Maastricht: een brug te ver?

Wanneer op 21 september en volgende dagen de kranten vol zullen staan van reacties op de uitslag van het Franse referendum over Maastricht, zal niemand mijn stem missen. Ik kan dus rustig voor een paar weken mijn pen neerleggen. Maar op de valreep wil ik toch nog wat zeggen over de invloed van een Frans nee op de ontwikkelingen in Europa.

Betoogd kan worden dat na zo'n nee de twaalf landen van de Europese Gemeenschap gewoon terug zullen keren tot de status quo ante, de toestand zoals die was voor Maastricht; dat, met andere woorden, de verplichtingen voortvloeiende uit eerdere besluiten en verdragen, blijven bestaan en nagekomen worden.

Dus: de EG blijft bestaan; het Europese Monetaire Stelsel (EMS) blijft bestaan; op 1 januari 1993 treedt de interne markt in werking. Sterker nog: niets belet de landen van de Gemeenschap op allerlei terrein gemeenschappelijke actie te ondernemen, ook als er geen gemeenschapsregels zijn die daartoe verplichten.

Dat is, in grote trekken, het standpunt dat premier Major, die op het ogenblik voorzitter van de Gemeenschap is, vorige week in Londen heeft verdedigd. H.W. Sandberg, columnist van Het Parool, is het daarmee eens, blijkens zijn woorden: “Het klinkt pragmatisch en nuchter, en dat is het ook. Maar het staat dichter bij de werkelijkheid dan het steeds weer herhalen van een heilsverwachting die ervan uitgaat dat het creëren van organen en juridische kaders "vanzelf' een gemeenschappelijke politiek baart.”

Ik wilde dat ik het met deze niets-aan-de-handtheorie eens kon zijn. Zeker, de EG zal niet plotseling instorten. Zelfs Europa 1993 zal wel bereikt worden. En wat die heilsverwachting betreft, daar heb ik evenmin als Sandberg ooit in geloofd. Het "Europa der staten' is, althans op politiek gebied, het hoogst haalbare. Ik zou dus geen bittere tranen schreien over een Frans nee, dat het einde van Maastricht zou betekenen. Maar dat wil niet zeggen dat het geen dramatische gevolgen kan hebben.

In de eerste plaats zou het het politieke einde van president Mitterrand en bondskanselier Kohl betekenen. Op z'n minst zullen ze "aangeschoten wild' zijn, niet in staat tot doeltreffende actie. Dat betekent, in het Franse geval, een politiek die meer dan ooit uit is op bescherming van gevestigde belangen. Overigens zou het gevolg van een ja met de hakken over de sloot niet veel anders zijn.

De gevolgen voor Duitsland lijken nog dramatischer te zullen zijn. Kohl is bijna zeker de laatste "Europese' bondskanselier. Na een Frans nee zullen de Duitsers, met of zonder Kohl, niet meer bereid zijn tot concessies aan de Fransen (die zulke anti-Duitse argumenten pro en contra gebruikt hebben in de campagne) om Europa tot een succes te maken.

De Economische en Monetaire Unie, die zij gelijkstellen met een capitulatie van de D-mark (het symbool van hun macht en welvaart), zal voor lange tijd van de baan zijn. Wat waarschijnlijk ook van de baan zal zijn, zijn de overdrachten aan de arme leden-staten, zoals Spanje en Portugal. Maar aangezien die overdrachten voor hen voorwaarde waren voor hun instemming met uitbreiding van de Gemeenschap, zullen Zweden en Oostenrijk voorlopig niet toetreden, maar - wat erger is - ook, op langere termijn, de Oosteuropese landen niet. Die worden dus door Europa in de steek gelaten.

En zou het uitblijven van de EMU een ramp zijn? Er bestaan, niet alleen bij de Duitsers, grote bezwaren tegen, maar het vooruitzicht ervan heeft nu al een zekere disciplinerende werking gehad op Spanje en Portugal, ja zelfs op Griekenland en Italië (nog nauwelijks op België!). Immers, voldoen ze niet aan de stringente voorwaarden die aan toetreding verbonden zijn, dan mogen ze niet meedoen. Komt de EMU er niet, dan valt ook die stok achter de deur weg en staan de sluizen voor inflatie open.

Dit alles kan gebeuren terwijl de verplichtingen die voortvloeien uit eerdere verbintenissen, gewoon blijven bestaan. Maar het is een illusie te denken dat de sfeer in de leden-staten niet onverschilliger, zo niet vijandiger, ten opzichte van Europa - ja, ten opzichte van elkaar - zou worden en dus niet ook de nakoming van die verplichtingen op den duur zou aantasten.

De ironie van de geschiedenis wil dat het dan de Britse en, na 1 januari, Deense voorzitters zullen zijn die de scherven bijeen moeten vegen en moeten zorgen dat het acquis européen - dus wat er vóór Maastricht bereikt is - niet eveneens naar de knoppen gaat, integendeel: nieuwe dynamiek krijgt. Het is moeilijk hier optimistisch over te zijn.

En toch zal, in een ander opzicht, de uitslag van het Franse referendum weinig invloed hebben op een ontwikkeling die in Europa, meer in 't bijzonder in Duitsland, gaande is. De reusachtige interne spanningen die de nog lang niet voltooide Duitse hereniging oproept, zullen doorgaan - Frans ja of Frans nee. Dit is een autonoom proces, dat de buitenwereld tot dusver onderschat, zo niet genegeerd, heeft.

Maar dat autonome proces heeft wel al, door de massale kapitaalsoverdrachten van West- naar Oost-Duitsland, de wereldeconomie, voor zover afhankelijk van de D-mark, onder druk gezet. Een Frans ja zou daar niets aan veranderen. Een Frans nee zou de toestand op z'n hoogst wat verergeren.

Zorgwekkender nog is de psychische toestand in Duitsland: de tegenstelling tussen een totaal geruïneerd, mokkend, gefrustreerd, zo niet wanhopig oosten en een westen dat steeds minder bereid is welvaartsoffers te brengen ten bate van het oosten. Geen van beide grote partijen heeft greep op deze ontwikkeling.

Voeg daarbij de instroming van honderdduizenden vreemdelingen, en een massale afkeer van de politiek is niet ondenkbaar - niet omdat de Duitsers onverbeterlijk zijn, maar omdat zich daar in geconcentreerde vorm voordoet wat elders ook broeit.

In elk geval zullen de Duitsers, zolang dit interne proces voortduurt, weinig bereid zijn ook nog aandacht te besteden aan de wensen en behoeften van hun buren (waaraan zij vroeger al zo vaak tegemoet zijn gekomen). Wat dit betreft zou, ook na een Frans ja, wel eens kunnen blijken dat, met Maastricht, het Europese integratieproces een brug te ver is gegaan.