De corruptie van de geest

Op een Haagse straathoek heb je statistisch een grotere kans tegen een beroemdheid uit de staatkundige geschiedenis aan te lopen dan in Amsterdam of Maastricht.

Donderdagmiddag botste ik op de Bezuidenhoutseweg in het gedrang van ambtenaren op weg naar hun trein bijna tegen de oud-minister van financiën mr. H.J. Hofstra op. Een vluchtige ontmoeting met een grote socialistische persoonlijkheid uit de jaren vijftig, die als bewindsman nog zoveel verantwoordelijkheid voor de toestand van 's rijks schatkist voelde dat hij bereid was elk tekort uit eigen zak bij te passen. We passeerden elkaar op een zebra bij het Centraal Station van Den Haag. In de split second waarin je op volle oversteekplaatsen waarnemingen doet, zag ik dat hij nog hetzelfde scherp gesneden gezicht had en nog net zo rijzig was als vijfendertig jaar geleden toen hij “waardig en in de zekerheid van zijn morele gelijk” na de val van het derde kabinet-Drees van de ministerstafel in de Tweede Kamer wegliep.

Zojuist had ik op een ministerie een gesprek gevoerd over corruptie en de slijtage in de ondoordringbaarheid van de departementen voor omkoping en gunstbetoon, en nu raakte ik in het voorbijgaan de mouw van de vleesgeworden onkreukbaarheid. Hofstra vertegenwoordigde een type onkreukbaarheid, dat nog maar twee generaties geleden tot de morele standaarduitrusting van de ambtenaar behoorde maar in de jaren van de private-public-partnerships kennelijk - getuige de recente uitbreiding van de BVD-taak - aan erosie onderhevig is geweest. Ik zie de Hofstra-moraal nog wel als verplichte leerstof in het handboek van de ambtenaar terugkeren, maar niet voor ambtenaren alleen. Het zou geen kwaad kunnen om haar ook voor bewindslieden verplicht te stellen.

De Hofstra-norm hield een zodanige scheiding van functie en persoon in dat een minister in zijn privé bestaan nooit enig voordeel zou trekken van zijn ambt: niet privé rijden in een dienstauto, niet privé reizen op kosten van de staat, niet privé vliegen op 's rijkskosten. Die scheiding strekte zich ook uit tot de kleinere "gunsten en profijten', zoals vrijkaarten voor de schouwburg of het theater, ja zelfs tot corresponderen in dienstenveloppen.

Een aantal voorlichtingsambtenaren heeft zich deze week het hoofd gebroken over de vraag hoe het gunstbetoon waarmee de zoete vogelaars uit het particuliere bedrijfsleven steeds vaker hun hun ministers overladen, beteugeld moet worden. Die bespreking wijst op bezorgdheid over een verschijnsel dat de laatste jaren de spuigaten is uitgelopen. De afgelopen zomer maakten de sponsors op de Olympische Spelen in Barcelona het op dat punt wel heel bont: het kabinet-Lubbers was daar vertegenwoordigd door ministers die op kosten van Nederlandse bedrijven waren uitgenodigd. Van officiële vertegenwoordiging was geen sprake, want ambtshalve hadden ze daar niets te zoeken. Als ze daarheen namens het kabinet waren afgevaardigd, dan waren ze op staatskosten gegaan. Nu waren ze verstrikt geraakt in een onsmakelijke vermenging van belangen en in het vaarwater gemanoeuvreerd van een onverkwikkelijk particuliere geldverspillingsfestijn, waarbij op een hotelkamer van tweeduizend gulden meer of minder niet werd gekeken.

Het is niet de eerste keer dat ministers van het kabinet-Lubbers hun privé vermaak door derden laten betalen. Sinds ministers zich encanailleren met de amusementsindustrie van de televisie en menen dat ze de democratie dienen door in talkshows op te treden die worden gemaakt voor kiezers die nooit stemmen, worden ze overstroomd door invitaties en vrijkaarten uit deze sector, die heel goed weet welk belang ze heeft bij goedgesmeerde betrekkingen met de regering. Corruptie is voor dit alles niet het juiste woord, maar het aannemen van gunsten bereidt het sluipend voor: het corrumpeert de geest.

Bij invoering van de Hofstra-norm zouden ministers zich weer uitsluitend op het regeren moeten concentreren en zich niet meer laten zien in de spiegelpaleizen van het televisie-amusement, de goeden niet te na gesproken (Kok, Pronk, Dales, De Vries en nog enkelen die zich daar niet voor lenen). Om schriftgeleerde hypocrisie over wat "wel moet kunnen' bij voorbaat de kop in te drukken zou er zonder preutsheid een verboden gebied voor ministers gedefinieerd moeten worden, met een duidelijk gemarkeerde perimeter. Regel een. Waar de paardenmiljonair Melchior zijn festijnen aanricht, moeten ministers wegblijven. Regel twee. Waar Tjerk Westerterp, Optiebeurs en champagne bijeen zijn moeten ministers ontbreken. Regel drie. Ministers laten zich niet met vrijkaarten voor de Salzburger Festspiele en alles wat daarop lijkt fêteren. Ze geven sponsors het goede voorbeeld door zich voor concerten of theatervoorstellingen te laten uitnodigen, maar hun kaarten zelf te betalen. De vrijkaarten die ze ontvangen geven ze aan hun lagere ambtenaren, in het kader van een nieuw omschreven herverdeling van de welvaart.

Als bijlage zou ik graag de volgende anekdote over de levenswandel van premier Drees in het Handboek voor een nieuwe Ethiek en Moraal in de Overheidsdienst opgenomen willen zien.

Drees was een fervente fan van het Polygoon-journaal en ging zoveel als hij kon zaterdagsochtends met zijn vrouw naar de Cineac op het Buitenhof. Voor de toenmalige minister-president (1948-1958) sprak het niet alleen vanzelf dat hij de toegangskaartjes zelf betaalde, maar ook dat hij buiten in de rij op zijn beurt wachtte. In die gouden jaren van het filmjournaal (toen er nog geen televisie was) liep het zaterdags altijd storm en waren de rijen voor Cineac vaak honderden meters lang. Als het regende stonden ook vader Drees en zijn vrouw net zo lang in de regen tot hun rij de deuren van de bioscoop had bereikt. Tot hij op een zaterdag door de portier uit de rij werd gehaald en onder het aanbieden van excuses naar binnen werd geleid. Excuses, vroeg dr. Drees, waarvoor? Hij vermoedde dat een van zijn ambtenaren daarin de hand had gehad. Die moest de volgende maandag op zijn kamer komen (zijn vermoeden bleek juist). De ambtenaar had het beste met zijn premier voorgehad en de Cineac-directeur erop had gewezen dat hij de minister-president toch niet een half uur buiten in de rij kon laten staan. Maar hij kreeg een vermaning - vriendelijk maar streng. De ambtenaar moest begrijpen dat het niemand wat aanging dat Drees op zaterdagmorgen naar het filmjournaal ging. Niet als premier, maar als gewoon burger. Als men het betreurde dat hij lang in de rij moest staan, dan moest men bedenken dat iedereen lang in de rij moest staan. Want daar ging het Drees om: als iedereen ongemak had, had hij ook recht op zijn portie ongemak. Als burger wilde hij geen enkel voorrecht hebben boven anderen. De ambtenaar ging - gesticht - de kamer uit, onder de toezegging dat hij de boodschap aan al zijn collega's zou overbrengen.