Het eenzaam universum van Dirk Bogarde; "De dood moet een genade zijn'

"Ik was een goudvis in een kom: ogen, ogen, ogen die naar me staarden.' Dirk Bogarde (72) speelde monumentale rollen in filmklassiekers als "Death in Venice'. Later zwoer hij de cinema af en begon hij aan het schrijven van een reeks bestsellers. Tegenwoordig geeft hij bovendien leiding aan de Britse "Voluntary Euthanasia Society'. Ontmoeting met een Chinese doos vol verborgen vakken: "Mensen raken beschadigd. Maar ik niet. Niet meer. Nooit meer.'

Eind oktober verschijnt bij uitgeverij BZZTôH de Nederlandse vertaling van Jericho.

Zwijgen is zijn grootste kwaliteit. Geen acteur zwijgt imponerender, tragischer, veelbetekenender. Zijn gesloten mond spreekt het meest: altijd, zelfs wanneer hij lacht, is er dat melancholieke trekken van de lippen. Woorden doen alleen maar af aan zijn spel. Een ontmoeting met Dirk Bogarde zou zich eigenlijk in complete stilte moeten voltrekken.

Zo'n silent movie-achtig treffen zou ook zjn voorkeur hebben, realiseer ik me als Bogarde op eloquente wijze een afkeer van interviews belijdt. Hij walgt van ""de onverholen agressie, de kleverige handen, de nerveus stuiterende adamsappels, de banale vragen die elke neiging tot het geven van een antwoord doden''. Onlangs hing The Observer weer aan de lijn. ""Ik word altijd door het slijk gehaald'', reageerde hij kortaf. ""Ik werk er niet meer aan mee. Vergeef me.''

Maar vandaag toont Bogarde - Sir sinds koningin Elizabeth hem begin dit jaar onderscheidde met een ridderorde - zich every inch de legende die hij is: het prototype van de kunstzinnige aristocraat. Verlangend naar zijn rituele pint ochtendbier (""Elf uur precies'') staat hij me geduldig te woord. Bogarde weet zich ongrijpbaar. Peter van Bueren omschreef zijn glimlach begin jaren zeventig als ""een mengeling van vriendelijkheid, sadisme en deernis - wie het beter weet te omschrijven moet het niet laten''. De Sunday Times tastte evenzeer in het duister: was hij een ""trillerige Bambi in menselijke vorm'' of juist een sterke, flegmatieke gentleman?

Ik observeer zijn gezicht. Een ondeugende oogopslag. Zwartgeverfd haar. ""Als je hem vanuit de verkeerde hoek ziet'', las ik ergens, ""lijkt hij verontrustend veel op Ronald Reagan.'' Net als de ex-president van de VS ziet Bogarde er goed geconserveerd uit. Hijzelf denkt daar anders over: hij is ijdel genoeg om ""het afgeleefde lichaam'' niet meer te laten fotograferen. IJdel genoeg óók, zegt hij, om geen excuses aan te bieden voor het feit dat hij succesvolle boeken schrijft. ""Ik verzet me tegen de filistijnse, zelfvoldane houding waarmee kunstkringen op mijn auteurschap neerkijken. Ze denken dat ik utterly stupid ben. Alleen het publiek beschouwt me als een echte schrijver. De intellectuelen nemen mij en mijn romans niet serieus. Ze zien me als een soort popster uit een voorwereldlijk tijdperk, een fossiel dat per ongeluk schrijvend voortbestaat. Bah, zo'n oude cinema-grootheid die hun incestueuze territoriumpje betreedt!

""Ik heb de afgelopen twintig jaar zegge en schrijve één film gemaakt, maar in Engeland zullen ze me nooit toestaan dat te vergeten. Voortdurend word ik teruggestuurd naar mijn verleden, als een hond naar zijn braaksel. Begrijpt u dat iemand die inmiddels tien bestsellers heeft geschreven zoiets als irritant ervaart? Hóógst irritant?'' Mompelend: '"Maar goed, ik zit vast in dit land. Helemaal. Tot mijn laatste ademtocht.''

""I am back full circle'', schreef hij enige tijd geleden in The Independent. Bogarde woont opnieuw in Chelsea, waar hij een halve eeuw terug aan de kunstacademie studeerde. Hij leidt er ""een rustig, bijna fuddy-duddy vrijgezellenleven''. Eind jaren tachtig, toen ""de hemelen plotseling naar beneden kwamen'', zag hij zich gedwongen zijn kluizenaarsbestaan temidden van Zuidfranse olijfbomen en schapen op te geven. Zijn vriend en manager Tony Forwood (die hij eens omschreef als ""een puriteinse figuur die het idee van homoseksualiteit haatte, en met wie ik een totaal platonische relatie onderhield'') bleek zowel kanker als Parkinson te hebben. Aangezien Forwood omringd door familieleden in Engeland wilde sterven, verkocht Bogarde de vijftiende-eeuwse boerderij nabij Grasse. ""Alles achterlatend wat ons dierbaar was, staken we het Kanaal weer over'', zegt hij. ""Terug naar een wereld die ik dacht definitief te hebben verlaten. Mijn enige troost is dat ik Frankrijk nog éénmaal zal aandoen: tijdens mijn begrafenis. Ik wil rusten op de plek waar ik werkelijk gelukkig was.''

De grote ommekeer in Bogardes bestaan ging gepaard met ""te veel stress voor een man op leeftijd. Als je twintig jaar hoog in de bergen hebt gewoond, ver verwijderd van de beschaafde wereld, en je hebt niet één dag schoenen en een stropdas gedragen, is de hoofdstad van Engeland nogal een schok. Op je 66-ste je levenspatroon wijzigen is bovendien niet zo makkelijk als het overstappen op een andere trein. Het kwam mij op een flinke attaque te staan. Aan de rechterkant van m'n lichaam had ik last van verlammingsverschijnselen. Ik kan nu weer lopen, maar om de week moet ik naar een fysiotherapeut.

""Die ervaring heeft me ontzettend doen schrikken. Dat je zomaar, doink, van de trap af kunt rollen... Ik was jarenlang gewend op heel wat eervollere manieren trappen af te dalen, begrijpt u.''

Derek Jules Gaspard Ulric Niven Van den Bogaerde, zoon van een Schots-Spaanse actrice en een Vlaamse kunstredacteur van The Times met Nederlands bloed, begint zijn filmcarrière in de jaren vijftig als een eendimensionaal matinee-idool, een charmeur die zijn Elvis-uitstraling zorgvuldig cultiveert. Door het spelen van dokters in ziekenhuisfilms (""fluffy comedies'') maakt hij zich populair bij vrouwelijke teenagers en commerciële producenten. Het is de tijd waarin hij, de erkende jeune premier, voor het begin van galavoorstellingen de rits van zijn broek laat dichtnaaien om te voorkomen dat fans te handtastelijk worden. Bogarde noemt het "de bon bon-periode': ""Snoeperige, zoete, simpele rollen. Als je die eenmaal hebt gedaan, krijg je vanzelf trek in een stevige hoofdschotel.''

De artistieke doorbraak komt in '61 met Victim, een als controversieel ervaren Britse film waarin hij een homoseksuele advocaat speelt. De Engelse boulevardbladen hebben er een speculatie-object bij. Gay, hetero of bi, luidt de hamvraag. Hoe zit dat tussen hem en Judy Garland? Wat klopt er van de geruchten over de liefde voor zijn zakelijk agent? Ondanks de heksenjacht en de breuk met het grote publiek, zou Bogarde later verklaren, is de keuze voor dit type rollen de verstandigste beslissing in zijn loopbaan. De metamorfose is daar: van comedian tot cultfiguur.

Hij mag ""het overgrote deel'' van de 65 films waarin hij acteert dan als ""rommel'' kwalificeren, er zijn klassiekers bij als Accident (Losey), The Nightporter (Cavani), Le Serpent (Verneuil) en Providence (Resnais). Meestal hebben de karakters die hij neerzet gekwelde, angstige, duistere trekken. ""Mensen met uienhuiden'', zegt hij. ""Persoonlijkheden die interessant zijn door hun gelaagdheid: je moet ze afpellen om een heel klein stukje waarheid te vinden.''

Bogardes stijl is cerebraal. Hij gaat er prat op minutenlange scènes te kunnen vullen zonder een woord te spreken, een gebaar te maken. Death in Venice vormt zijn hoogtepunt: als hij op de tonen van Gustav Mahler en tegen een Venetiaans decor de teloorgang van componist Von Aschenbach gestalte geeft, bekruipt critici "het gevoel een vriend te zien sterven'. Regisseur Visconti is volgens Bogarde het grootste genie dat de cinema heeft voortgebracht. ""De grote filmers geven je niet voortdurend aanwijzigen, je hoort ze slechts als je iets niet moet doen. Luchino omschreef het script als een spoorweg: de acteurs moesten ongeveer die kant op, maar het was aan hen langs de route ontdekkingen te doen. Uit de samenwerking met hem kwam je niet alleen als een beter acteur, maar ook als een beter mens te voorschijn.''

Kassa-spekkers blijken de films waarin hij speelt niet. Bogarde krijgt de naam box office poison te zijn. Niettemin vraagt Fassbinder hem in '73 voor de hoofdrol in Despair. ""Ik had het rampzalige resultaat nog niet gezien'', zegt hij, ""of ik dacht: wat voor zin heeft het maanden in Lübeck en godverlaten Oostduitse oorden te werken aan een film die vervolgens door de regisseur op de montagetafel aan flarden wordt gesneden? Misschien was het niet de schuld van die arme jongen, hoor. Hij had produktieproblemen. Maar voor mij was het de laatste druppel. Ik gold als een uitstekend acteur omdat mijn timing deugde. Welnu, in het leven komt het net zozeer op timing aan. Je moet adieu zeggen voordat men jóu adieu zegt. Omdat ik mijn carrière niet wilde beëindigen met Despair, kwam ik jaren later nog één keer uit mijn schuilplaats om in zee te gaan met Bertrand Tavernier, een man die ik zo bewonderde dat ik op zijn verzoek de gebruiksaanwijzing van een Japanse ijskast uit mijn hoofd zou hebben geleerd. Daddy Nostalgie is en blijft mijn laatste film. Wie er ook mag aankloppen - ik verdom het om grootvaders en druïden te spelen.''

Kort nadat Dirk Bogarde zich in de Provence had teruggetrokken, ontpopte hij zich als a man of letters. Zijn autobiografie in delen (momenteel staat het afsluitende werk A short walk from Harrods op stapel) werd door recensenten ontvangen als het tegendeel van een uitlaatklep voor jaloezie, roddelzucht en erotische opschepperij: ""De schrijver demythologiseert het proces van film-maken en verhaalt indringend over het verwerven van integriteit in een industrie die winstbejag en vulgariteit als norm heeft''. ""Het zijn geen Peter Ustinov- en David Niven-boeken'', lacht Bogarde. ""Ik haat die anekdotische troep. Schrijven moet ergens over gaan, inhoudelijk maar ook qua vorm. Ik beleef het als een verfijnd soort metselen met woorden, zeg maar Lego op een hoger plan.''

Zijn eerste roman, A gentle occupation (gesitueerd op het Java van '45-'46 waar inlichtingenofficier Bogarde na een militaire zwerftocht langs de D-day-stranden van Normandië, de Arnhemse Rijnbrug en een aantal Duitse concentratiekampen deelnam aan de bezetting van Indonesië, wachtend op de terugkeer van Nederlandse troepen), leek in literair opzicht weinig geslaagd.

""In het begin was ik schuldig aan oversubtiliteit'', legt hij uit. ""Veel lezers vonden het moeilijk de ernst achter mijn grillige grappen te zien.'' Maar na een handvol boeken heeft hij een heldere, subtiele toon gevonden. Jericho, een binnenkort in Nederlandse vertaling verschijnende kruising van een roman en een thriller, excelleert vooral in filmische dialogen. Bogarde schildert de crisis van een schrijver-in-echtscheiding die in Frankrijk op zoek gaat naar zijn verdwenen broer - om te ontdekken dat de jongen als getormenteerde biseksueel ten onder is gegaan in een labyrint van sado-masochisme en chantage.

""Ik begon aan Jericho toen ik nog met Tony in Grasse woonde. Daar kreeg ik het boek niet af. Geen tijd, hij was te ziek. Kanker wacht nergens op, zeker niet op schrijvers. In de paniek van ons vertrek verbrandde ik al mijn papieren, inclusief, dacht ik, m'n manuscript. Symbolisch genoeg kwam het na Tony's begrafenis weer bovendrijven. "Ik móet deze roman schijnbaar afronden', concludeerde ik. Aan de andere kant maakte ik me zorgen over de reacties die Jericho zou uitlokken. Omdat ik er letterlijk alles ingooide: een kind met een Down-syndroom, corruptie, een romance, seksuele frustraties, een mogelijke HIV-besmetting... het werd één grote literaire minestrone. Ik was bang dat mijn trouwe lezers zich zouden ergeren aan de brutale manier waarop ik schreef over "het moderne leven'. Maar nee, integendeel.''

In zijn autobiografie vermeldt Bogarde dat hij als knaap seksueel werd misbruikt na door een student te zijn meegetroond en vastgebonden. Viel het hem tegen die achtergrond niet moeilijk passages over perversiteiten te schrijven? Hij werpt me een meewarige blik toe. ""Die geschiedenis vind ik nu voornamelijk grappig. Wie is er zo stom zich in te laten palmen door een eenzame adolescent die in de bioscoop met een ijsje komt aansjokken? En ach, ik had het verdiend. Ik was aan het spijbelen, ik ging voor de zoveelste keer naar de film - dùs werd ik gestraft. Klaar, streep eronder. Zestig jaar geleden waren we heel simpel, hoor. Iedereen werd overal te grazen genomen. Leraren gebruikten stokken en zwepen. Vandaag de dag reageert dit land helemaal gaga op alles wat naar kindermisbruik zweemt. Je hoeft maar naar een peuter te kjken of je bent een verkrachter.

""Nee, veel vervelender dan de herinnering aan dat jeugdincident vond ik de research op sado-masochistisch terrein. Ik was ten prooi aan dezelfde verbijstering die de hoofdpersoon in mijn boek overviel. Doen mensen dat ècht? In dé houdingen? Met dé ijzerwaren? Goh, eh... doet dat niet zeer?''

Bogarde moet hebben beseft dat het publiceren van Jericho de Britse tabloids reden zou geven de speculaties over zijn privéleven te hervatten. Zelfs kwaliteitskranten doen daaraan mee, gissingen formulerend betreffende "de seksuele geaardheid van de auteur'. ""Een van de figuren in Jericho'', schreef een recensent, ""zou weleens voor de schrijver kunnen spreken als zij zegt: "Klaarblijkelijk worden we allemaal half-half geboren'.''

""I don't give a shit'', bast hij. ""Zolang mijn geweten niet door een schuldgevoel wordt belast, zolang ik me waardig, eerlijk en integer voel, blijf ik doen wat ik naar mijn diepste overtuiging moet doen. Ze kletsen en verzinnen maar. De meeste beweringen die over mij worden gedaan zijn zeer vreemd en onnauwkeurig. Ze denken dat ze Dirk Bogarde kennen, maar in feite geloven ze in een fantoom dat ze zelf hebben geschapen.''

Een levend raadsel is hij genoemd. Een Chinese doos. ""Mij kraak je niet'', herhaalt hij zijn lijfspreuk. ""Ik ben een heremietkreeft, een wezen dat zijn gevoelige kern heeft gepantserd, dat zich bij voorkeur verbergt - het tegendeel van een sociaal dier. Ik ga nooit uit. Ik prefereer mijn eigen gezelschap. Als beroemdheid was ik jarenlang 24 uur per dag publiek bezit. Er werd continu naar je gekeken, je was een goudvis in een kom: ogen, ogen, ogen die naar je staarden. De reden dat ik nog steeds zwem, is dat ik me zo uiteindelijk wist te verstoppen. Dus láát me.''

Hij verontschuldigt zich: het milieu waarin hij opgroeide was ""strikt, correct, elegant, maar afstandelijk. Je diende nimmer de aandacht op jezelf te vestigen. In een gesprek met Audrey Hepburn stelde ik eens vast dat wij niets anders hebben gedaan dan dat voorschrift met voeten treden: voortdurend stonden de spots op ons gericht. Onze enige troost is dat die slechts de buitenkant konden belichten.''

Maar de belangrijkste verklaring voor Bogardes ongenaakbare houding is zijn sensitiviteit. Eén voorval in zijn schooltijd, geeft hij toe, was bepalend voor zijn levensattitude. Als ""losbollige'' puber werd hij door zijn ouders uit het lieflijke Sussex naar familie in Glasgow gestuurd. Hij omschrijft die periode als ""de antracietjaren, hard en zwart, de hel''. In de ogen van arbeiderszonen op de technische school die hij bezocht (""Ik kan nog steeds fucking good konijnenhokken timmeren'') was hij ""Saksisch onkruid, een vreemdeling, deftig, anders, onbegrijpelijk''. Bogarde werd geestelijk en fysiek vernederd. Op een dag duwden klasgenoten hem met zijn hoofd in een toiletpot, de WC doortrekkend tot hij bijna stikte. ""Toen mijn kruin de bodem raakte'', heet het in zijn autobiografie, ""legde ik de eerste steen van mijn beschermingswal. Daaraan zou ik tot diep in mijn volwassenheid blijven werken.''

""It's a bloody world we live in'', citeert hij zichzelf droogjes. ""Mensen raken beschadigd. Maar ik niet. Niet meer. Nooit meer.''

Pas als de dood ter sprake komt - een onderwerp dat hem lijkt te obsederen - wijkt Bogardes geharnaste houding. Hij spreekt bewogen over gestorven vrienden (""Bijna al mijn oude kameraden zijn niet meer. Het is een eenzaam universum, wat trouwens niet noodzakelijkerwijs oncomfortabel is''), over het auto-ongeluk dat hij ooit veroorzaakte (""Sinds ik mensen heb gedood rijd ik niet meer''), over de levenseindes die hij speelde (""Death in Venice was behalve een goede rol ook een perfect testament van mijzelf''), en over de Tweede Wereldoorlog.

""Ik ben van mijn achttiende tot mijn 26-ste soldaat geweest'', zegt hij. ""Ik heb talloze lijken in de Rijn zien drijven. Ik heb de hoofden van Franse kinderen als een stelletje voetballen bij een muur zien liggen. Ik heb de horror van het net bevrijde, door tyfus geteisterde Belsen aanschouwd. Ik heb collega-soldaten moeten afschieten omdat ze te zwaar gewond waren. Ik heb gehuild zoals mannen niet worden geacht te huilen - en toch heb ik geen enkele periode méér genoten. Je mag het niet zeggen, maar ik weet zeker dat veel ex-militairen hetzelfde voelen. Ja, de sensatie dat je leeft is nooit sterker dan op het moment dat je leven maximaal wordt bedreigd.

""Het magnifieke was dat het leger je tegelijkertijd volledig verzorgde. Als je in de problemen kwam met vrouwen en baby's die je niet wilde, dan regelde men die bullshit. Het leek me een prima idee voor de rest van mijn leven in het leger te blijven. Maar de generaal voor wie ik werkte, zei: "Een soldaat zonder oorlog voelt zich net zo verloren als een dronkaard in een lege pub'.''

De dood is voor Bogarde ""een begrip dat altijd het beeld van Tony's sterfbed oproept. Het was vooral de ziekte van Parkinson die hem tekende. Parkinson is destruction beyond belief. Hij was totaal verlamd, hij kon niet spreken, hij kon nauwelijks slikken, hij kon niets. Ik moest hem op den duur zijn Bloody Mary te drinken geven door een watje in een glas te dopen en dat boven zijn mond uit te knijpen. Dan denk je: de dood moet een genade zijn. Iemand die je vijftig jaar hebt gekend zien "oplossen' - ik kan niet verwoorden hoeveel pijn dat doet.''

Dirk Bogarde is vice-president van de Britse Voluntary Euthanasia Society. ""Simpelweg omdat zo ontzettend veel mensen me in de loop van mijn leven hebben gevraagd hoe ze zichzelf moesten doden, en of ik daarbij kon helpen'', zegt hij. ""Het mooiste van leven is werkelijk levend zijn. Maar als ik niet meer in mijn levensonderhoud zou kunnen voorzien, als ik mijn ogen niet meer kon gebruiken, als de macht tot schrijven uit m'n handen zou wegvloeien... then I want the quick way out. Wie niet? Maar die stap mag je hier in geen enkel geval zetten. Euthanasie is in Groot-Brittannië een volstrekt taboe. Je móet lijden. "Als je dit een hond zou aandoen', luidden Tony's laatste woorden, "zouden ze je arresteren.'

""Geen volk gedraagt zich zo slecht tegenover de dood als de Engelsen. Het leidt tot absurde toestanden. Mensen helpen elkaar desnoods met een jachtgeweer uit hun lijden. Ik maakte eens mee dat een vrouw in een groentewinkel voordrong omdat ze de lamp op het nachtkastje van haar zieke echtgenoot had laten branden. "Ik moet zo snel mogelijk naar huis', zei ze. "De morfine helpt niet meer; hij is bereid zijn tanden in die lamp te zetten om zichzelf te elektrokuteren.'

""Voor het recht op euthanasie moeten we hier enorm vechten. Vooral met hysterische katholieken die Nederland zien als een monsterachtige staat waar iedereen vóór zijn tijd wordt gedood. Onze vereniging heeft zich onder meer beziggehouden met twee slachtoffers van de ramp in het Hillsborough-voetbalstadion. In het gedrang raakten ze bewusteloos, en doordat hun hersens geruime tijd geen zuurstof kregen aangevoerd, zijn die jongens veranderd in groenten. Ze liggen daar maar. Artsen schatten dat ze zo nog 35 jaar verder kunnen vegeteren. Niet alleen hun eigen leven, ook dat van hun ouders is geruïneerd. Die mensen smeken de artsen er een eind aan te maken. Nou, geen sprake van. Dokters die zulke handelingen verrichten, worden in dit land door christelijke zusters verraden en gevangen gezet. Mijn God!''

Bogarde vertelt net als veel andere Society-leden een ""helaas nog niet legaal'' levenstestament te hebben opgesteld waarin staat wat er moet gebeuren als hij ""incompetent, seniel of hartstikke gek'' wordt. ""Ze mogen me uit een raam gooien, of mijn keel doorsnijden... zolang ik maar niet kunstmatig in leven word gehouden'', zei hij in een televisie-interview. ""Maak je niet ongerust'', voegt de schrijver daar nu aan toe. ""Met een beetje geluk kan ik op tijd zelfmoord plegen. Ik heb de pillen al in huis.'' Cynisch: ""Ik heb een heel zorgzame dokter. Een van de weinige.''

Zijn woede doet me denken aan een zin uit Jericho: "Hate is a positive reaction'. ""Oh, dat zijn niet zomaar wat woorden, dat is mijn persoonlijke overtuiging. De Amerikanen haatten de Japanners, wilden ze tegenhouden, en gooiden een atoombom op Hiroshima. Is dat niet positief? Als je getrouwd bent en je vrouw in de auto aantreft terwijl ze orale seks heeft met een andere man, loop je niet weg maar vermoord je ze waarschijnlijk. Is dat niet positief? Haat geeft je de energie om iets te ondernemen. Haat is ferm, recht-toe-recht-aan. Onverschilligheid is veel erger dan haat. Onverschilligheid is stilstand; zij leidt tot niets.''

Hij komt overeind. Daar staat Von Aschenbach uit Death in Venice weer, wankelend, in zichzelf gekeerd. Ik vraag hem of hij nog weleens naar de bioscoop gaat. ""Nee, de laatste film die ik heb gezien was E.T., over dat buitenaardse mormeltje. De cinema is stervende, en de moordenaar heet televisie. Overal staat de hele dag "het ding' aan. Wie voelt nog de behoefte om in de smerige kippenhokken die ze tegenwoordig bioscopen noemen naar een doek te kijken terwijl het publiek schreeuwt, boert en scheten laat? En wat is er nog te zén in die kippenhokken?''

Als mensen het eind van hun leven zien naderen, opper ik voorzichtig, denken ze vaak dat een heel tijdperk wordt afgesloten. ""Zo dom ben ik niet'', fulmineert Bogarde. ""Ik weet zeker dat de cinema ten onder gaat, èn dat zij van harte bijdraagt aan haar vernietiging. In mijn tijd was het al moeilijk geld voor Visconti's projecten bij elkaar te schrapen; anno 1992 krijgt een regisseur helemáál geen cent meer voor zoiets. De idioten stoppen liever honderd miljoen in geweldadige films die alleen jongeren boeien. Het zal wel naïef klinken, maar volgens mij is het niet het Basic Instinct van het gemiddelde publiek te kijken naar lesbische vrouwen die mannen lange messen in de rug priemen.''

    • Frénk van der Linden