Nederlandse schrijvers over Spanje; Hier marcheerde de dood

Maarten Steenmeijer: Spanje is anders, uitg. Wereldbibliotheek, 115 blz. Prijs ƒ 24,50

Het Spanje-verlangen. Nederlandse schrijvers over Spanje, samenst. M. Steenmeijer, uitg. Wereldbibliotheek, 183 blz. Prijs ƒ 24,50

Nederlanders komen slecht uit hun woorden, zijn weinig expressief en onelegant. De Nederlander is schaamteloos gretig in het demonstreren van zijn gebrekkige talenkennis en lijdt onder een grote territoriumdrift: “als een schrikachtig schoothondje doet hij overal waar hij komt het ene plasje na het andere (-) om zo de rest van de wereld te laten weten dat dit zijn terrein is”. Wie zich herkent in dergelijke generalisaties over onze volksaard, beleeft misschien ook plezier aan wat Maarten Steenmeijer in zijn boekje Spanje is anders te berde brengt over de Spanjaarden, hun manier van praten, hun kleding en de manier waarop ze omgaan met elkaar, hun kinderen, hun dieren en hun omgeving.

Zo praten ze meer, beter en mooier, en ze “zitten goed in hun vel. Het kost kleren, kapsels en make up weinig moeite wonderen te verrichten op zulke soepele en elegante lijven”. Daar staat dan tegenover dat ze geen enkele behoefte hebben aan privacy en die ook niet bij anderen verwachten, dat ze in het verkeer geen rekening met anderen houden en dat ze onbekommerd hun afval laten slingeren door het grote lege land.

Steenmeijer sluit in zijn karakterisering geheel aan bij het beeld dat reizigers al sinds eeuwen van de Spanjaard schetsen. Maar de schrijver is hispanist en docent aan de universiteit van Nijmegen en brengt al sinds 1973 zijn vakanties in Spanje door. Hij zou dus beter moeten weten. Hij zou bijvoorbeeld oog moeten hebben voor de ingrijpende manier waarop Spanje in de laatste vijftien jaar van gezicht is veranderd. Een verandering die het land in veel, zo niet de meeste opzichten Europeser en dus minder karakteristiek heeft gemaakt. Nog merkwaardiger is het dat hij geen onderscheid maakt tussen Andalusiërs en Basken, Catalanen en Galiciërs - volkeren met heel verschillende gewoontes, een eigen cultuur en eigen taal - of tussen het leven in de stad en op het platteland. Net als in de negentiende-eeuwse romantische literatuur is de Spanjaard bij hem een vage kruising tussen een mondaine Madrileen en een schilderachtige zigeuner uit Andalusië. Als dat type al ooit bestaan heeft, dan bestaat het inmiddels zeker niet meer.

Natuurlijk bestaan er wel degelijk overeenkomsten tussen de Spanjaarden uit verschillende streken en een enkele keer weet Steenmeijer daar ook wel iets raaks over te zeggen. Soms heeft hij het er echter maar wat moeilijk mee. Het katholicisme is hem bijvoorbeeld wezensvreemd. In de kerken ziet hij slechts routineuze priesters en bij processies staart hij naar “stille gezichten waar niets anders van uitging dan kille somberheid. Hier liep niet het leven voorbij, hier marcheerde de dood. Een lelijke dood bovendien.” Je vraagt je af bij welke processies Steenmeijer geweest is, maar dergelijke banale feiten worden in het boek niet vermeld. De schrijver stelt zich gerust met de gedachte dat het katholicisme in Spanje misschien altijd wel in de eerste plaats een bijgeloof (en dus een bijzaak?) is geweest: “Is het toeval dat juist in Spanje, de Mariacultus, die wel héél verre nazaat van het Woord van God, zulke extreme vormen heeft aangenomen en diep verankerd is?” Toeval zeker niet, maar ook geen bewijs voor een heidense aard.

Steenmeijer schrijft in het slothoofdstuk, dat hij nooit in Spanje zou willen of kunnen wonen. Het levensritme van de Spanjaard verschilt namelijk te veel van het zijne. “Wat ik met ritme bedoel omvat veel meer dan de dagindeling, namelijk een verzameling verschijnselen die samen een moeilijk te definiëren geheel vormen dat tot het wezen van een volk behoort: zijn ritme,” licht hij toe. Maar was die definitie nu niet juist het doel van zijn boekje?

Spanje is anders vertelt uiteindelijk minder over het Iberisch schiereiland en zijn bewoners dan over de hoogstpersoonlijke relatie die Maarten Steenmeijer ermee heeft. Daarmee voldoet het uitstekend aan de vraag die het uitgangspunt was voor een andere publikatie, die tegelijkertijd bij dezelfde uitgeverij en onder redactie van diezelfde Steenmeijer verscheen.

Voor Het Spanje-verlangen. Nederlandse schrijvers over Spanje vroeg hij tien journalisten, schrijvers en vertalers, die zich in hun werk uitvoerig met Spanje bezig hebben gehouden, zich uit te spreken over hun Spanje-verlangen. Dat niet iedereen duidelijk voor ogen stond wat hieronder verstaan werd, blijkt uit de grote verscheidenheid aan bijdragen. Kinderboekenschrijfster Els Pelgrom weet het wel: ze verpachtte haar hart aan Granada, en aan een volk dat niet voor elk ding, maar wel voor elk gevoel een woord kent. Zoals voor añoranza, het verlangen naar iets dat verloren ging. Bij de journalist Rik Zaal overheerst in zijn verhalen de snorrende poes van de tevredenheid, terwijl Arjen Duinker twee vrachtwagenchauffeurs een gepassioneerde dialoog laat voeren. Spanje-kenner Cees Nooteboom leverde uit tijdgebrek een hoofdstuk in van zijn nieuwe boek, De omweg naar Santiago, en J.P. Rawie vertaalde gedichten van onder andere Lope de Vega. Chris van der Heijden schrijft over zijn fascinatie voor Spanje, gevoed door de zwarte legende, en vooral over het dorp op de Toledaanse hoogvlakte waar hij ook in werkelijkheid met zijn buren onder een boom zit. Jean Schalekamp beschrijft zijn gevoelens voor Mallorca, het eiland waar hij al tijdens de Franco-dictatuur kwam wonen, waar hij zich thuis en toch altijd vreemdeling voelt. Albert Helman gaat terug naar de tijd vóór de Burgeroorlog - en brengt ons terloops zijn vroege werk in herinnering, een zwakheid waar ook de antropoloog Gerrit Jan Zwier zich aan bezondigt.

De hispaniste Barber van de Pol besluit tijdens haar vakantie in steden en gehuchten naar sporen te zoeken van de zeventiende-eeuwse schrijver Francisco de Quevedo. Na een vermakelijke tocht langs gesloten kerken, afgebroken huizen en mogelijke sterfbedden concludeert ze dat “ik hem in zijn werk moet zoeken. Een schrijver valt niet samen met zijn land, hoe fascinerend het idee ook is”.

Iets vergelijkbaars gaat op voor deze verhalenbundel. Schrijven over het verlangen naar een land, is schrijven over jezelf. Waarom er zo opvallend veel Nederlandse auteurs een bijzondere band met Spanje hebben, blijft een onbeantwoorde vraag. Misschien biedt het land hen gewoon een ruimte die zo groot is dat ze zich niet met definities hoeven te vermoeien.