Zwebbelarij

Paul Biegel: Nachtverhaal. Met tekeningen van Lidia Postma. Uitg. Holland. Tot december '92 prijs ƒ 29,90, daarna ƒ 34,90. Vanaf 10 jaar.

Tegenwoordig valt niemand er meer over, maar er schijnt een tijd te zijn geweest dat Jip en Janneke niet kòn. Altijd maar weer die vader van Jip die volgens goed jaren-vijftiggebruik met de fiets van zijn werk kwam en werd opgewacht door Jips immer huishoudende moeder - menig weldenkend mens gruwde ervan (en Jip en Janneke zelf deden het al niet veel beter dan hun ouders). Maar niet veel later waren de eerste schampere geluiden te horen toen het zoveelste kind-van-gescheiden-ouders de kinderliteratuur binnenwandelde. Met het predikaat "klassiek' kunnen we kennelijk niet voorzichtig genoeg zijn.

Er zijn in Nederland maar een paar kinderboekenschrijvers die al een paar generaties meedraaien zonder dat hun populariteit is ingezakt. Annie M.G. Schmidt is daarvan het sterkste voorbeeld, maar ook het werk van Paul Biegel wordt nog altjd veel gelezen. Zijn Anderland leverde Biegel vorig jaar nog de belangrijke Libris Wouterse Pieterse-prijs op.

Behalve als auteur van ongecompliceerde avonturenverhalen zoals de De kleine kapitein-serie geniet Biegel al enige tientallen jaren een ijzeren reputatie als sprookjesverteller. In veel van zijn verhalen voltrekt zich, temidden van prinsessen, elfen, heksen en ander sprookjesvolk, de eeuwige strijd tussen Goed en Kwaad. Met het nodige getover natuurlijk, maar ook wordt er naarstig gezocht - en uiteindelijk gevonden. Of juist niet, maar dan komt er wel weer iets anders voor in de plaats.

In Biegels nieuwe boek Nachtverhaal vinden twee sprookjeswezens elkaar, bij toeval. Op de zolder van een oud huis staat een poppenhuis waarin een zogeheten huiskabouter woont. Iedere avond gaat hij naar beneden om zijn ronde door het huis te doen: heeft de oude grootmoeder, de enige officiële bewoner, het gas wel uitgedaan, zijn de kranen dicht en de deuren op slot? Afgezien van het wekelijkse kaartavondje met twee meestal ruziënde, onappetijtelijke types uit de kelder, de bazige Rat en de sullige Pad, verloopt voor de kabouter elke dag op dezelfde manier. Tot op een avond tijdens noodweer aan de deur van het poppenhuis wordt geklopt: het is een beeldschone maar nogal verfomfaaide fee die vraagt of ze één nachtje mag blijven. De kabouter heeft het niet zo op feeën, omdat ze volgens hem "vol listen en zwebbelarijen' zitten, maar stemt genadig toe.

Nachtverhaal, dat er met zijn dromerige illustraties (waaronder een aantal ingeplakte kleurenprenten) van Lidia Postma en sierletters aan het begin van elk hoofdstuk, uitziet als een ouderwets sprookjesboek, is een raamvertelling. De fee vertelt de kabouter haar levensgeschiedenis, waar haar vergeefse zoektocht naar wat ze alleen kent van horen zeggen - trouwen, nakomelingen en de Dood - als een rode draad doorheen loopt. Naarmate ze verder vertelt, raakt de kabouter meer aan haar wonderlijke verhalen - en aan haar - verslingerd. Hij is door haar betoverd, constateren Rat en Pad knorrig.

Het zal wel komen doordat ik niet in een poppenhuis op een stille zolder woon, maar de verhalen van deze Sheherazade waren duidelijk meer aan de kabouter besteed dan aan mij. Daarvoor is de levensgeschiedenis van de fee, met steeds weer andere al dan niet boosaardige wezens, te omslachtig geschreven, te rommelig ook, al maakt Biegels als vanouds persoonlijke, plastische taalgebruik ("wobbelende stukken neus', "knip-knijpvingertjes') wel wat goed. De ene kobold is nog niet uit het zicht verdwenen of de andere elfenprins dient zich alweer aan. Ik werd er in ieder geval doodmoe van. Veel beter in elkaar zit de randvertelling, die door de vele herhalingen (steeds weer vraagt de kabouter de fee nog één nachtje te blijven, steeds weer schieten zijn taken als huiskabouter erbij in) een duidelijke, ritmische opbouw vertoont. De golfbewegingen die ontstaan doordat Biegel de overgangen van het "kabouterverhaal' naar de vertellingen van de fee en andersom vrijwel onopvallend laat plaatsvinden, doen zich al net zo regelmatig voor. Als de fee uiteindelijk inziet dat haar zoektocht een onmogelijke is - trouwen, nakomelingen en de Dood horen niet thuis in een feeënleven, want feeën zijn onsterfelijk, dus hoeven ze zich ook niet voort te planten - vraagt de smoorverliefde kabouter haar op zijn manier ten huwelijk: "Dan doen we een beetje of we mensen zijn.' Een onvermijdelijk maar ontroerend einde.