Opinie

    • Youp van ’t Hek

Monument

Gisteravond las ik dat de FNV gevoetbald heeft tegen het VNO en dat de arbeiders met 7-1 hebben gewonnen. Dus dat wordt volgend jaar toch maar weer hockeyen.

De hele dag loopt de heer Roffel door mijn hoofd. De heer Otto Roffel. Heer Roffel was ooit keeper bij GVAV en dat was in die tijd een drukke baan. Om het daarna wat rustiger aan te doen is hij directeur van het Olympisch Stadion geworden en nu gaat hij, na minstens 20 jaar, met pensioen. Alle ambtenarenregelingen gelden voor de legendarische keeper en Otto zit nu lekker thuis, speelt een beetje met de teletekst, zet eens een plaatje op, repareert het al lang beloofde ruitje in de achterdeur en komt eindelijk aan uitslapen toe. Het juk is van de schouders en de stress koekt niet langer aan de binnenkant van zijn kransslagader. Er wordt gewandeld. Met de hond.

Hedy doet dat ook. Hedy wandelt met de hond. Bij mij in de buurt. Dat is niet toevallig, want daar woont ze. We delen bij voorbeeld groenteman Meijer en daar adviseer ik haar nog wel eens. Als Toneelgroep Amsterdam wat meer geld vraagt, dan vertel ik haar wat ze moet doen en als een danseresje tegen mij klaagt over haar aboninabele salaris dan doe ik daar binnen twee weken iets aan. Meestal volgt ze mijn adviezen trouw op. Ik zeg ook niet van die domme dingen. Zeker niet bij de groenteman. Vorige week stormde Hedy binnen. Een geïrriteerd fronsje boven de ogen, niet kunnen kiezen tussen broccoli en lentepeultjes, de hond onrustig aan de riem en opeens stond er een blik lychees op sap op de toonbank. Ik moest ingrijpen.

“Wat is er?”, pakte ik haar zachtjes vast.

“Is het Olympisch Station een monument?” Ze vroeg het streng en keek me strak aan. Mijn antwoord was beslissend.

Minstens een keer per week kom ik langs de betonnen kolos en altijd knik ik even zachtjes. Er liggen namelijk nogal wat zoete herinneringen in dat bemoste grijs. Ajax-momenten die zonder video-recorder bij me langskomen en altijd moet ik heel stil zuchten. Het stadion wordt provisorisch opgeknapt en gaat daarna voor eeuwig plat. Lijkt me een frustrerend klusje. De overkapping een beurt geven, eigentijds tintje erop smeren en weten dat het over vier jaar tegen de vlakte gaat. Oude weduwe nog een keer poederen voor haar sterfbed. Tot 1996 mag Ajax er nog proberen te schitteren en daarna komen er huizen, honderden premie nogwat woningen.

De Elly van Langenstraat komt uit op het Anton Geesinkplein en vandaar kom je via de Jan Wienesseweg op het Ada Kok-plantsoen. En daar moet ik dan gaan wonen. Ada Kok-plantsoen 36. Een vrolijk gedrempeld woonerf. Ik weet namelijk dat daar, tussen de eettafel en de achterpui, de plek is vanwaar Piet Keizer de bal op 13 april 1969 achter de keeper van Spartak Trnava knalde: 3-0. De doelman droeg nog een trui met rugnummer 1. Waarom was dat zo'n belangrijk doelpunt? Ten eerste omdat het een beslissende goal was (Ajax verloor uit met 2-0) en omdat het Ajax de kans gaf om een finale te oefenen tegen AC Milan. Met boter en suiker werd de club ingemaakt, maar was daarna klaar voor de drie volgende finales die winnend werden afgesloten. Toen begonnen de jaren waar iedereen die nu ouder dan dertig is, weemoedig aan terugdenkt. Wie werden er in het Olympisch geknipt, geschoren en met een ruwe handdoek afgedroogd? Celtic, Atletico, Olympique Marseille, Arsenal, Benfica, Bayern München, Real Madrid. Het beton trilt nog steeds een beetje na.

Zal Ajax dit ooit nog herhalen of is dit in het Berlusconi-tijdperk onmogelijk. Deze ordinaire Milanees heeft een Ajacied van toen duimendraaiend op de bank zitten en dat is niet leuk. Dan ben je een beetje zielig rijk. Ondertussen vut Roffel, schraapt het stadion nog een keer de keel en wordt dan meedogenloos neergehaald door de barbaren van de Stadsdeelraad Zuid en komt er een hoogpolig berbertje op de plek waar ooit Piet Keizer stond.

“Wat mag het zijn?”, zegt de vrouw van groenteman Meijer.

“Monument”, knik ik naar Hedy en ze lacht prachtig en bevrijd.

    • Youp van ’t Hek