Proefschrift basis van olympische licentie; d'Ancona zaait twijfel met dreigement subsidie te weigeren

UTRECHT, 18 SEPT. Het dopinglaboratorium van de Universiteit van Utrecht wordt binnenkort waarschijnlijk weer erkend door het Internationaal Olympisch Comité. Wanneer maandag drs. D. de Boer, die de leiding heeft over het laboratorium, promoveert op zijn proefschrift over dopingcontrole en het gebruik van anabole steroïden in de sport, voldoet het instituut aan de normen van de IOC.

De belangrijkste voorwaarde die de beoordelingscommissie aan de olympische accreditatie stelt, is brede wetenschappelijke kennis over de dopingmaterie. Drie jaar geleden werd de licentie ingetrokken. Het laboratorium, dat toen onder leiding stond van prof. dr. J.W. van Rossum, voldeed niet aan de kwaliteitseisen, mede omdat de financiële basis ontbrak. De faculteit farmacie van de universiteit vond het niet de taak van het laboratorium zich met sportdoping en zeker niet met dopingcontroles bezig te houden.

Het ministerie van WVC weigerde het dopinglaboratorium te subsidiëren. Mede omdat de nationale sportbonden geen financiële bijdrage wilden leveren aan het onderzoek naar doping. De meerderheid zegt het aan financiële middelen te ontbreken om een dopingbeleid te voeren.

Minister d'Ancona van WVC zegde toe alleen een bijdrage aan een dopinglaboratorium te leveren wanneer de sportbonden bereid zijn mee te betalen en wanneer het laboratorium zijn olympische accreditatie terugkrijgt. Vandaag dreigde d'Ancona echter tijdens een sportpersdag op Papendal de toezegging in te trekken. “Ik heb nog geen enkel signaal ontvangen dat aan mijn voorwaarden kan worden voldaan”, zei de minister. “Ik kan niet ongedateerd deze reservering aanhouden.”

Drs. De Boer reageerde verbaasd op deze omwenteling. “Ik heb bijna dagelijks contact met mensen van WVC. In het bestuur van het NeCeDo hebben mensen van WVC zitting. Die zijn op de hoogte. Het zal wel een politiek signaal zijn, net na de nieuwe begroting. Een dreigement richting de sportbonden. Nederland heeft zich immers vastgelegd in een Europees dopingconventie, waarin is afgesproken dat de overheid het dopingbeleid van de bonden activeert. Het staat vast dat we in december de IOC-accreditatie krijgen. We kunnen in januari beginnen. Wanneer de overheid de toezegging intrekt, kan dat niet.”

Het olympisch laboratorium is door de Universiteit van Utrecht begroot op 800.000 gulden per jaar. Naast de eventuele subisidie is het laboratorium afhankelijk van de bijdragen van de sportbonden. “Hoe meer controles hoe goedkoper”, verklaart De Boer. Volgens de lererling van prof. Van Rossum bestaat er interesse bij de sportbonden. “Wanneer wij niet kunnen werken, moeten de controles weer naar het buitenland. Reis- en verpakkingskosten maken onderzoek in buitenlandse laboratoria duurder.”

Bij de promotie van De Boer is de Duitse dopingdeskundige prof. dr. Donike als lid van de beoordelingscommissie van het IOC aanwezig. De Boer meent in zijn proefschrift dat gebruik van het hormoon testosteron, een steröide die ook van nature in het lichaam aanwezig is, duidelijk aangetoond kan worden. Testosteron is een populair spierversterkend middel dat herstelbevorderend kan werken bij zware inspanningen, hoewel de meningen bij de wetenschappers daarover uiteen lopen.

De gangbare methode om onderscheid te maken tussen lichaamsvreemd en lichaamseigen testosteron is het bepalen van de verhouding tussen testosteron (T) en épitestosteron (E). De verhouding blijft normaal gesproken altijd beneden een bepaalde grens. Indien iemand een T/E verhouding boven deze grens heeft, dan kan hij of zij een gebruik(st)er worden genoemd. Donike heeft na talrijke onderzoeken de grens bepaald op 6:1.

In het proefschrift toont De Boer aan dat de limiet alleen bij testosteron-gebruik wordt overschreden en dat andere factoren hierop geen invloed hebben. Inspanning en corticosteroden, steroden met onder andere onstekingsremmende effecten, hebben volgens zijn onderzoeken bij zes proefpersonen geen invloed op de verhouding T/E.

De bevindingen van De Boer zijn in strijd de visie van prof. dr. Thijssen, die veronderstelt dat inspanningen invloed kunnen hebben op de verhouding. Thijssen steunt daarmee wielrenner Gert-Jan Theunisse, bij wie tijdens dopingcontroles een paar keer verhoudingen die ver boven de grens lagen werden waargenomen. Totnogtoe is volgens hem niet aangetoond dat de verhouding bij Theunisse de grens heeft overschreden door testosteron-gebruik. Hij gaat er van uit dat een natuurlijke afwijking in combinatie met zware inspanning voor het grote verschil zorgt. Thijssen, die samenwerkt met De Boer, zegt een nieuwe invalshoek te hebben gevonden om Theunisse te rehabiliteren.

Thijssen zal maandag De Boer tijdens de verdediging van diens proefschrift aanvallen op zijn conclusie. Wanneer van de zes proefpersonen bij twee verhoging wordt geconstateerd, twee niets en bij twee een verlaging, dan voert het volgens Thijssen te ver te concluderen dat over het algemeen niets gebeurt. “Individueel kan het wel, gemiddeld in een groep sporters niet. We hebben allebei gelijk.”

De twee personen bij wie een verhoging werd waargenomen zijn geen bekende sporters, zegt De Boer. Dat Theunisse volgens zijn visie testosteron heeft gebruikt, wil hij ontkennen noch bevestigen.

De Boer houdt een pleidooi voor "vals-positieven', sportmensen die een verhoging tussen 6:1 en 10:1 vertonen, om mensen die van nature een afwijking vertonen te beschermen. Hij heeft kritiek op grens (“daarom ben ik aan het onderzoek begonnen”), maar vindt wel dat hij gehandhaafd moet blijven.

Begin dit jaar werd het dopingreglement van het IOC al zodanig veranderd, dat sportmensen tussen 6 en 10 een "herkansing' krijgen. Ze kunnen onderworpen worden aan een (extra) bloedonderzoek. Mede daarom pleit De Boer voor verplichte bloedtesten als supplement. Het IOC heeft dergelijke controles nog niet kunnen invoeren omdat er nog veel juridische en ethische bezwaren heersen.