Hoe Duitsers over ons denken

Duitsers zijn veel minder tolerant en gastvrij dan Nederlanders want daar moet het allemaal netjes ("Ordnung muss sein') en "pünktlich' toegaan. Zo denken veel Nederlanders over Duitsers. Maar hoe denken Duitsers eigenlijk over Nederlanders? In het Duitse Loccum werd een congres aan deze vraag gewijd. “Er werden heel eigenaardige dingen gezegd, bijvoorbeeld dat in Nederland de Molukse kwestie eenvoudigweg was opgelost door een heleboel welzijnswerkers aan te stellen en dat de moderne jeugd voornamelijk hasjrokend in koffieshops aan te treffen was. Geen Duitser die met de ogen knipperde.”

Iedereen is wel eens nieuwsgierig om te weten hoe een ander over hem of haar denkt, en ook als volk hebben we die nieuwsgierigheid: door buitenlanders geschreven boeken over Nederlanders (Derek Philips, Rentes de Carvalho) vinden altijd gretig aftrek. Alsof een buitenstaander beter kan beoordelen hoe we nu "echt' zijn dan wij zelf, die immers altijd zouden zeggen: weg met ons. Althans, wij zeggen graag dat wij dat zeggen. Intussen laten we ons wel met veel genoegen de mythe van een nauwelijks te evenaren tolerantie en gastvrijheid aanleunen. De buitenlandse correspondenten die de afgelopen weken in deze krant aan het woord zijn gekomen maakten daar korte metten mee. Nederlanders zijn niet toleranter dan andere volken, maar net als iedereen geneigd tot klagen en discrimineren, en gastvrij zijn we al helemaal niet. We presenteren niet meer dan twee koekjes bij de thee, de gasten worden nooit uitgenodigd te blijven eten en we nemen verhoudingsgewijs veel minder vluchtelingen op dan onze Duitse buren, die toch, zoals wij Nederlanders allemaal zo goed weten, veel minder tolerant en gastvrij zijn dan wij want daar moet het allemaal netjes ("Ordnung muss sein') en "pünktlich' toegaan.

Hoe denken Duitsers eigenlijk over Nederlanders?

Onlangs was ik in de gelegenheid daar wat over te horen. De Evangelische Akademie in Loccum (een gat in de grond in de buurt van Hannover) had een zogenaamde "Tagung' (congres) georganiseerd die "Reizende Nachbarn' (opwindende, charmante buren) heette: die "reizende' lui waren wij, Nederlanders. Vele lezingen en discussies over onze cultuur in de breedste zin - media, literatuur, maatschappelijke ontwikkelingen - moesten de deelnemers een indruk geven van hoe het er bij ons toegaat. Die deelnemers waren Duitse neerlandici, vertalers, historici, in Nederland wonende Duitsers, in Duitsland wonende Nederlanders. Omdat de voertaal Duits was, leek het of er eigenlijk geen Nederlander aanwezig was, zodat de paar die er waren zich voelden alsof ze in de gelegenheid waren stiekem iets af te luisteren wat eigenlijk niet voor hun oren bestemd was.

Drogen

In zeker opzicht viel het tegen, want waar de Duitsers met betrekking tot de Nederlanders verreweg het meest in geïnteresseerd waren was de vraag: hoe denken de Nederlanders over de Duitsers. Meteen al in de eerste lezing kwam de inleider na een sweeping samenvatting van het Nederlandse leven in de afgelopen dertig jaar (de jeugd, de Molukkers, de Drogen, de seks) te spreken over de afkeer die Nederlanders van Duitsers hebben, en over wat voor gevoel dat een bezoekende Duitser bezorgt.

Die passage ontlokte veel reacties aan de zaal, die de rest van het betoog voor kennisgeving aannam. En er werden toch heel eigenaardige dingen gezegd, bijvoorbeeld dat in Nederland "een jeansmerk zijn waren aanprijst met behulp van cunnilingus', dat de Molukse kwestie eenvoudigweg was opgelost door een heleboel welzijnswerkers aan te stellen en dat de moderne jeugd voornamelijk hasjrokend in koffieshops aan te treffen was. Geen Duitser die met de ogen knipperde. Maar dat er wel eens een Nederlander een Duitser voor Mof uitmaakte, dat was andere koek en verdiende grondige discussie. Een mevrouw vertelde dat zij al in 1946 Nederlanders had bezocht, dat het heel bijzonder was geweest en dat ze veel hadden gezongen en dat ze ook toen, toen de wonden nog zoveel verser waren, helemaal niets had bespeurd van afkeer van Duitsers. Vele anderen konden dat onderschrijven, nooit merkten ze iets onaangenaams in Nederland. Ja, als je bij de bakker zou binnenstormen en meteen in het Duits beginnen, dan vast wel, maar dat deden dan ook alleen lompe en onbehoorlijke mensen.

De volgende lezing, ook weer van een Duitser, ging nog uitsluitend over het beeld dat Nederlanders van de Duitsers hebben, en legde de wortels van de Nederlandse afkeer eeuwen terug. Het duurde niet lang voor er een jongeman opstond die zich afvroeg of dit de zoveelste Tagung zou worden waarop zijn landgenoten over niets anders zouden weten te praten dan over de behandeling die ze in Nederland te beurt was gevallen. “Er was mij gevraagd over dit onderwerp te spreken en dan doe ik dat,” zei de tweede spreker wat beledigd. Dat klonk typisch Duits, en de zaal lachte honend.

De socioloog Karsten Renckstorf had zelfs onderzoek gedaan naar het beeld van Duitsland in Nederland, compleet met enquêtes voor en na de halve finale van de EK in 1988 waaruit bleek dat men na de door Nederland met 2-1 gewonnen wedstrijd aanzienlijk slechter over Duitsers dacht dan ervoor. Verder bleken "jongeren' tussen 14 en 29 zich in het wilde weg negatief over Duitsers uit te laten zonder dat ze ooit een Duitser van dichtbij gezien hadden. Dat negatieve oordeel nam af naarmate men ouder werd. Hoe komt de jeugd aan dat beeld, vroeg hij zich bezorgd af. De beeldvorming over de buren in de Nederlandse kranten had niets te wensen over gelaten: veel aandacht en zorgvuldige en neutrale berichtgeving. En toch werden Duitse kindertjes wel eens geplaagd als ze in Nederland wilden schommelen, om maar eens een willekeurig voorbeeld te noemen. Hij maakte zich erg druk over de manier waarop men als Duitser in Nederland behandeld werd, zo druk dat anderen blozend van verontwaardiging vroegen hoe hij er bij kwam want dat zij in Nederland woonden maar nooit, nooit etc. Dat sommige Duitsers zich trouwens ook afschuwelijk gedroegen en veronderstelden dat ze tot ver in Nederland met D-Marken konden betalen en Duits spreken, en dat het de eigen schuld was van zulke Duitsers dat ze niet op prijs werden gesteld.

Tomaat

De informatie over het wat, hoe en waarom van onze reactie op de Duitsers was dus uitgebreid, maar wat vinden de Duitsers nu eigenlijk van ons?

Wij rijden met veel, sommigen vinden: te veel, vrachtauto's over de wegen, en onze personenauto's rijden te hard. Wij zijn één van Duitslands belangrijkste handelspartners. Wij hebben een mooie, rustige manier om problemen op te lossen. Wij kweken een uitstekende tomaat. Wij spreken voorbeeldig Duits. Soms te voorbeeldig: een Duitser die Nederlands kan en wil spreken krijgt de kans niet. Wij zijn wat die drugs betreft toch zo gek nog niet als het eerst leek. Wij gaan erg losjes met onze kinderen om, dat kan (en moet) veel strenger.

Veel meer hadden de sprekers eigenlijk niet te vertellen, behalve de al eerder aangehaalde sterke verhalen over reclames en drugs en welzijnswerkers. Jammer en des te verbazingwekkender dat het publiek dan niet meer te vragen had, niet nieuwsgieriger was. Het leek wel of er een collectief Duits minderwaardigheidscomplex bestond. Wie zelfverzekerd is hoeft zich immers niet almaar af te vragen hoe de wereld over hem denkt. Het was een vreemde gewaarwording, gewend als "wij' (die stikken van de oordelen over Duitsers) zijn om te denken dat "zij' barsten van het zelfvertrouwen en dat ze vinden dat bij hen alles viel schöner, grösser und besser is.

Hoe zou het trouwens komen dat Duitsers zich zo prachtig kunnen uitdrukken, zo beleefd en toch niet onkritisch, in eindeloze volzinnen, zonder gêne, zonder allerlei al te persoonlijke wendingen? Ik heb nog nooit een Nederlands publiek gezien dat zo ordelijk en correct wist te discussiëren of met een dergelijke verbluffende uitdrukkingsvaardigheid. Een begin van een oplossing van dit raadsel werd gegeven door de heer Van der Tas, de Nederlandse ambassadeur in Bonn, die evenals zijn Haags-Duitse collega Citron het congres zaterdag bijwoonde en op zondagmorgen toesprak. Hij vertelde dat zijn beide in Duitsland opgegroeide dochters sinds twee weken in Den Haag naar het gymnasium gingen. Onlangs waren ze voor het eerst thuisgekomen en hadden van hun ervaringen verteld: ze hadden veel meer huiswerk dan vroeger, maar de leerlingen waren wel veel dommer. De Nederlandse leerlingen vroegen zich namelijk niets af over de stof en er werd nauwelijks gediscussieerd. Het sprak een vooroordeel tegen, zei Van der Tas, iedereen die je het onvoorbereid zou vragen zou zeggen: in Nederland wordt meer gepraat, in Duitsland wordt harder gewerkt. Leerzaam. Toch weer één vooroordeel minder.