v.d. Broek: ook na ratificatie gaat Europa stuk langzamer

LEIDEN, 18 SEPT. Het verdrag van Maastricht over de Europese Unie zal, ook als het door alle twaalf lidstaten wordt geratificeerd, “een zekere adempauze in de verdieping van de integratie kunnen inluiden”. Dat zei minister Van den Broek (buitenlandse zaken) gisteravond tijdens een rede in het Groot Auditorium van de Rijksuniversiteit Leiden. “Het duurt misschien wel tot een volgende politieke generatie voordat de draad van verdere eenmaking van Europa weer echt wordt opgepakt.”

Nederland zal echter “het perspectief van een communautaire rechtsorde met supranationale elementen” aan de orde moeten blijven stellen. Het ideaal van Europa, aldus de minister, zal tijdens deze adempauze “levend gehouden moeten worden”. Uit zijn woorden viel duidelijk op te maken dat Van den Broek deze onderbreking van de verdergaande Europese integratie betreurt. Ook door de uitbreiding van de Europese Gemeenschap, in de eerste plaats met “Oostenrijk, Zweden, Finland en andere EVA-landen”, “valt enige verwatering van de integratie te verwachten en dus te vrezen. De communautaire structuren zullen moeizamer gaan functioneren, evenals de besluitvorming in de Europese Raad en de samenwerking op justitieel en buitenlands-politiek terrein”.

"Maastricht' noemde hij een “noodzakelijk goed”. “Nu in Oost-Europa middelpuntvliedende en nationalistische krachten virulent aanwezig zijn, moet West-Europa zijn op integratie gerichte structuren juist versterken. Dat is het signaal waarop heel Europa nu wacht.” Als Maastricht mislukt, betekent dat ook het niet doorgaan van de monetaire unie, het gemeenschappelijke buitenlandse en veiligheidsbeleid, de versterkte democratische controle op de verbeterde besluitvorming, de versterkte sociale paragraaf, de samenwerking op justitieel en politieel gebied en de harmonisering van het visumbeleid.

De minister hield zijn als fundamenteel aangekondigde rede over de toekomst van het Nederlandse buitenlandse beleid op uitnodiging van de Leidse Studentenvereniging voor Internationale Betrekkingen. Hij zei ondanks de mogelijke verwatering van de integratie toch voor uitbreiding van de Europese Gemeenschap te kiezen. Het relatieve gewicht van Nederland zal dalen, “maar die uitbreiding is om redenen van politieke en economische schaalvergroting alleen maar toe te juichen”. De positie van Nederland zou veel meer worden geschaad, “indien het integratieproces stokte, hernationaliseringstendensen zouden worden aangewakkerd en het recht van de sterkste in Europa zou herleven”. Een voorwaarde voor verbreding van de Gemeenschap is voor Van den Broek echter wel dat het verdrag van Maastricht wordt aangenomen. Nederland en andere landen hebben op dat punt volgens hem altijd een duidelijk standpunt gehad: geen uitbreiding zonder eerst een verdieping.

Ondanks alle veranderingen in de wereld na 1989 vindt Van den Broek dat Nederland “op hoofdlijnen” zijn naoorlogse buitenlandse beleid moet voortzetten. “In deze roerige tijd is Nederlands belang daarmee het best gediend.” Hij stelde tevens vast dat “er geen weg terug is naar de vooroorlogse afzijdigheid” van Nederland. “De grote verworvenheid van het naoorlogse multilateralisme is juist dat het een rem vormt op de gevaren van renationalisatie, fragmentatie en onberekenbare coalitiepolitiek.”

Nederland zal daarbij ook, zei Van den Broek, zich geen keuze laten opdringen “tussen Europa en Atlantis”. Als het zich tot deze “onnodige en valse keuze” zou laten leiden, zou Nederland “grote schade lijden”. “Die spagaat, zoals iemand het omschreef, moeten we volhouden, en als we daarin de nodige politieke energie steken kan dat ook heel goed.”

Om die reden, zei de minister, bleef hij terughoudend over deelname aan het onlangs opgerichte Frans-Duitse korps. In de huidige onafhankelijke opzet is niet verzekerd of dit Eurokorps een bijdrage levert aan de NAVO-solidariteit, zoals is afgesproken in Maastricht. Derhalve vond de minister dat nieuwe lidstaten van de Europese Gemeenschap bij toetreding tot de Westeuropese Unie “in feite ook voor de NAVO opteren”. “Hoe kan anders de WEU zich, zoals in Maastricht is afgesproken, met recht ook de Europilaar van de NAVO noemen.”

Een mondiale rol kan de Europese Gemeenschap, aldus Van den Broek, voorlopig niet spelen, omdat het daarvoor de vereiste politieke eensgezindheid mist. De behandeling van de kwestie-Joegoslavië is daarvan een voorbeeld. Door Maastricht zou dat allemaal kunnen verbeteren. Van den Broek riep het Franse volk dan ook op zondag "ja' te stemmen. Hij zei daarbij te hopen dat het dit ook om de juiste redenen doet. “Het zou namelijk weinig goeds voor Europa beloven als de goedkeuring van Maastricht bij de partners van Duitsland voornamelijk zou berusten op angst uit het verleden.” Het “huidige - door en door democratische - Duitsland verdient een dergelijk wantrouwen niet”.

Aan het slot van zijn betoog zei de minister dat buitenlands beleid, ontwikkelingssamenwerking, financieel-economisch hulpbeleid en defensiebeleid “beter op elkaar moeten aansluiten”. “Een heroverweging van de bestaande afbakening van politieke en departementale verantwoordelijkheden op internationaal terrein lijkt mij daarvoor even onontkoombaar als gewenst.” De minister gaf geen details, maar vermoed kan worden dat hij ontwikkelingssamenwerking met een staatssecretaris onder buitenlandse zaken wil rangschikken.