Het schaap dat knorde

Er was eens een schaap dat knorde. En je begrijpt wel dat de andere schapen hem vreselijk uitlachten. Het arme schaap was erg verdrietig. Op een dag besloot hij eens rustig alle boeken die hij had na te kijken. Na een uurtje zag hij een rood boekje. Hij had het rode boekje nog nooit gezien. Hij begon te lezen.

Op pagina 13 zag hij dat er ergens in de woestijn een tovenaar woonde. Hij besloot om eens te gaan zoeken naar het kasteel van de tovenaar. Hij zocht wel drie dagen en op de vierde dag zag hij in de verte een heel mooi en groot kasteel. Hij begon te rennen en na een half uur kwam hij bij de poort van het kasteel.

Het schaap klopte aan. De deur ging langzaam open. Het was de tovenaar die open deed. “Hallo, knor, knor,” zei het schaap. “Ik hoor al waarvoor je komt,” zei de tovenaar. “Kom binnen.” “Heeft u misschien een middeltje om mij weer gewoon te laten blaten, knor?” vroeg het schaap. “Ik zal even kijken,” zei de tovenaar. “Even wachten.”

Even later kwam de tovenaar terug. Hij had een fles in z'n hand. “Dit zal je helpen,” zei hij. Het schaap dronk het flesje leeg en zei: “Dat was vies, mèèèh. Hé, hoorde je dat, ik zei mèèèh.” “Het is gelukt!” zei de tovenaar.

Het schaap was dolgelukkig. Hij ging terug naar huis en de andere schapen lachten hem niet meer uit. En het schaap leefde nog lang en gelukkig!

    • Fleur Oude Vosnaar