Smolt eindelijk goedkoper!

Door kordaat ingrijpen van Brussel daalt de smolt in prijs. Smoltzalmen zijn jonge zalmen die zich gedurende twee jaar in een broedhuis ontwikkelen.

Daarna gaan zij naar een opgroeikwekerij om te worden verhandeld als zij een gewicht van tussen de 1 en 5 kilo hebben bereikt. Zalm is (kunstmatig) duur en voor kwekers en handel is er veel geld mee te verdienen. Omdat de Noren en Schotten de zalmmarkt in Europa beheersen, maakten zij een gemeen opzetje: kunstmatig hoge prijzen ten voordele van de handel en ten nadele van de consument.

De Europese Commissie kreeg lucht van de financiële finesse van het door de Noren en Schotten opgezette minimumprijzenbeleid en greep in. Welk spelletje speelden de Noorse en Schotse zalmkwekers?

De Noren zijn absoluut leider op de communautaire markt van gekweekte zalm; hun aandeel bedroeg in 1986 circa 58 procent, maar groeide in 1989 tot ongeveer 70 procent. Het Schotse aandeel op de Europese zalmmarkt bedraagt ongeveer 26 procent, zodat de Noren en Schotten elkaars grote Europese concurrenten zijn. Van dit soort concurrentieverhoudingen, dat als regel in een prijzenslag eindigt, behoort de consument te profiteren. Maar de zalm bleef opmerkelijk duur.

Eind vorige eeuw lieten de zeer slecht betaalde Amsterdamse dienstbodes in hun contract opnemen dat zij niet verplicht konden worden vaker dan drie keer per week zalm te eten. De zalm kwam toen nog in overvloed in (onder meer) de onvervuilde Amsterdamse grachten voor, was spotgoedkoop en had dus dezelfde status als wijting nu: je geeft het aan je kat tenzij je het beest erg mag. Oesters prijkten vroeger op het standaardmenu van menig armlastig Scheveninger: aardappels waren duurder. Maar toen de zalm en oesters duur begonnnen te worden, kwamen zij pas echt in trek.

Met dat kennelijk in het achterhoofd richtten de Noren, die natuurlijk op hoge zalmprijzen uitwaren, in 1978 het FOS - een viskwekerclub - op. Het FOS kreeg van de Noorse regering het exclusieve recht om verkoopvergunningen voor gekweekte vis af te geven en om minimumprijzen vast te stellen. Gekweekte vis kon in Noorwegen voortaan alleen via het FOS worden verhandeld. Geen enkele Noorse zalmkweker durfde onder de minimumprijzen van het FOS te gaan zitten, omdat dat naar Noors recht strafbaar is.

De Schotse viskwekers vonden dat FOS wel een lucratief idee en richtten een belangenvereniging van de Schotse zalmkwekers op, de SSGA (Scottish Salmon Growers' Association Ltd.). Anders dan bij de Noren was de aansluiting bij de SSGA voor de Schotse zalmkwekers vrijwillig, maar het bleek al snel dat 80 procent van de Schotse zalmkwekers zich had aangesloten bij de SSGA. Omdat de SSGA nauwgezet de Noorse, door het FOS gedicteerde, minimumprijzen in de gaten hield en die prijzen ook aan de SSGA-leden als bodemprijs adviseerde, had dit in de praktijk tot gevolg dat de Schotten met hun zalm altijd iets boven de Noorse minimumprijzen gingen zitten.

De Europese commissie, die onlangs over deze zalmprijzen oordeelde, maakt in haar beslissing gewag van "de traditionele Schotse opslag van 5 tot 10 procent". De Schotten gaan dus per definitie iets boven de minimumprijzen van de grote Noorse concurrent zitten. Na wat marketing-moeilijkheden besloten de Noorse kwekers het FOS te laten zakken en hun zalm te gaan dumpen, dat wil zeggen voor onmogelijk lage prijzen te verkopen. Op die manier probeerden de Noren hun marktaandeel te heroveren.

Dit soort tijdelijke acties, die vaak tot doel hebben de (Schotse) concurrent in een prijzenslag snel af te troeven en na het "vermoorden" van de concurrent de eigen prijs weer fors op te trekken, zijn EEG-rechtelijk niet geoorloofd. De Europese Commissie dreigde dan ook in te grijpen, zodat het FOS de teugels weer aantrok door de minimumprijzen voor zalm weer op ten minste redelijk niveau te brengen, waardoor de dumping zou worden beëindigd. Het FOS en de Schotten gingen vervolgens weer terug naar het vertrouwde systeem van de minimumprijzen voor zalm: het FOS stelde (hoge) minimumprijzen vast en de Schotse SSGA nam maatregelen om de prijsdiscipline bij haar leden zeker te stellen. Dit beperkte de mededinging binnen de Europese (zalm-)gemeenschap en had tevens tot gevolgd dat de marktprijs voor gekweekte zalm binnen de gemeenschappelijke markt onnodig steeg. Dat valt natuurlijk op: de Schots-Noorse zalm-combine vertegenwoordigt 90 procent van de Europese zalmmarkt.

De Commissie greep in en oordeelde dat deze prijsafspraken in strijd waren met de kartelbepalingen uit het EEG-Verdrag. De afspraken tussen het FOS en de SSGA hadden immers tot doel de minimumprijzen en prijsdiscipline te waarborgen en derhalve de mededinging uit te schakelen. De Commissie kon geen enkele grondslag ontdekken waarom de FOS-SSGA-regeling toch zou moeten vrijgesteld van het kartelverbod, met welke vaststelling de marktwaarde van de smolt en andere zalmen definitief zakte.

De zaak werd nogal principieel opgevat door de Commissie: zij nam en publiceerde haar beslissing ondanks het feit dat het FOS al in 1991 failliet ging. Daarmee kwam een einde aan het Noorse systeem voor minimumprijzen. Het is echter vaste praktijk van de Commissie om ook in gevallen waarin de inbreuk is beëindigd, een beslissing te nemen als daardoor haar politiek en haar juridische opvatting voor de burgers en het bedrijsleven duidelijker worden. Dergelijke praktijk draagt bij tot de rechtszekerheid.