Leeggestorte archieven; Venema's laatste deel over schrijvers en uitgevers in de oorlog

Adriaan Venema: Schrijvers, uitgevers & hun collaboratie IV. Uitgevers en boekhandelaren. Uitg. De Arbeiderspers, 574 blz. Prijs ƒ 95,-

Adriaan Venema heeft zijn opus over de oorlogshouding van schrijvers en uitgevers voltooid. Wat begon als een klopjacht op misstappen en naoorlogse draaierijtjes, loopt nu met een sisser af. Na de pikante feiten, halve waarheden, verdachtmakingen en suggestieve verbanden uit de drie eerdere delen valt over het slotdeel weinig publicitair rumoer meer te verwachten. Goed, er zijn foute boeken verschenen bij destijds gerenommeerde uitgeverijen als Gottmer en Strengholt - en Venema doet nog een half verzandende poging om Hans Warren in diens eerste Geheim dagboek te betrappen op dingen die de dichter op de opgegeven datum nog niet had kunnen weten. Maar de schrille hoge-bloeddruk-toon is verdwenen en in de laatste alinea van zijn slotdeel is de onderzoeker zelfs opvallend bedeesd geworden. “Ik heb getracht materiaal te verzamelen en te ordenen, materiaal waarvan men kan vrezen dat het anders, aangetast door de tijd, zou zijn verdwenen,” schrijft hij.

Dat was alles, blijkbaar.

Laat ik dus mijn best doen hem op dat bescheiden streven te beoordelen. Materiaal verzamelen, ja, dat kan hij als de beste. De dossiers moeten werkelijk huizenhoog naast zijn toetsenbord hebben gestaan. Geen briefje, geen artikeltje, geen kladje, geen rapportje zo onnozel of Venema heeft er de hand op gelegd. En hij citeert het allemáál, ook dingen die er absoluut niet toe doen. Want - en daar komt zijn tweede ambitie - van ordenen heeft de nijvere publicist volstrekt geen kaas gegeten. Eerder is over Venema geschreven dat hij als een wildeman met kippedrift om zich heen slaat. Ik ben, op basis van zijn laatste boek, eerder geneigd hem een drenkeling te vinden die proestend boven water tracht te blijven, maar uiteindelijk verzuipt in zijn onderwerp. En helaas wordt de lezer daarin reddeloos meegetrokken, reeds halverwege de uitputting nabij en langzaam maar zeker het zicht verliezend op wat er eigenlijk verteld had moeten worden.

Meer dan in de vorige delen dwingt Venema zijn verhaal nu in een chronologisch keurslijf. Het gevolg is dat zijn boek wemelt van de stoplappen: “zoals we al zagen”, “we zullen nog zien”, “we komen hem nog tegen”, “we kwamen hem al tegen”. Het is één en al gewirwar van flashbacks en flash forwards. Soms weet hij ook zelf nauwelijks meer wat hij al heeft verteld en wat er nog verteld moet worden. “We hebben in het aan Vestdijk gewijde deel gezien dat Ludwig Tügel lezingentoernees door ons land maakte,” meldt hij op pagina 125. En op pagina 301 staat: “We hebben in het aan Vestdijk gewijde deel gezien dat Ludwig Tügel hier lange tijd verbleef.” Op de pagina's 103 en 277 wordt triomfantelijk precies hetzelfde citaat uit de hoge hoed getoverd.

Elders schrijft hij hele passages uit vorige delen (bijvoorbeeld over Steven Barends en George Kettman) letterlijk over. Of de golven slaan hem zodanig om het hoofd dat hij zichzelf tegenspreekt. Pagina 161: “Kettman daarentegen tekende in deze maand het contract voor (-) Der Mythos des XX. Jahrhunderts van Alfred Rosenberg en huurde voor de vertaling Steven Barends in, een voor de hand liggende keuze daar Barends zoveel eer met zijn vertaling van Hitlers Mein Kampf had ingelegd.” En op pagina 237: “Waarom Kettman overigens de vertaling van Rosenbergs boek aan Barends heeft gegeven, is een raadsel.”

Nee, schrijven kan Adriaan Venema niet. “Maar deze situatie, de gebeurtenissen die volgden op de eerste maanden van verdoving, zijn elders al uitputtend behandeld en als we snel willen komen tot het eigenlijke onderwerp van dit deel van de studie, dan zullen we zien dat de uitgevers - en hadden we anders mogen verwachten - niet wezenlijk verschilden van de andere burgers.”

Machteloos stilistisch gestuntel is het allemaal. “Het lijkt verwarrend, maar wat ik bedoel te zeggen is...” begint hij ergens - en dan volgt er een woordenkluwen waaruit nauwelijks een zinnig woord te distilleren valt. Telkens zie ik de auteur voor me als iemand die met een hoogrooie kop de kamer binnenstuift en alles tegelijk wil vertellen. “Adriaan, Adriaan...,” wil ik dan sussend ingrijpen, “ga nou eerst eens even rustig zitten en begin bij het begin...”

Mag die execrabele stijl zo doorslaggevend zijn voor een oordeel over dit slotdeel van Schrijvers, uitgevers & hun collaboratie? Jammer genoeg wel. Over de vorige delen kon nog worden beweerd dat Venema een uitputtende inventarisatie had gemaakt van alle dommigheden en bangigheden die tijdens de oorlog het optreden van veel schrijvers hebben gekenmerkt. Men kon schamperen over of protesteren tegen zijn verontwaardigde toonzetting, men kon hem bekritiseren om zijn volstrekte gebrek aan inleving, men kon hem zelfs beschuldigen van selectief citeren, maar men kon niet ontkennen dat hij veel - en vaak onthullend - materiaal had verzameld. In dit slotdeel stort hij alleen nog wat uitgeversarchieven leeg, maar de nieuwe details over verkoopcijfers, wanbetalers, papiernood en meestal nogal saaie briefwisselingen met de Haagse nazi-bureaucratie bevestigen ten overvloede het beeld dat we uit de vorige boeken kennen.

In het slotwoord haalt Venema nog een keer heftig uit naar de bundel Het clandestiene boek van Lisette Lewin. Hij verwijt haar - niet geheel ten onrechte - dat ze te veel blindvoer op de betrouwbaarheid van haar gesprekspartners en te weinig originele bronnen raadpleegde. Zelf maakte hij slechts "met de grootst mogelijke huiver' gebruik van egodocumenten, memoires of dagboeken, om van interviews nog maar te zwijgen. Venema heeft geen behoefte aan kleuring, aan uitleg of aan context. Hij vertrouwt ze voor geen cent, de lieden die na de oorlog gingen uitleggen hoe het allemaal in elkaar had gezeten.

Voor een deel heeft hij gelijk, er is veel goedgepraat en rechtgeredeneerd. Maar het is onzin de oral history zo te verwerpen als hij doet. Wie de feiten kent uit de authentieke bronnen, kan nog heel wat aan inzicht opsteken uit de persoonlijke herinneringen van betrokkenen. Zolang de vragen maar kritisch zijn en de antwoorden niet als enige waarheid worden beschouwd. Venema mijdt het vraaggesprek als de pest - hij speculeert liever zelf: “Hij zal een paar uur hebben zitten broeden nadat hij deze brief op de post had gedaan, want op dezelfde dag schreef hij nog een brief.” Met het air van de alwetende heeft hij een papieren geschiedenis geschreven waarin van enig menselijk leven geen sprake is.