Lidmaatschap van EG verdeelt Noorwegen

Vissers en boeren voorkwamen twintig jaar geleden dat Noorwegen het lidmaatschap van de EG aanvroeg. Nu Zweden en Finland zich wel hebben gemeld als kandidaatleden, overwegen de Noren andermaal een aanvraag. Oude wonden worden opengereten.

In een beschutte baai met kristalhelder water bij het eilandplaatsje Sommeroy bereidt de Noorse visser Borre Hansen zich voor op zijn vertrek. Morgen zal hij met zijn middelgrote boot met een vijfkoppige bemanning koers zetten naar de wateren voor de kust van de provincie Finnmark in het hoge noorden van Noorwegen om daar op kabeljauw te vissen.

Al eeuwen voorzien de bewoners van dit gebied in hun levensonderhoud met het bevissen van de Atlantische Oceaan. En dat willen ze met hulp van de Noorse regering zo houden. Indringers van buitenaf dulden ze niet. Een Noors lidmaatschap van de Europese Gemeenschap is voor hen dan ook uit den boze. “Als Noorwegen lid wordt van de EG, zal het vanuit Brussel worden bestuurd”, meent Borre Hansen. “We zullen onze bevoorrechte positie verliezen en er zullen grote Spaanse en Portugese trawlers komen die onze vis weghalen. We zijn bang dat we dan aan het kortste eind trekken.”

De 29-jarige Hansen heeft veel te verliezen. Vier jaar geleden kocht hij met een forse lening zijn boot voor vijf miljoen Noorse kronen (zo'n anderhalf miljoen gulden). Het kostte hem de afgelopen jaren al grote moeite het hoofd boven water te houden, want de door de Noorse regering opgelegde vangstquota waren mager. Winst heeft Hansen sinds de aankoop van zijn boot nog niet gemaakt. Als de buitenlandse concurrentie vrij spel zou krijgen, zou de spoeling voor hem en zijn collega's nog dunner worden.

Ook zou dan de klad kunnen komen in de rijkelijke hulp die plaatsjes als Sommeroy vanuit Oslo krijgen. Zo is er met behulp van miljoenen kronen staatssteun aan het eind van de jaren zeventig een enorme brug gemaakt die het eilandje met een bevolking van slechts enkele honderden zielen met de buitenwereld verbindt. Het is slechts een van de vele kostbare infrastructuurprojecten die de Noorse regering in het hoge noorden van het land heeft uitgevoerd.

Enkele tientallen kilometers verderop staat aan een fjord een tiental boerderijen, met daaromheen wat armetierige aardappelveldjes en aardbeibedden. Bij een boerderij staan in een wei achttien koeien, een aantal waarover de gemiddelde Nederlandse veehouder slechts meewarig zou glimlachen maar waarvan hun Noorse collega's dank zij vette subsidies van de regering goed kunnen leven. “Van onze boerderij kunnen twee mensen, mijn broer en ik, leven”, zegt de jonge boerin Helga Nordgard. “De regering vult ons inkomen steeds aan met een bedrag dat afhangt van de omvang van ons bedrijf en ze geeft ons ook elk jaar een cheque zodat we iemand kunnen huren die tijdens onze vakantie op de boerderij kan passen.”

Moeizaam is het agrarische bestaan hier, ruim boven de Poolcirkel, wel, geeft Nordgard toe: “We kunnen door ons klimaat maar vijf maanden per jaar echt op het land werken. Bovendien groeit hier minder gras, zodat je gemiddeld ruim twee keer zoveel land nodig hebt per koe als in het zuiden van Noorwegen. Maar hier staat tegenover dat we weinig pesticiden hoeven te gebruiken en de kwaliteit van onze produkten uitstekend is”. Helga's familie oefent al zeven generaties, in totaal zo'n tweehonderd jaar, het boerenbedrijf uit aan de fjord. Haar echtgenoot is geen boer, maar werkt bij een bank. Veel boeren in het noorden zorgen dat ze niet alleen van hun vee of land hoeven te leven.

Een lidmaatschap van de Europese Gemeenschap is voor Helga een schrikbeeld. De EG zou naar alle waarschijnlijkheid geen genade kennen voor de zeer hoge Noorse landbouwsubsidies, die op die van Zwitserland na de hoogste van Europa zijn. “Als Noorwegen lid zou worden, dan moet ik al mijn koeien slachten”, voorspelt ze somber.

Pag 14: Noorse werkgevers willen in EG; "Als we buiten de EG blijven, verhuizen onze grote bedrijven naar het buitenland'

De vissers en de boeren in het hoge noorden zijn nog steeds het belangrijkste bolwerk tegen de Europese Gemeenschap in Noorwegen. Twintig jaar geleden vormden ze al de kern van de beweging die met succes campagne voerde tegen een Noors lidmaatschap. Met een krappe meerderheid verwierpen de Noren toen bij referendum het voorstel om zich bij de EG aan te sluiten. Na 1972 volgde er een lange pauze, waarbij het land dat bitter verdeeld was geraakt door de kwestie, op adem kon komen.

Nu de buurlanden Finland en Zweden zich echter officieel hebben aangemeld als kandidaatleden van de EG, worden de oude wonden weer opengereten en dreigen de anders zo op harmonie gestelde Noren opnieuw in een traumatische strijd verzeild te raken. De minderheidsregering van premier Gro Harlem Brundtland heeft duidelijk gemaakt dat ze wil aansturen op een Noors lidmaatschap van de EG. Tijdens een partijcongres begin november zal de Arbeidspartij van Brundtland naar verwachting instemmen met een plan om nog voor het einde van het jaar het lidmaatschap van de EG aan te vragen, zodat Noorwegen op een zelfde behandeling van de EG kan rekenen als zijn Scandinavische buren, Oostenrijk en eventueel ook Zwitserland. Stelt Oslo een lidmaatschapsaanvraag uit, dan dreigt het pas in een veel later stadium met minder hoog ontwikkelde landen als Polen en Hongarije aan de beurt te komen. Meldt Noorwegen zich aan als lid, dan zal ongetwijfeld een nieuw referendum volgen.

Het indienen van een aanvraag zou het Noorse bedrijfsleven zeer verheugen. “Landen als Duitsland en Groot-Brittannië zijn nu al belangrijker handelspartners voor ons dan Zweden”, zegt Inger Aarvig van de werkgeversorganisatie NHO, die tachtig procent van de Noorse ondernemers vertegenwoordigt. “Het Noorse bedrijfsleven en de industrie zijn al zeer geïntegreerd in de economie van de EG-staten. Als we buiten de EG blijven, zullen waarschijnlijk onze grote bedrijven naar het buitenland verhuizen.” Bang om de concurrentiestrijd aan te gaan met de bedrijven in de EG-staten is de Noorse industrie volgens Aarvig geenszins. Althans de grote bedrijven niet. Sommige kleinere firma's, wil Aarvig wel toegeven, hebben er een hard hoofd in. Dit geldt in het bijzonder voor de voedingsmiddelenindustrie.

Voor de grote afkeer van de EG in Noord-Noorwegen hebben de werkgevers geen begrip. Volgens hen is het onzin dat de EG de subsidies voor de noordelijke regio zou willen stopzetten en heeft men in Brussel al erkend dat de zogeheten "Arctische landbouw' recht heeft op meer overheidssteun dan andere gebieden. Wellicht het belangrijkste argument voor Noorse deelname aan de EG is echter volgens de NHO dat de rijkelijke subsidies voor het noorden slechts kunnen worden voortgezet indien de Noorse industrie voldoende geld verdient. En dat kan op termijn alleen worden gewaarborgd wanneer Noorwegen tot de EG toetreedt, zeggen ze. Nu het economische klimaat in Noorwegen wat minder gunstig is dan de afgelopen jaren gebruikelijk was, zal het de NHO misschien wat lichter vallen de sceptische Noren hiervan te overtuigen.

Ook professor Martin Saeter van het Noorse Instituut voor Buitenlandse Betrekkingen, het Noorse Clingendael, is een overtuigd voorstander van een lidmaatschap van de EG. Hij meent dat het uiterst onwenselijk is indien Noorwegen, afgezien van IJsland, als enig Noords land buiten de Gemeenschap zou blijven. De Noordse samenwerking, waaraan de Scandinaviërs erg hechten, zou erdoor worden bemoeilijkt. “Als Zweden bij voorbeeld wel lid zou zijn van de EG en wij niet, dan zou Zweden ons volgens de regels van Brussel als een "derde land' moeten behandelen”, aldus Saeter.

Het verzet tegen een lidmaatschap van de EG gaat bovendien volgens Saeter voorbij aan het feit dat de integratie van Noorwegen in de EG-staten door het recente akkoord over de zogeheten Europese Economische Ruimte tussen de EG en de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA, waarvan de Scandinavische landen lid zijn en ook Zwitserland en Oostenrijk) al goeddeels is beklonken. Dit akkoord legt aan Noorwegen talrijke verplichtingen op, ook op het terrein van de landbouw en de visserij, om zijn wetgeving in overeenstemming te brengen met die van de EG. “Veel mensen zijn zich hiervan nog niet bewust, het zal een onaangename verrassing voor hen zijn als ze dit eenmaal beseffen”, stelt Saeter, die verwacht dat het akkoord niettemin volgende maand door het parlement zal worden geratificeerd.

Als Frankrijk "ja' zegt tegen het verdrag van Maastricht en Zweden en Finland inderdaad lid worden van de EG, dan is het de Noren volgens Saeter bijna onmogelijk het voorbeeld van hun buurlanden niet te volgen. Hij meent dat de Noren dan eieren voor hun geld zullen kiezen. “In het gunstigste geval zou Noorwegen al in 1995 lid kunnen zijn van de EG”, vermoedt Saeter.

Zo ver is het echter nog lang niet. In Oslo en directe omgeving mag een duidelijke meerderheid voor de EG zijn, elders in het land is dat bepaald niet het geval. En anders dan in de meeste andere landen is de periferie in Noorwegen zeer sterk, sterker zelfs volgens velen dan het centrum in Oslo. Hiervoor zijn historische factoren verantwoordelijk. Eeuwenlang werden de Noren overheerst door de Denen en later door de Zweden. In de negentiende eeuw werd het land onder supervisie van de Zweden vanuit Oslo - het toenmalige Christiania - bestuurd. Onder de boeren en vissers in het noorden en westen van Noorwegen bestond een diep wantrouwen tegen het vreemde gezag in Oslo en in de loop van de jaren groeide dit uit tot een samenhangende oppositiebeweging, waarbij ook intellectuelen uit de steden zich aansloten.

Toen Noorwegen in 1905 eindelijk volledige onafhankelijkheid verkreeg, was dit dan ook vooral een overwinning van de randgewesten. Tot op de dag van vandaag zijn daarvan de gevolgen voelbaar. In het Storting, het Noorse parlement, zijn de dun bevolkte noordelijke gewesten naar verhouding zeer oververtegenwoordigd: een stem in het noordelijke Finnmark is nog steeds bijna twee keer zoveel waard als een stem in Oslo. Juist de randgewesten voelen er niets voor de met moeite verkregen Noorse onafhankelijkheid weer uit handen te geven.

De blijvende invloed van de periferie gaat ook dieper. In de Noorse identiteit blijft het platteland een vooraanstaande plaats innemen. De Noren zien hun land niet in de eerste plaats als een moderne, verstedelijkte samenleving maar als een land van mooie natuur en rustige landelijke streken. Meer dan de helft van de Noren heeft wel ergens een buitenhuisje.

Op grond van deze instelling was het voor de Noren dan ook vanzelfsprekend om grote sommen geld naar de randgewesten over te hevelen, vooral naar het noorden. Anders dan in het meer gecentraliseerde Zweden, waar men na de Tweede Wereldoorlog de bevolking in noordelijke streken juist aanmoedigde om naar het geïndustrialiseerde zuiden te trekken, stelden de Noren alles in het werk om hun noordelijke gewesten bevolkt te houden. Via subsidies, die steeds vetter werden naarmate meer olie werd gewonnen op zee, probeerde men mensen te lokken en vast te houden. Een van de meest opzienbarende gesubsidieerde projecten was de vestiging van een nieuwe universiteit in de stad Troms⊘, waar tegenwoordig zo'n 6.000 studenten zitten. Maar ook het onderhoud van de wegen en bruggen kost in deze streken elk jaar een fortuin. Dank zij de overvloedige steun is armoede op het Noorse platteland een onbekend verschijnsel.

Een belangrijke reden om het noorden bevolkt te houden, die ook veelvuldig wordt genoemd, is dat dit in het strategische belang van Noorwegen en het Westen is. Op het schiereiland Kola, dat aan Noord-Noorwegen grenst, hebben de Russen immers ondanks het einde van de Koude Oorlog nog steeds enorme militaire installaties staan. Het zou veel gemakkelijker voor de Russen zijn, redeneren veel Noren, om in het Noorden op te rukken als daar geen mensen woonden.

Ondanks de omvangrijke steun voor het noorden blijven de noorderlingen de mensen in het verre Oslo (voor veel noordelijke plaatsen op meer dan 2.000 kilometer afstand gelegen) met wantrouwen bejegenen. “Ze zijn arrogant, ze denken dat alles wat ons land produceert aan hen te danken is, maar dat is helemaal niet zo”, zegt boerin Helga Nordg ard. De beweging "Nei til EF' (nee tegen de EG) is sterk in het noorden. Voor veel jongeren spelen daarbij ook niet alleen economische factoren een rol. De 20-jarige Tore Gjerstad, de enige bezoldigde werknemer in het kantoortje van "Nei til EF' in Troms⊘, werd geboren in het jaar van het roemruchte referendum, zoals hijzelf onmiddellijk vertelt, en groeide op de Lofoten op, een van de sterkste vissersbolwerken tegen de EG. Voor hem is de EG synoniem met ruig kapitalisme, dat de natuur en de mensen niet ontziet.

“Het zuivere kapitalisme is gecentraliseerd en dat is niet goed voor het noorden van Noorwegen”, meent deze beginnende student sociologie. “De EG gaat nog steeds uit van het groeiconcept en dat is verwerpelijk.” Veel links georiënteerde Noren hebben geen enkel vertrouwen in de EG, die volgens hen slechts vervuilt en tot werkloosheid leidt.

De beweging "Nei til EF' is in korte tijd uitgegroeid tot de op een na grootste politieke organisatie in Noorwegen met 107.000 geregistreerde leden en overal lokale afdelingen. Tot dusverre lopen de zaken zeer naar wens voor de tegenstanders van de EG. De opiniepeilingen van de laatste maanden laten zien dat ruim 40 procent van de Noren tegen toetreding tot de EG is, terwijl zo'n 30 procent voor is en de overigen nog geen standpunt hebben.

Ook als Zweden en Finland zouden toetreden tot de EG, dan hoeft dat geen garantie te zijn dat de Noren dat ook zullen doen. “U moet wat de Noren betreft één ding goed begrijpen”, verklaarde minister van buitenlandse zaken Thorvald Stoltenberg onlangs in een gesprek met The Guardian. “Als je te hard probeert ze te vertellen hoe ze iets moeten doen, dan zullen ze zich omkeren en juist het tegenovergestelde doen.”

    • Floris van Straaten