Jeugd in het naoorlogse Troje; Tomas Lieske over fantasierijke verliezers

Tomas Lieske laat er geen twijfel over bestaan dat mensenlevens voorbij gaan, meestal zonder een spoor achter te laten. Dat klinkt zwartgallig, maar Lieske heeft geen boodschap, de lezer is vrij om zijn prettig-mysterieuze verhalen met een Hollands-nuchtere ondertoon naar eigen goeddunken te interpreteren. “Mijn werkplaats is de slakgoot. Onaangenaam? Het valt mee.”

Tomas Lieske: Oorlogstuinen. Uitg. Querido, 196 blz. Prijs ƒ 34,90

Twee jaar na zijn Haags georiënteerde dichterlijke debuut De IJsgeneraals (1987) bekende Tomas Lieske in de Volkskrant, dat hij van zijn geboortestad een ”rare slagroomtaart' had gemaakt. Zijn bizarre en breed uitwaaierende gedichten gingen naar eigen zeggen niet terug op een historisch aantoonbaar verleden, maar op ”staketsels' in zijn hoofd, op ”allerlei waanideeën'. Vooral liet hij zich inspireren door de 19de-eeuwse architect H. Wesstra jr., die allerlei merkwaardige gebouwen ontwierp, die op een enkele uitzondering na inmiddels het loodje hebben gelegd.

In zijn eerste verhalenbundel, Oorlogstuinen, bewijst Lieske alsnog openlijk eer aan deze architect. Een twijfelachtige eer, dat moet erbij gezegd, want Wesstra wordt gekarakteriseerd als een sikkeneurige, egocentrische en zelfs wat boosaardige man, die hoegenaamd geen belang stelde in de medemens. Alleen voor vogels had hij een zwak, als we Lieske mogen geloven. Maar ook deze keer voegde hij aan de historische werkelijkheid het een en ander toe. Hij ensceneerde een ontmoeting, ergens rond 1990, tussen Wesstra - in werkelijkheid toen al zo'n tachtig jaar dood - en diens achterkleinzoon, die verdacht veel lijkt op Tomas Lieske. Deze achterkleinzoon zal tenminste niet voor niets met een pen zitten spelen en een ”tinteling van ijskoude luchtlagen' om zich heen hebben, die doet denken aan ijsgeneraals. Hij houdt Wesstra bovendien voor dat zijn onvergetelijk geachte bouwkunst vrijwel alleen nog voortleeft als herinnering, aan ”vreemd gebakken en versuikerde taarten'.

Erg grappig in dit verhaal zijn Lieskes machinaties met de tijd. Hier blikt iemand niet terug op zijn leven, zoals het een bejaarde betaamt, maar hij loopt erop vooruit, om te zien wat ervan terecht zal komen. Het antwoord op die vraag is onbarmhartig: heel weinig. Want wie weet nog dat Wesstra de architect is geweest van het enige project dat niet is gesloopt, de Passage?

Wie toch al een zwartgallige inborst heeft, zal zich door Oorlogstuinen zo niet gesterkt dan toch bevestigd weten, want Lieske laat er geen twijfel over bestaan dat mensenlevens vooral voorbij gaan, meestal zonder een spoor achter te laten. Alle zes verhalen geven aanleiding tot sombere overpeinzing. Jonge levens worden geknakt door oorlog of een ernstig ongeluk. Volwassenen vervallen, als ze op zichzelf teruggeworpen worden, tot een uitzichtloos en welhaast dierlijk zwerversbestaan.

Maar natuurlijk ligt het allemaal niet zo simpel of zo treurig als ik het hier voorstel. Lieskes verhalen zijn allesbehalve realistisch, en hij hoedt zich er wel voor om ze een al te voor de hand liggend slot mee te geven. Zelfs de architect Wesstra heeft na zijn uitgerekte, 150-jarige leven nog een leuke verrassing voor ons in petto.

In zekere zin zijn deze verhalen van alle tijden, of in elk geval van meer dan één tijd. Zo doet het titelverhaal, waarin ruïnes als bloeiende oorlogstuinen worden voorgesteld, zowel oud als modern aan. Je zou het kunnen situeren in een antiek landschap nabij Troje, vlak na de vernietiging van die stad door de Grieken, maar ook wel in het naoorlogse Nederland. Een jongetje komt tot de schokkende ontdekking dat in vredestijd de oorlog gewoon doorgaat, met iets andere middelen en op iets kleinere schaal, maar niet veel minder gewelddadig. Daarom zoekt hij zijn heil in de verbeelding. Hij herinnert zich hoe hij samen met zijn broertje 's avonds onder een schapehuid verhalen lag te verzinnen. “Ik weet niet hoe mijn broer over die spelletjes oordeelde, voor mij was het een begin van een verslaving. Onder die warme, stinkende huid heb ik een besef gekregen van een wereld, harmonieuzer, volmaakter en muzikaler dan enig andere wereld. Die bijna onbereikbare wereld heb ik vanaf dat moment trachten op te roepen.”

Dat is wat alle verhaalfiguren van Lieske doen: zij proberen zich te weer te stellen tegen een onvolmaakte, lelijke en oorlogszuchtige wereld met behulp van hun verbeeldingskracht. En dus ontwerpen zij hun eigen stad, schrijven zij scenario's, maken zij tekeningen of hopen zij een personage te worden in een schilderij van Picasso, of verzinnen zij een tweede leven naast het troosteloze bestaan dat ze in de praktijk leiden.

Die vermenging van werkelijkheid en verbeelding - in bijna alle verhalen figureert een dubbelganger - levert prettig mysterieuze verhalen op, waarin toch steeds een Hollands-nuchtere ondertoon behouden blijft. Lieske slaagt erin heel wat tegenstrijdigheden te verzoenen in Oorlogstuinen. Niet alleen opbouw en afbraak gaan hier hand en hand, maar ook droom en daad, hoog en laag. Daardoor maken zijn verhalen zowel een primitieve als een behoorlijk gecultiveerde indruk. Aan de ene kant laat hij ruimschoots de ”lagere', dierlijke aandriften van de mens aan bod komen, terwijl hij tegelijkertijd de nadruk legt op zijn kunstzinnigheid, zijn behoefte om zich boven het al te aardse en banale te verheffen.

De opgeruimde en heldere parlando-stijl die Lieske hanteert contrasteert mooi met de toch wel wat deprimerende inhoud van de verhalen. Zo blijft een kersverse zwerver zich op een komische, Brakmanachtige wijze bewust van zijn waardigheid als hij 's nachts in een dierentuin een andere zwerver ontmoet. “Dacht hij dat ik (-) naast dat smerige lichaam zou gaan liggen? Zulke typen klampen zich aan je vast. Al snel zitten ze bij je thuis met hun voeten op een tweede stoel destructieve verhalen te vertellen en raak je ze slechts met moeite kwijt.” Uit passages als deze blijkt Lieskes liefde voor zijn verhaalfiguren die steeds zelf aan het woord mogen, zonder tussenkomst van hun schepper. Hoezeer zij zich ook in het slop bevinden, of in de gruwelijkste puberteit, of in een mensonwaardige situatie, steeds behouden zij hun zelfrespect. Zelfs de gastarbeider die in de hoogovenindustrie wordt uitgebuit, met werkdagen van dertien uur, kan ons daarom opgewekt deelgenoot maken van zijn dagtaak. “Mijn werkplaats is de slakgoot. Onaangenaam? Het valt mee. Ik ben bij voorbeeld allang blij dat ik niet vaak verplaatst word naar de granulatieputten iets verderop. Meer lawaai en meer vuil, hoewel sommigen de grotere afstand tot de oven een voordeel vinden. Of het werk bij de zijlossers waar het geratel je oren geweld aandoet.”

Maar het meest aantrekkelijk van Oorlogstuinen is misschien nog wel dat de bundel zich in een moreel vacuüm bevindt. Een boodschap of een aanwijzing om de verhalen zus of zo te interpreteren, ontbreekt. Wij worden geheel vrij gelaten om ze naar eigen goeddunken te lezen. Of, zoals de gastarbeider het fraai formuleert: “Het is ons niet gegeven een oordeel te vellen in dit Babel.”