Eenwording bood Europa ontsnapping uit krochten van haat

Opeens was het er. Als een soort natuurverschijnsel. Maar het Verdrag van Maastricht, waarover de twaalf lidstaten van de Europese Gemeenschap het eind vorig jaar eens werden, komt niet uit de lucht vallen. Het is het voorlopige resultaat van bijna een halve eeuw bouwen aan de kathedraal van de Europese eenwording, een verrassend succesvolle inspanning voor vrede en voorspoed. De monetaire chaos van de laatste dagen laat zien hoeveel er op het spel staat. Laatste deel van een serie over het Verdrag van Maastricht.

1. De wortels van de Unie

Maastricht wordt nooit meer zo maar Maastricht. Het wordt de plaats waar de Europese Twaalf zich tot de langverwachte unie hebben verbonden of de plaats waar de Europese integratie voorlopig haar Waterloo heeft gevonden.

Maastricht is niet de enige Nederlandse stad die Europese geschiedenis heeft gemaakt. Den Haag wordt meestal aangewezen als plaats waar de naoorlogse Europese eenwording het licht zag. Daar werd in 1948 het "Congres van Europa' gehouden en men zou kunnen zeggen dat de "Europese Unie' uit het Verdrag van Maastricht daar haar wortels heeft.

Ze waren er allemaal, tijdens die eerste milde meidagen van 1948. Winston Churchill, natuurlijk, die op 19 september 1946 in Zürich gloedvol had gepleit voor de oprichting van “een soort Verenigde Staten van Europa” gebaseerd op “een deelgenootschap tussen Frankrijk en Duitsland”.

Groot-Brittannië zou daar in zijn visie overigens zelf buiten blijven staan maar als onafhankelijke grote mogendheid met een wereldrijk, samen met de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie, “het nieuwe Europa” vriendschappelijk tegemoet treden. Hoe diep zou het land later moeten buigen voor datzelfde nieuwe Europa.

De Ridderzaal herbergde verder Konrad Adenauer, Robert Schuman en Alcide de Gasperi. De Duitser uit het Rijnland, die voor zijn verslagen land maar één redding zag: het staatsbestel zou moeten rusten op christelijke ethiek en Duitsland zou economisch, politiek en militair aan West-Europa moeten worden gekoppeld; de Fransman uit Lotharingen, wiens moedertaal Duits was, die in de Eerste Wereldoorlog zelfs in het Duitse leger had gevochten, net als Adenauer zeer rooms-katholiek was en doordrongen van de gevaren die een gesoleerd Duitsland kon opleveren; en de man uit Noord-Italië, die nog in het Habsburgse rijk was geboren, Duits sprak, eveneens rooms-katholiek was en tevens een felle anti-nationalist.

Dan waren er de echte gelovigen, de Europese federalisten, onder wie de Nederlanders Hendrik Brugmans en Hans Nord. Zij spraken in 1946 al over de wenselijkheid van een Europese Unie van Oost- en West-Europa, op federale basis. Later veranderde dit doel onder invloed van de Koude Oorlog in: een Europese Unie “zonder het Oosten maar niet tegen het Oosten”. En er was een jonge Franse politicus: François Mitterrand.

Op de Dam in Amsterdam presenteerden de leiders van het Congres van Europa zich aan een enthousiaste menigte. De Europese eenheid leefde in die jaren na de Tweede Wereldoorlog. De gedachte dat Europese eenwording een ontsnappingsroute bood uit bloedige krochten van nationalisme en volkerenhaat waarin het continent nu bijna twee keer zijn ondergang had gevonden, brak baan.

Ook na de Eerste Wereldoorlog waren dergelijke ideeën verkondigd, onder anderen door de Franse minister van buitenlandse zaken Aristide Briand, die al in 1929 met een plan voor een Europese Unie, voor een "federale band' tussen de Europese volkeren was gekomen en door de half-Oostenrijkse, half-Japanse graaf Coudenhove-Kalergi, die een Paneuropese Beweging had opgericht. Maar deze initiatieven waren niet aangeslagen en werden als cynisch of als utopisch van de hand gewezen.

Voorjaar 1948 leek een brede beweging de Europese eenheidsgedachte te dragen. Het Haagse Congres van ruim 750 invloedrijke vertegenwoordigers uit bijna alle Westeuropese landen sprak zich uit voor: Een verenigd Europa met vrij verkeer van ideeën, mensen en goederen; Een handvest voor de rechten van de mens; Een hooggerechtshof dat de bevoegdheid heeft dit handvest te laten eerbiedigen; en De bijeenroeping van een Europese Assemblée.

Bovendien werd als resultaat van het Congres de Europese Beweging gevormd, waarin alle particuliere organisaties voor de Europese eenheid opgingen.

De regeringen van Groot-Brittannië, Frankrijk, België, Nederland en Luxemburg lieten hun ministers van buitenlandse zaken daarop een Studiecommissie voor de Europese Unie vormen. Maar het beraad leverde geen unie op, wel een compromis tussen de louter op samenwerking tussen regeringen gerichte Britse positie en de op werkelijke integratie gerichte politiek van de andere landen.

Op 5 mei 1949 kwam zo de Raad van Europa tot stand, bestaande uit een (intergouvernementele) Raad van ministers en een parlementaire Assemblée.

De in Straatsburg zetelende Raad kon niet anders dan zich ontpoppen als een vrijblijvende praatclub. Wel verdiende deze instelling later haar sporen op het gebied van de rechten van de mens, na de aanneming van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten en vrijheden van de mens en de oprichting van een Hof ter afdwinging van de bepalingen.

Een Europese grondwetgevende vergadering, zoals de Italiaanse federalist Altiero Spinelli met vele medestanders had gewild, werd de Raad van Europa niet. De Europese eenwording zou op een minder euforisch spoor verder gaan, pragmatisch maar wel doelbewust. Hiervoor zou iemand die niet naar Den Haag was gereisd de bakens uitzetten. Sterker nog, iemand die niets in dit soort bijeenkomsten zag omdat ze slechts "goede wil' uitdrukten, en die na kennisneming van de aanbevelingen concludeerde, dat deze weg naar een impasse leidde. Het was de Fransman Jean Monnet.

2. Belangen en verzoening

“Er zal geen vrede zijn in Europa als de staten zich opnieuw vormen op basis van nationale soevereiniteit, met alle prestigepolitiek en economisch protectionisme die daaruit voortkomen. Als de landen van Europa zich opnieuw van elkaar afschermen zal de vorming van grote legers opnieuw noodzakelijk zijn.” De Europese landen “hebben grotere markten nodig” om hun burgers welvaart te brengen. “Het lot van Frankrijk hangt af van de oplossing van het Europese vraagstuk”.

Het zijn zinsneden uit het advies dat Jean Monnet tijdens de oorlog schreef voor het Franse Comité van nationale bevrijding. Deze ideeën bleven sindsdien de leidraad van zijn handelen, als directeur van het Franse planbureau voor de wederopbouw en later als architect van het plan-Schuman, waaruit in 1952 de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal ontstond.

Monnet, die tijdens de oorlog coördinator van de geallieerde bevoorrading in Londen was geweest, zag aan het eind van de jaren veertig met zorg hoe de Franse politiek om Duitsland te verhinderen weer een factor van belang te worden, en dus een bedreiging voor Frankrijk, tot mislukken was gedoemd. Zijn benadering betekende een revolutionaire ommekeer in de Franse opstelling: in plaats van Duitsland eronder te houden stelde Monnet voor de gezamenlijke kolen- en staalproduktie van Frankrijk en de op 21 september l949 gevormde Bondsrepubliek onder een internationale autoriteit te plaatsen in een organisatie die open zou staan voor de andere Europese landen. Minister van buitenlandse zaken Schuman werd voor het idee gewonnen en maakte het voorstel tijdens een persconferentie op 9 mei 1950 bij verrassing bekend. Het zou het concrete begin moeten zijn van “een Europese federatie die onmisbaar is voor het bewaren van de vrede”.

Het plan kreeg een gunstig onthaal in Bonn, in Rome en in de hoofdsteden van de Beneluxlanden. Kanselier Adenauer had een paar maanden eerder in een vraaggesprek zelf al gefilosofeerd over een volledige unie van Frankrijk en West-Duitsland. Hier werd de Frans-Duitse as gesmeed die de Europese eenwording sindsdien heeft gedragen.

De Britse regering wees deelneming af wegens de bijzondere organisatievorm: een uit onafhankelijke personen bestaande Hoge Autoriteit zou de bevoegdheid hebben bindende beslissingen te nemen, en dat ging het intergouvernementeel ingestelde Londen veel te ver. De Britten zagen meer in uitbouw van de Organisatie voor Europese Economische Samenwerking, die uit het Marshall-plan voortkwam en die de voorloper was van de huidige OESO. Maar hierin waren de meningsverschillen tussen de landen te groot om tot verdere economische samenbundeling te komen.

Al in april 1951 bereikten "de Zes' een akkoord over het verdrag voor de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal. Maar niet dan nadat onder druk van een enigszins wantrouwend Nederland toch nog een intergouvernementeel element aan de organisatie was toegevoegd: een Raad van ministers, die de regeringen invloed op de besluitvorming gaf. Ook werd de EGKS uitgerust met een Gemeenschappelijke Vergadering bestaande uit leden van de nationale parlementen. In de keuze van de eerste voorzitter van de Hoge Autoriteit kon iedereen zich vinden - het werd Jean Monnet.

Door het instellen van een “economische gemeenschap” zullen volgens de preambule van het verdrag “de eerste grondstenen moeten worden gelegd voor een grotere en hechtere gemeenschap tussen volkeren die lange tijd door bloedige strijd verdeeld zijn geweest”. Zo was de basis voor de Europese eenwording gelegd. Gedeelde belangen waren een krachtiger stimulans voor Europese eenwording gebleken dan bevlogenheid. En de trein snelde zonder te stoppen door.

Weer ging het om Duitsland. Met schrik en beven zagen de andere Europese landen in het begin van de jaren vijftig het moment naderbij komen dat de vroegere vijand zich zou herbewapenen. Dat kon niet lang meer uitblijven met de steeds sterker gevoelde communistische dreiging, verhevigd nog door de invasie die Noord-Korea eind juni 1950 in Zuid-Korea was begonnen. De Amerikanen drongen aan op een grotere Europese defensie-inspanning en op een Duitse inbreng daarin.

Eén oplossing leek slechts acceptabel voor de andere Europeanen: integratie van het Westduitse militaire potentieel in een Europese strijdmacht, een idee waar Washington overigens achter stond. Weer leek een politieke uitdaging tot Europese eenheid te leiden.

De Franse premier René Pleven kwam met het plan voor een Europese Defensiegemeenschap. Hetzelfde scenario als bij de totstandkoming van de EGKS ontrolde zich. De Britten gaven niet thuis omdat het verlies aan soevereiniteit dat een Europees leger betekende voor hen onverteerbaar was. Maar de Zes zetten er vaart achter en begin 1952 werd het verdrag getekend.

Het eindpunt was nog niet bereikt. De Zes wilden meer, een politieke onderbouwing van deze Defensiegemeenschap. De Gemeenschappelijke vergadering van de EGKS kreeg de opdracht een statuut voor een Europese Politieke Gemeenschap op te stellen. Deze aan de Defensiegemeenschap en de EGKS te koppelen organisatie zou zich moeten belasten met de formulering van een gemeenschappelijke buitenlandse politiek, met een defensiebeleid en, op aandringen van Nederland, met de vorming van een gemeenschappelijke markt.

De Europese grote sprong voorwaarts liep evenwel op een mislukking uit. De spanning tussen Oost en West nam af en nationalistische sentimenten deden zich weer gelden. Vooral in Frankrijk, dat in Indo-China in een bloedige koloniale oorlog was verwikkeld. In de Franse Assemblée groeide het verzet tegen het opgaan van het nationale leger in een Europese strijdmacht. Vooral bij gaullisten die een coalitie hadden gesloten met de tegen Duitse herbewapening gekante communisten.

Op 30 augustus 1954 verdaagde de Franse Assemblée het debat over de ratificatie van de Europese Defensiegemeenschap, waarmee aan dit project van Europese politieke integratie voorgoed een einde kwam. De Westduitse herbewapening ging overigens gewoon door. Om hier nog een vorm van Europese controle op toe te passen werd in mei 1955 de Westeuropese Unie opgericht, een los samenwerkingsverband voor veiligheid en defensie van de zes EGKS-landen plus Groot-Brittannië. Deze WEU was een voortzetting in aangepaste vorm van het Verdrag van Brussel van 1948 - de Bondsrepubliek voegde zich bij Frankrijk, Groot-Brittannië en de Benelux - en zou later in het Verdrag van Maastricht opduiken als “integrerend onderdeel van de ontwikkeling van de Europese Unie”. Verder trad West-Duitsland toe tot de NAVO, het in 1949 gevormde Atlantische bondgenootschap.

Politieke samenwerking in Europa kwam pas weer aan de orde toen de Franse president Charles De Gaulle in het begin van de jaren zestig voorstelde een “Europese Unie van de volkeren” op te richten. Deze Politieke Unie moest in zijn ogen een intergouvernementeel karakter hebben. “De enige werkelijkheid zijn de staten”, had hij in 1960 betoogd, en alleen zij hebben het “recht te verordenen en te bevelen”.

De visie van de generaal hield een breuk in met het supranationale karakter dat de Europese eenwording tot dan toe had gekenmerkt en dat door andere beroemde Franse bouwers aan Europa - Monnet en Schuman - zo vurig was bepleit. De Gaulle zag zijn Unie onder leiding staan van een raad van staatshoofden en regeringsleiders. Unanieme politieke besluitvorming door regeringen zou het tempo en de richting van de integratie bepalen.

De commissie-Fouchet, die door de Europese topconferentie van Bonn was belast met de uitwerking van het idee, wist geen akkoord te bereiken.

Het felste verzet kwam van het inmiddels tot supranationale Europese samenwerking bekeerde Nederland, dat daarin door België werd bijgevallen. Minister van buitenlandse zaken Joseph Luns ontpopte zich als ware tegenspeler van de generaal en wees diens politieke unie om twee redenen van de hand: de opzet van de bestaande Europese Gemeenschappen - naast de EGKS waren in 1958 de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie in werking getreden - zou erdoor op de helling worden gezet en een eventuele Britse toetreding tot het Europese eenwordingsproces zou door het gaullistische anti-Amerikaanse stempel van de unie onmogelijk worden.

De Gaulles Europese Unie, die de president zag als kern van een “machtige Europese confederatie” en die zich tot een soort "derde macht' op het wereldtoneel had moeten ontwikkelen, werd zo de pas afgesneden.

Het streven naar een gezamenlijke Europese buitenlandse politiek verdween daarop een tijdje van de agenda's. Na het aftreden van De Gaulle werd de draad weer opgepakt. In oktober 1970 besloot de Europese topconferentie van Luxemburg een proces in werking te stellen dat Europese Politieke Samenwerking werd genoemd. De landen van de Europese Gemeenschap verplichtten zich hun buitenlandse beleid op elkaar af te stemmen en indien mogelijk gezamenlijke standpunten in te nemen. Deze, zeker in vergelijking met eerdere plannen, bescheiden vorm van samenwerking was intergouvernementeel en functioneerde lange tijd buiten het kader van de Europese verdragen totdat de EPS in de Europese Akte, die midden 1987 in werking trad, een plaats kreeg.

De EPS functioneerde met wisselend succes. Werden de landen van de Europese Gemeenschap bijvoorbeeld tijdens de oliecrisis van 1973 volledig uit elkaar gespeeld door de Arabische landen, tijdens de vele zittingen van de Conferentie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa slaagden de EG-landen er wel in zich eensgezind op te stellen. Maar in het algemeen bleven nationale belangen en reflexen het tonen van één Europees gezicht aan de buitenwereld in de weg staan.

Het streven naar een Europese unie die alle onderdelen van het eenwordingsproces zou beslaan en waarmee de Europese Gemeenschap een duidelijke identiteit op het terrein van buitenlandse politiek en defensie zou krijgen, flikkerde nog een paar keer op zonder resultaten op te leveren.

Zo gaf de Europese top van december 1974 in Parijs de Belgische minister van buitenlandse zaken Leo Tindemans opdracht uit te zoeken hoe in de Europese Gemeenschap over zo'n Europese unie werd gedacht en op basis daarvan voorstellen te doen. Zijn rapport, dat onder andere de wenselijkheid van een gemeenschappelijke buitenlandse politiek en een dito defensiebeleid onderstreepte (“Zolang de Europese Unie geen gemeenschappelijk defensiebeleid zal hebben, zal ze onvolkomen blijven”) had geen directe gevolgen.

Hetzelfde gold voor het pleidooi voor een Europese Unie en betere coördinatie van het buitenlandse beleid waar de Westduitse en Italiaanse ministers van buitenlandse zaken, Hans-Dietrich Genscher en Emilio Colombo, begin 1981 mee kwamen. Dit leverde weliswaar op de top van Stuttgart (1983) een Plechtige Verklaring inzake de Europese Unie op, maar daar bleef het dan ook bij.

Dat het Maastrichtse "Verdrag betreffende de Europese Unie' er toch ligt is in zekere zin aan diezelfde De Gaulle te danken die door zijn verzet tegen supra-nationaliteit, zijn nadruk op samenwerking tussen "vaderlanden' en zijn afwijzing van Groot-Brittannië de voortgang van de Europese eenwording blokkeerde. Hij maakte de Frans-Duitse verzoening af die met Adenauer en Schuman/Monnet was begonnen.

De Franse president nodigde de Westduitse kanselier op 14 september 1958 uit naar zijn woonplaats Colombey-les-Deux-Eglises te komen voor een ontmoeting tussen wat hij noemde, “deze oude Fransman en deze zeer oude Duitser”. De staatslieden werden vrienden. In januari 1963 sloten Frankrijk en de Bondsrepubliek in Parijs een vriendschapsverdrag, dat op dat moment misschien de verhoudingen in de Europese Gemeenschap verstoorde, maar van grote symbolische waarde was.

De bijzondere verstandhouding die sindsdien tussen de leiders van beide landen gehandhaafd bleef heeft initiatieven opgeleverd die de Europese eenwording op beslissende momenten versnelde.

Zo bepaalde de plotselinge manoeuvre die president François Mitterrand en bondskanselier Helmut Kohl begin 1990 uitvoerden om naast de op stapel staande Economische en Monetaire Unie met spoed een politieke unie te plaatsen uiteindelijk de vorm die het Verdrag van Maastricht nu heeft.

Maar de Europese integratie moest eerst door een langdurige fase van economische samenwerking heen, voordat dit stadium was bereikt.

3. De markt en de munt

“Geen politieke integratie zonder economische integratie”, zo was het Nederlandse standpunt in het begin van de jaren vijftig. En in Den Haag was men er niet al te rouwig over dat de Europese Defensiegemeenschap een zachte dood was gestorven. Met grote hartstocht stortte een Nederlandse bewindsman zich daarna in de Europese arena om die economische eenwording te bevechten.

Het was minister van buitenlandse zaken J.W. Beyen, een man met uitgebreide internationale ervaring, die zich al in 1952 had uitgesproken voor de vorming van één grote markt in Europa. Samen met zijn Belgische en Luxemburgse ambtgenoten, Paul-Henri Spaak en Joseph Beck, lanceerde hij op ministersvergaderingen van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal een offensief voor een kwalitatieve sprong naar een Europese economische unie. Was de Benelux, die in 1944 nog in het ballingsoord Londen als douane-unie was voorbereid, in 1948 ingesteld en later tot economische unie uitgebreid, niet een adequaat voorbeeld?

De kern van het plan-Beyen keerde terug in het Benelux-memorandum dat voor de EGKS-conferentie van 1955 in het Italiaanse Messina was opgesteld. Het kreeg een verrassend gunstig onthaal - ook van het protectionistische Frankrijk en van de Bondsrepubliek die de voorkeur gaf aan een wat minder zwaar opgetuigde gemeenschappelijke markt. Spaak kreeg als voorzitter van een commissie de opdracht het plan uit te werken.

Daaruit kwam een tweeledig voorstel tevoorschijn: de oprichting van een Europese Economische Gemeenschap met een in twaalf jaar tot stand te brengen gemeenschappelijke markt - waarvan onder andere een gemeenschappelijk landbouwbeleid deel zou moeten uitmaken - en een Europese Gemeenschap voor Atoomenergie. Deze kregen hun definitieve vorm in de Verdragen van Rome, die in 1957 werden getekend en in 1958 van kracht werden. Velen voorspelden toen die tweede vorm van Europese samenwerking een prachtiger toekomst dan de gemeenschappelijke markt, maar het zou anders lopen. Van de in 1957 in Rome getekende overeenkomsten bleek juist het EEG-verdrag de motor voor verdere Europese eenwording te zijn. Beyen, die wegens zijn praktische aanpak wel de Nederlandse Jean Monnet werd genoemd, had gelijk gehad.

Het Europese economische experiment had al snel zulke gunstige uitkomsten dat het zijn uitstraling naar de rest van Europa niet miste. Vooral de Britten waren in verwarring gebracht. Van aansluiting wilden ze nog niet weten: met Scandinavische landen, Oostenrijk, Zwitserland en Portugal stelde Groot-Brittannië in 1960 een vrijhandelszone in, de Europese Vrijhandelsassociatie.

Maar deze kon niet anders dan een surrogaat-functie hebben: de dynamiek van de Zes was te groot en de dreigende economische achterstand te onverteerbaar. Bovendien werd uit Washington zachte druk op Londen richting continent uitgeoefend.

In de zomer van 1961 diende de regering-Macmillan een officieel verzoek tot toetreding in. De moeizame onderhandelingen eindigden spectaculair: met een veto van president De Gaulle. Hij concludeerde in januari 1963 dat Groot-Brittannië een Trojaans paard zou blijken te zijn: “...uiteindelijk zou een enorme Atlantische Gemeenschap ontstaan die afhankelijk zal zijn van Amerika en waaraan Amerika leiding zal geven”. Pas na De Gaulles aftreden was het opportuun een nieuwe poging te ondernemen en op 1 januari 1973 werd Groot-Brittannië lid, met Ierland en Denemarken in zijn kielzog. Later zouden Griekenland (1981) en Spanje en Portugal (1986) volgen.

De Britten bleken weliswaar niet de zetbazen van de Verenigde Staten te zijn waarvoor De Gaulle zo bang was geweest, toch had hij scherp aangevoeld dat ze de Europese eenwording zouden remmen. Zo onttrok in het begin van de jaren tachtig het debat over de Britse bijdrage aan de begroting van de Europese Gemeenschap - met in de hoofdrol premier Margaret Thatcher: “I want my money back!” - veel energie aan het integratieproces.

Tijdens de daarop volgende grote debatten over de Europese Akte en de markt zonder grenzen, over de Economische en Monetaire Unie en de Europese Politieke Unie nam Groot-Brittannië steeds afwijkende standpunten in. Londen zag Europese eenwording als een louter economische operatie.

De ene grote markt was voldoende en de wens die te bereiken noopte de Britse regering van tijd tot tijd tot compromissen. Zoals bij de onderhandelingen over de Europese Akte, die bedoeld was om de "Eurosclerose' van eind jaren zeventig/begin jaren tachtig te overwinnen.

De Europese eenwording was in het slop geraakt en de 25ste verjaardag van de ondertekening van de Verdragen van Rome werd in 1982 in een sombere stemming gevierd. Het was niet mogelijk gebleken de gemeenschappelijke markt in twaalf jaar, dus in 1970, te voltooien. De economische en monetaire unie waartoe de topconferentie van Den Haag in 1969 het initiatief had genomen en die in 1970 al in ontwerp gereed was, was er niet gekomen. Het landbouwbeleid slorpte het gemeenschapsgeld op, van politieke samenwerking was weinig terechtgekomen en de burger was onverschillig tegenover de Europese eenwording gaan staan.

De Europese Akte zou deze manco's opheffen en nieuwe vitaliteit brengen. Maar voordat de Akte een feit was moest vooral de Britse regering van het nut van drastische ingrepen worden overtuigd. Die ene markt wilde premier Thatcher nog wel, maar stemmen bij meerderheid om het onderhandelingsproces te versoepelen, vergroting van bevoegdheden van het Europese Parlement en uitbreiding van het werkterrein van de Gemeenschap waren haar een gruwel. Het zou de Britse soevereiniteit aantasten en de besluitvorming niet laten plaatshebben waar die zich volgens haar moest afspelen, in het Britse parlement, maar deze afleiden naar het verre en bureaucratische Brussel.

Ze boog. De prijs van een "nee' op de topconferentie van eind 1985 in Luxemburg was te hoog. Had het Europese bedrijfsleven niet hartstochtelijk voor die ene markt zonder binnengrenzen gepleit met het argument dat het anders de concurrentie met de Verenigde Staten en Japan niet zou aankunnen? Het project 1992 kon beginnen en injecteerde de Gemeenschap en de burgers met meer "Europa-gevoel' dan ooit voor mogelijk was gehouden.

De Europese Akte, de eerste grote wijziging en aanvulling van de Verdragen van Rome, droeg een overgangskarakter. Een van de dingen die ontbraken was een voorziening voor economische en monetaire samenwerking. En dat werd de inzet van het volgende gevecht van elf tegen één. De meeste munten van de EG-landen waren inmiddels aan elkaar vastgeklonken in het Europese Monetaire Stelsel, waartoe de Franse president Valéry Giscard d'Estaing en de Duitse kanselier Helmut Schmidt de aanzet hadden gegeven en dat in 1979 in werking was getreden. Zonder het Britse pond overigens, dat Londen pas in 1990 bij het wisselkoersmechanisme aanhaakte, en dat zich er deze week onder druk van de valutamarkten weer moest uit terugtrekken.

Hoeveel monetaire stabiliteit het EMS ook verschafte, het bestaan van verschillende munten hield een handicap voor de ene markt in. Schmidt hield niet op te betogen dat een reiziger die met honderd gulden alle EG-landen bezoekt en daar zijn geld wisselt zonder verder iets uit te geven met vrijwel geen cent op zak huiswaarts keert.

De voorzitter van de Europese Commissie, de Fransman Jacques Delors, die sinds zijn aantreden op 1 januari 1985 met grote vastberadenheid de Europese "relance' had aangevoerd en Thatchers grote tegenspeler zou worden, kreeg van de top in Hannover van juli 1988 opdracht aan het hoofd van een commissie van deskundigen bouwtekeningen voor de Economische en Monetaire Unie te maken. Een jaar later bogen de leiders van de EG-landen zich in Madrid over het resultaat: via vrij verkeer van kapitaal en financiële diensten en geleidelijke coördinatie van het economische beleid zouden de Twaalf volledige economische en monetaire eenheid moeten bereiken, met één munt en één centrale bank.

De eerste stap zinde de Britse regeringsleidster, de tweede was minder gemakkelijk te verteren maar de derde, die het verlies van het pond zou betekenen en van de Bank of England een bijkantoor zou maken, was onbespreekbaar. Had ze in haar befaamde toespraak in Brugge van september 1988 niet overduidelijk aangegeven dat ze bedankte voor een dergelijke centraal geleide Europese Gemeenschap?

Maar het tij was niet te keren en het zou Thatcher uiteindelijk verzwelgen. Haar voortdurend fulmineren tegen "verdieping' van de Europese samenwerking kostte haar in eigen land de kop. Ze had het vertrouwen van haar Conservatieve partij verloren en moest in november 1990 het veld ruimen voor John Major. Deze sleepte in Maastricht nog wel een uitzonderingsbepaling voor zijn land uit het vuur. In een aangehecht protocol staat dat het Verenigd Koninkrijk niet verplicht is tot de derde fase van de EMU over te gaan “zonder een daartoe strekkend afzonderlijk besluit van zijn regering en parlement”. Er bleef ook na "Maastricht' verschil tussen het eiland en het continent.

4. Verdiepen en verbreden

Het elan dat "1992' teweegbracht bleef buiten de Europese Gemeenschap niet onopgemerkt. In de Verenigde Staten en Japan was enige tijd sprake van angst voor een Fort Europa, totdat werd ingezien dat Amerikaanse en Japanse ondernemingen ook van die grote markt zonder belemmeringen konden profiteren. De overgebleven landen van de Europese Vrijhandelsassociatie wilden zo snel mogelijk die "interne markt' tot hun grondgebied zien uitgebreid en begonnen zich zelfs voor toetreding aan te melden, te beginnen met Oostenrijk. En voor Oost-Europa werd de Gemeenschap steeds meer een baken van vrijheid en welvaart.

De Europese Gemeenschap was te veel met zichzelf bezig om zich om die buitenwereld te bekommeren. Een strategie voor de lange termijn ontbrak vrijwel. Delors' idee over een Europa van concentrische cirkels, was een van de weinige denkmodellen, met de EG als hechtst aaneengesloten blok in het middelpunt, een rand EVA-landen waarmee economisch zou worden samengewerkt daaromheen en als laatste cirkel, halve cirkel eigenlijk, landen waarmee associatie-akkoorden en andere deelovereenkomsten zouden worden gesloten, zoals de Oosteuropese.

Eerder dan het de Twaalf lief was kwam heel Europa door de omwentelingen in het Oosten opnieuw op de tekentafel te liggen. Niet dat de Gemeenschap de herwonnen vrijheid daar betreurde, ze was er gewoon niet klaar voor. De zich razendsnel voltrekkende instorting van het Sovjet-rijk in 1989 en 1990, die zonder Sovjet-leider Michail Gorbatsjov en zijn gedachten over een "Gemeenschappelijk Europees Huis' op deze wijze onvoorstelbaar was geweest, bracht de EG in verwarring.

Dat kwam vooral doordat het Duitse vraagstuk, dat met de Europese eenwording leek te zijn geregeld, met de onvermijdelijke vereniging opnieuw actueel werd. Even staken oude angsten de kop op, vooral in Frankrijk maar ook in andere landen om Duitsland heen. Zo reageerde Nederland met een waarschuwing van minister Van den Broek aan het adres van Bonn dat het nu de hoogste tijd was de Oder-Neisse als Poolse westgrens te erkennen. Het moest allemaal niet te snel gaan, en zeker niet zonder rekening te houden met de belangen van andere betrokken landen, verklaarden Mitterrand en Gorbatsjov begin december 1989 in Kiev. Waar was de Duits-Franse as gebleven?

Maar het gng snel. De Europese eenwording bleek ver genoeg gevorderd om het ene Duitsland soepel in de EG te kunnen integreren. Kohl bleek een goede leerling van Adenauer met zijn onophoudelijke verzekering dat er een Europees Duitsland zou ontstaan en de Frans-Duitse as hervond haar draagvermogen. De weg van Den Haag naar Maastricht is niet tevergeefs afgelegd.

De nieuwe situatie eiste nieuwe maatregelen. Het ontbreken van een gemeenschappelijk buitenlands beleid van de Twaalf deed zich voelen. De Amerikaanse president George Bush riep de EG op tot “een voortgezette en misschien zelfs gentensiveerde poging (...) om te integreren”. Washington beschouwde de EG als aangewezen stimulator van politieke en economische hervormingen in Oost-Europa. “Het is haar roeping”, verkondigde minister James Baker van buitenlandse zaken november 1989 in Berlijn.

In de EG ontstond een discussie tussen voorstanders van snelle uitbreiding ("verbreding') om het nieuwe democratische Europa een thuis te geven, en zij die eerst de banden binnen de Gemeenschap verder wilden aanhalen ("verdieping'). De laatsten, onder aanvoering van Kohl en Mitterrand, wonnen het van de eersten, die in mevrouw Thatcher een uitgesproken woordvoerster hadden.

De politieke onderdelen van het Verdrag van Maastricht, die met de Frans-Duitse voorstellen uit 1990 als uitgangspunt zijn geformuleerd, zijn bedoeld om de Europese Gemeenschap af te helpen van het imago een economische reus op lemen politieke voeten te zijn - zoals in de Joegoslavische crisis weer pijnlijk aan het licht kwam. Ze moeten ook voorkomen dat de EG-landen politiek huns weegs gaan, met alle desintegrerende gevolgen van dien. Ze zouden er zelfs op den duur aan kunnen bijdragen dat de Europese Gemeenschap één zetel in de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties bezet, zoals minister Van den Broek ontijdig (maart 1990) bepleitte.

De enige die er in het Maastrichtse verdrag bekaaid afkomt is de Europese burger. Het hoofdstuk over "Het burgerschap van de Unie' kan niet verbloemen dat het democratische tekort in de Europese Gemeenschap bjft bestaan. Het Europese Parlement krijgt, net als in de Europese Akte, een paar brokken toegeworpen - zoals een grotere wetgevende rol - maar van een werkelijke verantwoordingsplicht aan een met democratische bevoegdheden uitgerust Parlement is geen sprake.

En dan te bedenken dat het Europese Parlement in 1984 met het aannemen van het door Altiero Spinelli genspireerde "Ontwerp-verdrag tot oprichting van de Europese Unie' het zaad had gezaaid waar de Europese Akte en het Verdrag van Maastricht uit voortkwamen. Het motto dat Jean Monnet aan zijn memoires meegaf geldt nog onverkort: “Wij verbinden geen staten, wij verenigen mensen”.

Maar de geschiedenis van de Europese eenwording is die van ontwerpen en bouwen, van bouwen aan iets dat lijkt op een Middeleeuwse kathedraal. Het kost generaties, de verschillen in stijl zijn waarneembaar, maar het resultaat telt. Het resultaat van de Europese integratie is bijna een halve eeuw voorspoed en vrede voor meer dan driehonderd miljoen mensen in een gebied waar eerder vijandschap en haat, angst en armoede heersten of, zoals het wel is genoemd: de opstanding van de Europese Lazarus.

Geraadpleegde literatuur: James Joll. "Europe since 1870'. Penguin Books. 1983. Paul Johnson. "A history of the modern world. From 1917 tot the 1980's'. Weidenfeld en Nicolson. 1984. Mr. P.J.G. Kapteyn, Prof.mr. P. VerLoren van Themaat "Inleiding tot het recht van de Europese Gemeenschappen'. Kluwer. 1987. Prof.dr. P. van de Meerssche. "Van Jalta tot Malta'. Politieke geschiedenis van Europa. Aula. 1990. Jean Monnet. "Mémoires'. Fayard. 1976. Helen Wallace, William Wallace, Carole Webb. "Policy making in the European Community'. Second Edition. Wiley. 1989. "Verdrag betreffende de Europese Unie'. Bureau voor officiële publikaties der Europese Gemeenschappen, 1992. "Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen'. Beknopte uitgave. Bureau voor officiële publikaties der Europese Gemeenschappen. 1987.

VAN DEN HAAG NAAR MAASTRICHT

19 september l946: Churchill spreekt in Zürich over de Verenigde Staten van Europa.

1 januari 1948: Het Benelux-verdrag wordt van kracht.

16 april 1948: Oprichting van de Organisatie voor Europese Economische Samenwerking (OEES).

mei l948: Het Haagse "Congres van Europa' heeft plaats.

4 april l949: Ondertekening van de NAVO-verdragen.

5 mei l949: Oprichting van de Raad van Europa.

21 september 1949: De Bondsrepubliek komt tot stand.

18 april l951: Ondertekening van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS).

5 mei l955: Totstandkoming van de Westeuropese Unie (WEU).

23 maart 1957: Ondertekening in Rome van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap en van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenenergie. De verdragen worden op 1 januari l958 van kracht.

4 januari l960: Ondertekening van het verdrag voor oprichting van de Europese Vrijhandelsassociatie.

1 januari l973: Toetreding van Groot-Brittannië, Ierland en Denemarken tot de Europese Gemeenschap.

4/5 december 1978: De Europese topconferentie van Bremen besluit tot oprichting van het Europese Monetaire Stelsel.

7/10 juni l979: Eerste rechtstreekse verkiezingen voor het Europese Parlement.

1 januari 1981: Toetreding van Griekenland tot de Europese Gemeenschap.

1 januari 1986: Toetreding van Spanje en Portugal tot de Europese Gemeenschap.

17 februari 1986: Ondertekening van de Europese Akte, die op 1 juli 1987 in werking treedt.

9/10 december 1992: Akkoord op de Europese top van Maastricht over het Verdrag betreffende de Europese Unie.

2 juni 1992: De Denen wijzen bij referendum het Verdrag van Maastricht af.

20 september l992: Frans referendum over het Verdrag van Maastricht.