoor de wensen van het volk konden worden begrepen.

Zelfs als zuivere bestuurstaal is het Maastrichts onhandig, omdat de bestuurders het onderling niet eens zijn over wat ze hebben afgesproken. Terwijl elke bestuurder er het zijne van denkt verwacht men van de gewone burgers dat die braafjes instemmen. Zij moeten blanco cheques tekenen, omdat ze, net als hun lotgenoten in de Middeleeuwen, blijkbaar te stom zijn om de taal van de bestuurders te verstaan. Een taal die nota bene erger is dan de vroegere bestuurstalen: in het Latijn kon men nog een gedichtje schrijven. Maar in het Maastrichts? Laat de Fransman maar Frans, de Deen Deens en de Nederlander Nederlands spreken. De bestuurders moeten zich aan de volkstaal aanpassen, die volgorde is een belangrijke Europese verworvenheid. Het omgekeerde wordt al jaren in Afrika geprobeerd. En de gevolgen zijn bekend.