Ligt het Nederlandse hart eigenlijk wel bij de Europese integratie?

Het debat over het Verdrag van Maastricht wil hier maar niet op gang komen. Nederland sukkelt tamelijk gedachteloos de Europese Politieke Unie binnen. Zesde deel van een serie over "Maastricht' en Nederland.

DEN HAAG, 18 SEPT. Aan de al geruime tijd binnen de Nederlandse "classe politique' opklinkende oproep tot een debat over Europa en over het verdrag van Maastricht is weinig gehoor gegeven. VVD-leider Frits Bolkestein deelt af en toe plaagstoten uit, provoceert een beetje. PvdA-fractieleider Thijs Wöltgens zet voorzichtig wat vraagtekens bij verdere integratie en in de ingezonden-stukkenrubrieken van kranten treft men voornamelijk vage onmin aan over de mogelijke teloorgang van de Nederlandse cultuur, de Nederlandse eigenheid, als gevolg van "Maastricht'.

De Tweede Kamer pept zich af en toe op tot een discussie, waarbij de bekende zorgen over het democratische deficit, over het Europa van de burgers en over de noodzakelijke invloed van de kleine lidstaten als in een gebedsmolen worden herhaald. Hoeveel losse eindjes er ook blijven hangen over bijvoorbeeld handhaving van controles aan de grenzen, de cohesiefondsen of zelfs de landbouwuitgaven, als de toegewezen discussietijd is verstreken, gaan de volksvertegenwoordigers zonder een duidelijk geformuleerd besluit te hebben genomen terug naar hun werkkamers.

Nederland sukkelt tamelijk gedachteloos de Europese Politieke Unie binnen.

Volgens een NIPO-enquête deze week is 41 procent van de Nederlanders voorstander van ratificatie, maar slechts 3 procent van de ondervraagden wist wat het verdrag inhield. Iets van deze gedachteloosheid, waarmee Nederland tot nu tot met "Maastricht' is omgegegaan, vindt men ook terug in de redevoering van minister Van den Broek van buitenlandse zaken, gisteravond in Leiden. Maastricht, zei hij daar, luidt een “een adempauze” in de verdieping van de integratie in en het duurt misschien wel tot de volgende generatie, voordat de draad van verdere eenmaking weer echt wordt opgepakt.

Negen maanden nadat de Nederlandse regering het verdrag heeft ondertekend, komt de verantwoordelijke minister tot de conclusie dat het verdrag van Maastricht eigenlijk iets anders is dan waar velen nu juist zo bang voor zijn. Het is géén programma voor verdergaande integratie, maar het verdrag luidt daar juist via het kernbegrip "subsidiariteit' het voorlopig einde van in. Heeft iedereen, met inbegrip van de ondertekenaars, het verdrag dan verkeerd begrepen?

De gedachte dat het proces van steeds verdere integratie een wending heeft genomen, is gebaseerd op het tweede lid van het beroemde artikel 3B in het verdrag, dat als volgt luidt: “Op gebieden die niet onder haar exclusieve bevoegdheid vallen, treedt de Gemeenschap, overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel, slechts op indien en voor zover de doelstellingen van het overwogen optreden niet voldoende door de lid-staten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve wegens de omvang of de gevolgen van het overwogen optreden beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt”.

Krachtens hun aard zullen de Europese Commissie en de erbij horende bureaucratie verder blijven proberen maatregelen te nemen van het type eenheids-jampot of algemeen Europees keurmerk. Met artikel 3B kan men hun effectief de pas afsnijden. Subsidiariteit betekent: geen Europees keurmerk meer, maar wederzijdse erkenning van elkaars keurmerken. Niet meer "ja, mits', maar een "nee, tenzij' tegen integratie.

Waar ligt de oorzaak van dit vage zicht op Europa? In het feit dat we "Europa' de afgelopen decennia hebben overgelaten aan ambtenaren, aan departementen, aan de rekenaars en kasboekhouders? Soms kan de indruk ontstaan dat de Europese samenwerking en haar consequenties te groot zijn voor het denkraam van de Nederlandse politiek, althans niet geheel passen op de traditionele houding van ons land tegenover de wereld. Nederland droomde tot nu toe over een Europa van eenheid, van gedeelde macht, een Europa van economische voorspoed, een federale rechtsgemeenschap, een Europa waarin de groten iets kleiner zijn en de kleinen iets groter, een Europa zonder tol en hefbomen. De rol die het sinds de oprichting van de Gemeenschap in 1957 daarin zelf vervulde, was er dan ook een van legalisme, van het zich precies aan afspraken houden, van nauwgezet uitvoeren. Nederland volgde een ideaalbeeld.

Maar was het wel zo met z'n hart bij de Europese integratie? Verhulde deze opstelling van "de beste van de klas' te willen zijn niet juist dat de meeste liefde uitging naar de Atlantische wereld? Want bij de Britten, de Amerikanen, de Noren, de Denen, de Canadezen voelde men zich mentaal thuis, beter dan bij Italianen en Grieken, beter dan bij de "nationalistische' Fransen en zelfs beter dan bij de in Nederlandse ogen altijd cynisch opererende Belgen, die handig tussen de machtspolitieke aspiraties van de grote lidstaten doorlaveren en het spel van de wisselende coalities beheersen.

Met de Duitsers wilde Nederland de relatie beperken tot het economische vlak. Duitsland was de belangrijkste handelspartner, het achterland, maar politiek sloot Nederland zich aan bij de houding van bezetter die de grotere Europese landen tot de opening van de Muur innamen. Duitsland werd beschouwd als een economische reus op politiek lemen voeten, een bron voor welvaart, maar politiek een potentieel gevaar. Duitsland moest in Europa worden geïntegreerd om het te beschermen tegen zichzelf. De echte idealen lagen voor Nederland niet in Europa. Behoudende Nederlanders vonden deze in de Verenigde Staten, links Nederland keek naar Havana of Managua, en alleen naar Duitsland als er tegen de Berufsverbote geprotesteerd moest worden.

Nederland was een "Atlantisch eiland' op het continent van Europa, soms zelfs een bruggehoofd en het oriënteerde zich op de gevoelswereld van de Angelsaksen om op het continent ongestoord een eigen stek te kunnen inrichten. Europa bood daarbij het economische draagvlak: handel, industrie en dienstverlening maakten een verzorgingsstaat mogelijk die vrijwel nergens zijn gelijke vindt, zeker niet in Angelsaksische delen van de wereld. De overheid werd de arbiter voor de verdelende rechtvaardigheid, de architect van een sociaal vangnet en een egalitair inkomensgebouw. De rijken werden minder rijk, de armen minder arm, de verzorgingsstaat ruimhartiger dan in Duitsland, België, Frankrijk en Engeland.

In dit Nederlandse "stekkie' is alles geregeld, in alles voorzien zoals afgesproken. Politiek en bureaucratie waken over het consensusmodel dat grote bestaanszekerheid biedt en kleine marges voor verandering. Maar politiek zat Europa vol gevaren, was het een bos met huilende wolven. Nederland ontwikkelde een naoorlogse identiteit die meer met de vooroorlogse neutraliteit te maken had dan het lidmaatschap van de EG en van de NAVO deden vermoeden. Nederland hechtte meer aan zijn eigenheid dan het naar buiten liet blijken, het etaleerde vaak een "internationale pretentie', maar koesterde vooral de regels in het eigen huis.

Het justitiële beleid was liberaler met een gedogende overheid en een gebonden zwaard. Het drugsbeleid kreeg vermaardheid in de hele wereld. De criminaliteitsbestrijding was omzichtiger, de positie van de verdachte beter afgeschermd, de behandeling van delinquenten therapeutischer. En identiteitscontrole - in buurlanden al een vanzelfsprekendheid - is hier nog altijd een gevoelige zaak. De sociaal-economische regelgeving omzwachtelt het Nederlandse overlegmodel, de overheid masseert de sociale partners tot er een consensus is, op de gewenste CAO een AVV kan volgen. Voor vakbonden biedt het Nederlandse overlegmodel meer bescherming dan de Europese ruimte.

Ook voor vakbonden is Europa ver weg, een bond uit een buurland een concurrent op de Europese arbeidsmarkt, een Europese CAO - die in een ver verschiet ligt - het einde van zijn macht. Ook in buitenlands beleid heeft Nederland altijd aan zijn eigen accenten gehecht, een beetje meer voor Israel, een beetje meer tegen Zuid-Afrika. Het ontwikkelingshulp-beleid werd een speeltuin van goede bedoelingen, morele imperatieven belangrijker vaak dan resultaten. De emancipatie van de vrouw werd een speerpunt in islamitische landen, bewustwording een middel de wereld te verbeteren.

En Nederland had zijn omroepbestel, uniek in de wereld, pluriform als nergens. Alle gezindten kwamen aan bod. Voor Hilversum is Europa al jarenlang een gevaar. En als we door omstandigheden gedwongen worden iets te veranderen, het sociale stelsel aanscherpen, de criminaliteit harder bestrijden of het asielrecht beperken, willen we het wel zélf doen, en niet dat het vanuit Brussel wordt gedaan.

Nederland was in Europa geen lidstaat met een verwaterde nationale identiteit, maar een natie-staat die in de andere, grotere natie-staat op het continent, Frankrijk, zijn politieke opponent vond. Nederland wilde een federaal Europa, niet een Directoire, het wilde een rechtsgemeenschap en niet een gemeenschap waar de besluiten worden genomen in onderonsjes tussen de groten, het wilde handel op het continent, geen protectionisme. Frankrijk en Nederland waren de twee echte natiestaten waarvan de een zich in Europa projecteerde om aan zwaarte te winnen, en de ander zich juist aan het politieke spel in het Europese concert probeerde te onttrekken. De vooroorlogse neutraliteit maakte plaats voor een hang naar afzijdigheid, in een beschermde omgeving.

Voor EG-voorzitter Nederland was het vorig jaar logisch een federaal Europa als basis van een nieuw verdrag te nemen. Federalisme zou garant staan voor de rechtsgemeenschap, de bescherming van de kleinen tegen de groten, onder welke niet alleen Frankrijk maar ook het verenigde en meer zelfbewuste Duitsland. Brussel zou meer dan voorheen hét besluitvormingscentrum moeten worden om te voorkomen dat Bonn, Parijs en Londen de zaken onderling zouden regelen. Het ontwerp-verdrag belandde in de prullebak, Nederland kreeg alleen een beetje steun van België, en zong na black monday een aanzienlijk toontje lager. De opzet voor een federale rechtsgemeenschap werd de grond ingeboord.

Na black monday heeft Nederland Europees politiek maanden rondgedoold, wist het niet meer welke positie het moest innemen en zag het in "Maastricht', nu naar Luxemburgs model, een laatste kans op eerherstel. De politieke essentie van het verdrag ontging inmiddels zeer velen in Den Haag en daarmee ook de meerderheid van de Nederlanders die het verdrag niet kent en die nog steeds met het idee rondloopt dat ze door Maastricht meer dan voordien haar identiteit moet beschermen. Terwijl in werkelijkheid, behalve voor de interne markt, in Maastricht het instrument - subsidiariteit - werd geschapen om verdere integratie tegen te houden en als gevolg van de referenda in Denemarken en Frankrijk dat ook inderdaad zal gebeuren. Mensen die bang zijn voor het verlies van de nationale identiteit zien, zoals premier Major het vorige week uitdrukte, "spoken'.

    • Rob Meines
    • Derk-Jan Eppink