Elasticiteit van de monarchie

Heeft de monarchie nog toekomst? H.A. van Wijnen (NRC Handelsblad van 5 september) ziet enerzijds in een geïntegreerd Europa nog wel een toekomstperspectief voor de monarchie, zeker voor een generatie of twee. Anderzijds meent hij dat de monarchie op kortere termijn wel eens bedreigd kan worden door gevaren van binnenuit.

Tot die gevaren rekent hij de persoonlijkheid van de kroonprins. Van Wijnen veronderstelt dat Willem-Alexander “niet helemaal uit de geschikte klei gekneed” zou zijn. Een tweede gevaar ziet hij in de taakopvatting van de huidige koningin. Zij zou het koningschap vooral zien als een constitutioneel tegenwicht in de regering. Qua professionaliteit zou ze evenknie willen zijn van de ministers. Haar inzet en professionaliteit zou van dien aard zijn dat geen enkele opvolger de vergelijking met haar kan doorstaan.

Wat betreft de professionele aanpak van de koningin heeft Van Wijnen waarschijnlijk gelijk. Het opvallendste aan het koningschap van Beatrix is haar vakmanschap. Ze heeft het koningschap als het ware geprofessionaliseerd. Zoiets kan alleen iemand die over kwaliteiten beschikt. Tamelijk in het begin van haar regeringsperiode, toen de koningin de VS bezocht, gaf ze hier publiekelijk al blijk van. In Nederland laaide in die tijd de discussie over het al dan niet plaatsen van de kruisraketten hoog op. In Amerika wist zij tijdens haar persconferentie dit onderwerp te behandelen met de behendigheid van een vakdiplomaat.

In een monarchie waar de functie van staatshoofd een erfelijk ambt is, kan niet worden verwacht dat elk staatshoofd over deze kwaliteiten beschikt. Dat is om twee redenen ook niet erg. In de eerste plaats is er het principe van de ministeriële verantwoordelijkheid. Dit beginsel voorkomt dat een staatshoofd zonder de juiste politieke feeling in woord of geschrift fouten maakt. Beschikt het staatshoofd wel over politieke capaciteiten dan blijkt er binnen het raam van deze zelfde ministeriële verantwoordelijkheid enige ruimte aanwezig om van deze capaciteiten gebruik te maken.

Een tweede reden waarom het geen ramp is als het staatshoofd niet over deze kwaliteiten zou beschikken, vloeit voort uit het feit dat de monarchie vaak eerder om andere eigenschappen wordt gewaardeerd zoals het tot uitdrukking brengen van de continuteit van de democratische instituties en het belichamen van de nationale identiteit. We komen hier duidelijk op het terrein van de imponderabilia. Het zijn echter elementen, die in een geïntegreerd Europa onder normale omstandigheden wel eens van meer betekenis zouden kunnen zijn dan de specifieke politieke kwaliteiten van een individueel staatshoofd. Hoewel enig gevoel voor politiek bij een staatshoofd natuurlijk mooi meegenomen is.

In een interview ter gelegenheid van zijn afscheid als Kamerlid stelde Gualtherie van Weezel enige maanden terug dat het ten tijde van koningin Juliana en prins Bernhard allemaal wat gezelliger was. Dit illustreert nog eens dat er in de monarchie dus kennelijk ruimte voor een persoonlijke invulling van het ambt is. Alleen door een zekere elasticiteit heeft dit instituut kunnen overleven.

Het voorbehoud jegens Willem-Alexander lijkt me daarom wat voorbarig. We weten immers nog betrekkelijk weinig van hem. Bovendien veronderstelde de PvdA-fractieleider uit de jaren zestig G.M. Nederhorst ook al te gemakkelijk dat de toenmalige kroonprinses Beatrix niet voor haar taak geschikt zou zijn. Het tegendeel is inmiddels gebleken.

Voorts behoeft Willem-Alexander niet per definitie dezelfde professionele invulling aan het ambt te geven als zijn moeder.

Ten slotte is het niet uitgesloten dat als gevolg van de Europese integratie de symboolfunctie van het koningschap voor de nationale identiteit in betekenis zal toenemen.

In het slot van zijn artikel heeft Van Wijnen het over "een zelfopgelegde taak' van de koningin. Hierover zegt hij: “Dat is niet wat het grote publiek zich van de rol van het koningschap voorstelt, dat is zeker niet wat de politiek van het koningschap verwacht...”.

Als ik Van Wijnen goed begrijp, maakt hij zich niet zozeer zorgen over de klei waaruit de kroonprins gekneed zou zijn of over de onnavolgbaarheid van de huidige koningin voor haar opvolger, maar wil hij haar adviseren haar taak wat lichter op te vatten.