Het Voorval

Met mijn vriend Jan maakte ik een wandeling naar Prins Boom. Vanuit de verte zagen we hem al staan.

Prins Boom is een eikeboom. Hij draagt een machtige kroon van grillige takken waaraan blaadjes hangen die op groene fantasie-zwemvoetjes van een watervogel lijken. Hij is geen echte prins maar omdat hij zo mooi is, wordt hij door iedereen Prins Boom genoemd. Prins Boom troont op een glooiend grasveld aan de rand van het bos. Als je de statige, deftige eikeboom daar zo eenzaam ziet staan, denk je dat hij uit het bos is weggevlucht omdat hij niets met andere bomen te maken wil hebben.

“Hoe oud denk je dat Prins Boom is?” vroeg ik aan Jan.

“Heeft hij eikeldopjes met een steeltje of zonder een steeltje?” vroeg Jan.

“Hoezo?” vroeg ik.

“Dat zal ik je uitleggen”, zei Jan. “Als Prins Boom in het bezit is van steel-eikeldopjes is hij een een zomer-eik. Winter-eiken hebben namelijk steelloze eikeldopjes.”

Toen we bij Prins Boom waren aangekomen, begon Jan als een detective tussen de graspollen naar eikeldopjes te zoeken. “Juist, Prins Boom is een zomer-eik zoals ik al dacht”, zei Jan terwijl hij een eikeldopje met steel toonde. Het eikeldopje kon dienen als een pijpje voor een rokende kabouter. “Het is algemeen bekend dat een zomer-eik wel 1800 jaar kan worden”, zei Jan.

“En winter-eiken?” vroeg ik.

“Winter-eiken worden gewoon stokoud”, zei Jan.

Ineens hoorden we een oorverdovend geluid. Het klonk alsof er iemand met een zaagmachine aan het werk was. Nog vreemder was dat het leek alsof het geluid uit Prins Boom kwam. We maakten een rondje om de eikeboom die een geweldig dikke stam en een ruwe bast had. De bast was zo hard als steen. Het zagen hield plotseling op en uit het binnenste van Prins Boom klonk het nijdig: “Lig ik even rustig een uiltje te knappen, word ik meteen weer gestoord door vervelende pottekijkers!”

“Bliksems, we hebben Prins Boom in zijn middagdutje gestoord”, zei ik.

“Prins Boom, u bent nu toch al wakker, mogen we u meteen iets vragen? Hoe oud bent u eigenlijk?” vroeg Jan.

“Oud genoeg om niet meer bij mijn vader en moeder te wonen”, werd er geantwoord. Daarna hoorden we een tijdje niets meer. “Ik kan nu toch niet meer in slaap komen. Jullie kunnen net zogoed binnen komen. Ik zal vast water voor de thee opzetten. Loop maar naar de bosrand. Daar vind je een stapel dorre takken en als je die opzij schuift, kom je vanzelf in de onderaardse gang die naar mijn woning voert”, werd er gezegd.

De plek was makkelijk te vinden. Nadat we de takken verschoven hadden, liepen we nieuwsgierig de onderaardse gang in. Aan het eind van de gang, die aardedonker was, flikkerde een kaarsje.

Tussen de wortels van de zomer-eik vonden we een hol dat gezellig was verlicht met lampions. In het midden zat een figuur met een jagershoedje aan een houten tafeltje waarop een draagbare televisie stond. Op de grond lag een luchtbed met een paardedeken. “Ik ben Morderik. Ik ben voorzitter van de Vereniging voor Actieve Snurkers”, zei de figuur met het jagershoedje toen we het hol binnenstapten. Morderik haalde een fluitketel van een butagas-stel en schonk het hete water in de theepot.

“Meneer Morderik waarom woont u in een zomereik?” vroeg ik.

“Echt weer zo'n domme vraag voor een vrouw”, antwoordde meneer Morderik.

“Je kan wel merken dat vrouwen zelden actieve snurkers zijn. Mannen die van snurken weten, stellen niet zulke domme vragen.”

“Dat moet u niet zeggen”, zei Jan. “Ik zou bijvoorbeeld ook wel willen weten waarom u in een zomer-eik woont.”

“Nogal wiedes, waar kan ik anders snurken dan in een eik”, zei meneer Morderik. “Ik kan moeilijk in een ratelpopulier of in kraakwilg gaan wonen, die hebben veel te dunne stammetjes.”

“Snurkt u hard?” vroeg Jan.

“Heel hard”, zei meneer Morderik trots. “Ik snurk zo hard dat ik mensen die drie straten verderop wonen met gemak de hele nacht wakker houd. Goed hè! Maar ik had wel altijd ruzie met de buren. Tenslotte ben ik naar deze eenzame eik verhuisd. Het is jammer dat deze eik zoveel bekijks heeft. Er lopen hier steeds mensen rond die veel te hard praten. Ze maken mij altijd wakker. En als ik niet kan slapen, kan ik ook niet snurken.”

“'t Lijkt me een lastig probleem”, zei Jan. We verlieten de boomhut van meneer Morderik en legden de takken weer op hun plaats. Toen we op de terugweg langs Prins Boom liepen hoorden we opnieuw het dekselse lawaai van de zaagmachine. “Meneer Morderik is toch nog in slaap gevallen”, zei Jan op fluistertoon.