Kijkdozen

Virtual reality in de kinderschoenen is de kijkdoos die bestaat uit een schoenendoos vol bijna-werkelijkheid.

De meer geavanceerde kijkdoos is de view-master, de verrekijker voor stereoscopische foto's. Dat is in beginsel allemaal voor kinderen. Soms worden er in de stad grote kijkdozen ingericht: de bouwputten waaromheen hekjes die moeten voorkomen dat de werklozen, de spijbelaars en de gepensioneerden erin vallen. De kwaliteit van zo'n bouwput als kijkdoos wordt verhoogd door er een schutting om te zetten en daarin gaten met een diameter van ongeveer twee centimeter te boren. De grootste verzameling kijkdozen wordt gevormd door een Nederlandse straat, als de schemerlampen al aan zijn en de gordijnen nog niet dicht: de peepshow van de nationale huiselijkheid. Misschien is hiermee het wezen van de attractie gegeven: de kijkdoos is een gluurapparaat, een installatie die de gelegenheid geeft tot eenzijdig kijken. De bevestiging daarvan is het kijkgaatje waardoor de gluurder alles kan zien, en die de begluurde, als hij zich daarvan al bewust is, het uitzicht geeft op hoogstens een oog. Er zijn kijkertjes met een groothoeklens voor in de deur die je in staat stellen een heel trapportaal of gang te overzien zonder gezien te worden. De naam van zo'n kijkertje is Judas; had ook Repelsteeltje kunnen zijn, of voor wie zich met de andere partij wil vereenzelvigen: Susanna.

Dit kijken zonder te worden gekeken, het deelnemen zonder de gevolgen van de deelneming, het zich verzadigen aan de schijn van werkelijkheid is in overeenstemming met de geest van de tijd. Vandaar dat behalve de kinderen de volwassen kunstenaars zich weer tot de kijkdoos voelen aangetrokken. Op de Dam staan deze nazomer bij mooi weer acht door beroepskunstenaars ingerichte kijkdozen, grote kisten met kleine gaatjes. Aan belangstelling is geen gebrek, maar ik ben bang dat bij de meeste kisten het gaatje belangrijker is dan het geboden uitzicht (of inzicht, dat kan ook). De technische mogelijkheden zijn er; de kunstenaar moet nog verder experimenteren met de geboden mogelijkheden, zou ik schrijven als ik kunstcriticus was.

Een paard, een paard, een koninkrijk voor een paard van Fons Timmer is een niet onaardige poging om te laten zien wat er zou kunnen gebeuren als veel mensen vergeefs naar een paard zoeken. Een paar andere vertoningen waarvan ik de makers niet zal noemen, zouden op Koninginnedag niet eens aan bod komen. De beste vind ik Stadsgezichten anno 1900 van Hannes Wallrafen omdat hij iets extra biedt. Zijn kist bevat een tentoonstellingsruimte; aan de wanden hangen foto's van stadsgezichten bijna een eeuw oud. Door het hoofdgluurgat zie je de ruimte in zijn lengteas waardoor niet valt te ontdekken wat er aan de wanden hangt. Zo wordt de nieuwsgierigheid geprikkeld. Toen ontdekte ik dat Wallrafen ook in de wanden gaatjes heeft gemaakt waardoor het uitzicht op de tegenover liggende foto wordt geboden. Maar dat is niet het enige. Naast die foto zie je een oog dat naar de foto aan jouw kant gluurt. Wallrafen is er dus in geslaagd, een installatie tot multigluren te bouwen. Men gluurt naar een oog waarvan de eigenaar niet beseft dat het begluurd wordt. Het duurt even voor men dat wederzijds heeft gemerkt; dan komt het betrappen dat onder deze omstandigheden een kleine vrolijke bevrijding is.

Grote kunstenaars hebben al grote kijkdozen gemaakt. Duchamp, Kienholz in wiens oeuvre zich dozen bevinden die het publiek moet binnenlopen. Maar het gaat me nu om de kleine. Waarom zou je de kijkdoos niet verheffen tot permanente kunst, zoals het standbeeld? Hier en daar op een zuiltje zo'n doos: het zou de stad weer eens iets geven waarmee in het buitenland geadverteerd kan worden.

    • H.J.A. Hofland