Kortere werktijd drukt loonkosten

ROTTERDAM, 18 SEPT. Werktijdverkorting, zoals vanochtend door vliegtuigbouwer Fokker voor 5.000 personeelsleden is aangevraagd, komt de laatste tijd weer regelmatig voor. Tussen de jaren 1974 en 1985 dienden duizenden Nederlandse ondernemingen ook al zo'n aanvraag bij het ministerie van sociale zaken in. Besparingen op de arbeidskosten vormden hierbij het voornaamste doel.

Een bedrijf dat werktijdverkorting aanvraagt, moet aan een aantal criteria voldoen. Zo moet de bedrijvigheid tot een abnormaal laag niveau zijn gedaald, moet dit niveau slechts van tijdelijke aard zijn en moet de werkgever aantonen dat hij er alles aan heeft gedaan de problemen zèlf op te lossen. Het ministerie van sociale zaken wil voorkomen dat ondernemingen direct in de eerste week van een tijdelijke inzinking aan de bel trekken. Voor Fokker geldt dat de bedrijvigheid is gedaald door het uitblijven van orders en de recessie in de luchtvaart, maar de onderneming verwacht betere tijden.

In tegenstelling tot arbeidstijdverkorting - een methode om het aantal gewerkte uren per week structureel te verlagen ongeacht de economische situatie - kent werktijdverkorting een incidenteel karakter. De maatregel mag slechts voor zes weken gelden en bij hoge uitzondering geeft het ministerie van sociale zaken verlenging.

Over de uren dat een personeelslid gedwongen thuis moet blijven, ontvangt hij een WW-uitkering van 70 procent van zijn loon. Doorgaans vult de werkgever dit aan tot 100 procent. Hoewel de werknemers niet zijn ontslagen, betaalt het werkloosheidsfonds - voor de helft gevuld door de werknemers zelf - dus een deel van hun salarissen. Dat is gunstig voor de werkgever, want het drukt zijn loonkosten.