De weilanden doen me denken aan Bosnië. Ik fiets en ik huil

De doden zijn genummerd. Langzaam laat Janny Nozinovich haar vinger langs de lijst glijden die op pagina elf van de Kroatische krant Behar Press staat afgedrukt. Achter nummer 248 staat de naam van de directeur van haar school in Zvornik. Verderop staan de namen van drie slagers. “Mijn neven”. De slachtoffers 332 tot en met 339 zijn een echtpaar, hun twee getrouwde zonen en twee kleinkinderen.

Wanneer ze de krant dichtvouwt, blijft het even stil in kamer A-116 van het tijdelijk opvangcentrum in Den Bosch waar ze sinds begin augustus verblijft. Haar moeder huilt. Met een vermoeid gebaar wrijft Janny haar eigen tranen weg. “We zijn zo bang dat in een volgend nummer van de krant mijn vader op de lijst van slachtoffers staat.”

Soms lukt het haar die angst van zich af te schudden. In de plaatselijke disco bijvoorbeeld, waar ze onlangs met een groepje uit het opvangcentrum naar toe ging. “De mensen waren te gek. Sommige meisjes deden alsof ze niet wilden dansen, ze keken alleen maar naar de jongens. Ik was niet gekomen om avontuur te zoeken maar om me te vermaken. Ik heb met bijna iedereen gedanst. Toen een langzaam nummer begon, kwam een Hollandse jongen op me af die vroeg of ik wilde dansen. Natuurlijk. Hij is al 20. Het was vurig”, schreef ze in haar dagboek.

Of wanneer ze op een geleende fiets door Den Bosch rijdt, het liefst door rood licht: “dat schiet lekker op”. Maar zodra ze het centrum van de stad achter zich laat en door de natuur rijdt, komen de tranen weer: “Dat uitzicht, de weilanden met koeien en paarden doen me zo denken aan Bosnië. Ik fiets en ik huil. Wanneer zal ik de weilanden en de bosrijke bergen van Bosnië terugzien? Misschien pas als ik oud ben.”

Het liefst had ze vorige week de bus terug naar Bosnië genomen, na de zoveelste woordenwisseling met haar moeder, die de omgang van Janny met sommige oudere meisjes uit het opvangcentrum maar zo-zo vindt. Op 7 september schreef ze: “Moeder werkt op m'n zenuwen. Ze wil dat alles op haar manier gaat. Ik heb er zo genoeg van. In Zvornik zat ze me al dwars, geen van mijn vriendinnen beviel haar. Maar het zal nooit meer worden zoals zij het wil.”

Vorige week kwamen een paar journalisten langs van de school-televisie. Ze namen Janny en haar vriendin Senka mee de stad in, waar ze werden geïnterviewd. De uitzending, een paar dagen later, veroorzaakte panische reacties. “Ze lieten een of andere verwoeste stad zien. Overal troep, nergens een gebouw. Maar toen ze de moskee lieten zien, herkende ik opeens Zvornik. Ik begon te gillen toen ik een gedeelte van ons huis zag. Ik moest pillen nemen om kalm te worden. Mijn zenuwen zijn op. Wat is het vreselijk om iets te zien wat jou niet meer toebehoort”.

Ook het uitstapje naar Utrecht, afgelopen zondag, kon de televisie-beelden niet verdrijven. Ze was te gast bij Marcia, een Kroatische vrouw die in Utrecht woont. 's Avonds gingen ze naar een café. “Ik weet het niet, ineens kreeg ik het moeilijk. Ik gooide een glas bier om en op dat moment besloot ik dat ik me zou gaan bezatten, voor het eerst in mijn leven. Ik dronk en ik huilde. Marcia begreep het en huilde ook. Ik kan Zvornik niet vergeten. Nachtenlang lig ik wakker om dat kleine stadje langs de Drina”.

En overdag, als ze alleen in de kamer is, draait ze bandjes waarop strijdliederen staan. “Maar wat heb je aan strijdliederen als de wereld rustig toekijkt”.