Een alibi voor onbarmhartigheid; Jung Chang over drie Chinese levens

Toegankelijke ooggetuige-verslagen van Chinezen die zelf de verschrikkingen van de Communistische hervormingen hebben meegemaakt zijn altijd buitengewoon schaars geweest. Nu is er het indrukwekkende boek "Wilde zwanen' van Jung Chang. "Het leek wel,' schrijft zij "of er geen ontsnappen mogelijk was aan de manier waarop de communisten zich van morele principes en edele gevoelens van anderen meester maakten.' Interesseert het Westen zich wel voldoende voor het lot van China?

Jung Chang: Wilde zwanen. Vert. (uit het Engels) Paul Syrier. Uitg. Amber, 558 blz. Prijs ƒ 59,50

Begin jaren zeventig ontbrandde in Nederland het zogenaamde China-debat. In Parijs, waar ik toen woonde, was iets dergelijks al eerder begonnen: ik herinner me dat er al over gediscussieerd werd tijdens de befaamde troebelen van Mei '68, toen de Maoisten onder de studenten voor het eerst weerwoord kregen van jonge sinologen die enig idee hadden van wat er werkelijk gebeurde in China. Ik kende enkele van hen en zo raakte ik al vroeg in deze discussies betrokken.

Voor die tijd behoorde ik tot de grote groep van verlichte intellectuelen die dachten dat het Chinese communistische regime, hoewel misschien niet in alle opzichten ideaal, "er toch maar in geslaagd was een volk van 800 miljoen mensen te voeden, te kleden en een minimum aan onderwijs en medische voorzieningen te verschaffen' - dit in tegenstelling tot wat zich afspeelde in vergelijkbare landen waar het kapitalisme nog bestond, zoals bijvoorbeeld India. In werkelijkheid had zich in China toen al een weergaloze catastrofe voltrokken, als rechtstreeks gevolg van waanzinnige initiatieven als de Grote Sprong Voorwaarts; maar dat wist toen nog niemand. De enige werkelijk verbluffende prestatie van het Chinese communisme, zo is later wel gezegd, bestond er uit de door haar veroorzaakte rampen zo lang verborgen te hebben kunnen houden.

Dat grenst achteraf beschouwd inderdaad aan het wonderbaarlijke; aan de factoren die dit bedrog mogelijk hebben gemaakt is nooit de aandacht besteed die het zou moeten oproepen: enorme aantallen mensen die hun verstand lijken te zijn kwijtgeraakt en er in slagen anderen te dwingen afstand te doen van het hunne; een vermogen (ook bij buitenlandse waarnemers) om geen geloof te slaan aan nuchtere evidentie, om letterlijk niet te geloven wat men ziet, in de ban van hersenschimmen bekleed met leugens zo fantastisch dat je je nu niet meer kunt voorstellen hoe een zinnig mens er in kon geloven.

Zelfs tijdens dat China-debat dacht ik nog steeds dat die kreet over het regime dat "er toch maar in geslaagd was' etc. grotendeels op waarheid berustte, zoals nog te zien is in het voorwoord dat ik schreef bij de Nederlandse vertaling van Ombres Chinoises van Simon Leys (1974). Dat was het eerste boek waarin openlijk gezegd werd dat wat zich in China afspeelde niets te maken had met enige vorm van idealisme, hoe verwrongen ook, maar uitsluitend verklaard diende te worden uit een voortdurende machtsstrijd tussen facties in het partijbestuur, tegen elkaar uitgespeeld door de Grote Roerganger Mao Zedong.

Ook Simon Leys zelf lijkt in dat boek nog geen idee te hebben van de werkelijke omvang van wat zich in China had afgespeeld. Verre van er "toch maar' in geslaagd te zijn de bevolking een zeker bestaansminimum te verzekeren werd het land geteisterd door hongersnoden waarin de mensen hun eigen kinderen opaten; er waren toen al meer dan 30 miljoen mensen omgekomen en op dat moment was er een nieuwe serie nachtmerries aan de gang die in sommige opzichten nog verschrikkelijker was dan de voorgaande, namelijk de Grote Proletarische Culturele Revolutie en haar nasleep. In China waren psychopaten aan de macht, met gevolgen op een schaal die vermoedelijk nooit eerder in de geschiedenis bestaan heeft.

Simon Leys (Pierre Rijckmans), de schrijver van Ombres chinoises, komt de eer toe de eerste en lange tijd enige sinoloog te zijn geweest die de moed had het heersende conformisme te trotseren, de waarheid van de daken te schreeuwen en de lichtzinnige medeplichtigheid van de westerse intelligentsia aan de kaak te stellen. De onthullingen van de daarop volgende decennia hebben zijn gelijk op verpletterende wijze bevestigd, en dat was het eind van het China-debat. Men mag aannemen dat op dit ogenblik iedereen die niet volkomen ongeïnteresseerd is wel ongeveer weet wat er in China sinds de machtsovername door de communisten is gebeurd.

De hel

Toch denk ik dat maar weinig mensen zich er een duidelijke voorstelling van maken. Het blijft grotendeels theorie; dat komt niet alleen doordat het abstract en ver weg is, maar misschien ook omdat de voornaamste publikaties er over afkomstig zijn van buitenlanders. Toegankelijke ooggetuige-verslagen van mensen, Chinezen uiteraard, die het zelf aan den lijve hebben meegemaakt zijn altijd buitengewoon schaars geweest. De laatste jaren begint daar verandering in te komen en een mijlpaal op dit gebied is het kortgeleden verschenen Wilde zwanen, door Jung Chang (Amber, Amsterdam 1992). Het is een blik in de hel, maar tegelijk een grandioos boek en wie het gelezen heeft zal nooit meer dezelfde zijn.

Dat komt niet alleen door de verschrikkingen die er in voorkomen, maar vooral doordat het onmogelijk is te ontkomen aan het gevoel van werkelijkheid dat vermoedelijk berust op de manier van observeren en de levendige weergave van allerlei op zichzelf nietige dagelijkse details. Jung Chang jeremieert niet, klaagt niet, is niet op effect uit, catalogiseert geen gruwelen en heeft geen propagandistische oogmerken. Ze doet niet meer dan de lezer deelgenoot maken van wat er in haar hoofd zit: de neerslag van een jeugd in China zoals die er uitziet na verwerkt te zijn door iemand van grote intelligentie en gevoeligheid. En van grote eerlijkheid: zij idealiseert niet en probeert zich niet beter voor te doen dan zij is of was (ingrediënten die Chinese literatuur over dit onderwerp soms moeilijk verteerbaar maken).

Het boek, dat als ondertitel heeft: "Drie vrouwen in China', begint met de geschiedenis van Jung Changs grootmoeder, geboren in 1909. De tweede levensgeschiedenis is die van haar moeder, geboren in 1931, en de derde haar eigen levensloop vanaf haar geboorte in 1952 tot het jaar 1978, wanneer zij met een studiebeurs vertrekt naar Engeland, waar zij afstudeert en dit boek schrijft.

Deze drie levensgeschiedenissen zijn uiteraard verweven, niet alleen met elkaar maar ook met het levensverhaal van haar vader (geboren in 1921), die hoewel hij niet in die ondertitel genoemd wordt niet bepaald de minst belangrijke figuur is in het boek. Zijn tragische levensloop is zelfs in zekere zin het hoofdthema: een communist die aan zijn onkreukbaarheid ten onder gaat, terwijl om hem heen het communisme van een hoogstaand beginsel verandert in het meest abjecte regime dat er ooit is geweest.

Zijn tragiek is daarmee misschien die van het hele communistische systeem, maar toch vooral van het communisme in China, want nergens anders waren de uitersten zo extreem. De Russische maatschappij was toen het communisme zich er installeerde op geen stukken na zo verpauperd, zo onmenselijk en zo in de greep van bijgeloof en machtsmisbruik als de Chinese, en omgekeerd waren de communisten die in Rusland de macht overnamen vermoedelijk ook minder zuiver in de leer. Jung Changs moeder is een jaar of 17 wanneer de communistische troepen na de ineenstorting van de Kwomintang (ik houd me maar aan de spelling van het boek) Mantsjoerije bezetten; zij zien er armoedig uit maar verschillen radicaal van de andere legers die zij achtereenvolgens als sprinkhanen over het land heeft zien uitzwermen: ze laten de bevolking ongemoeid, betalen voor kost en inwoning en gedragen zich eerder als een soort reddingsbrigade, onzelfzuchtig, behulpzaam en offervaardig. De functionarissen die zij installeren zijn niet corrupt, bevoordelen niet hun eigen familie en kennissen, en maken geen gebruik van hun positie om persoonlijke rekeningen te vereffenen, allemaal zaken die sinds mensenheugenis vanzelfsprekend waren geweest. Aan allerlei onhoudbare misstanden wordt radicaal een einde gemaakt, maar de communisten zijn ook streng voor zichzelf; uit al hun optreden spreekt een ideaal van soberheid, eenvoud, studie, onkreukbaarheid en zelfopoffering.

Jung Chang vermeldt hoe communisten in gevangenschap opvielen door moed en geestkracht, zoals ook door vele anderen is geconstateerd. De rituelen waaraan zij zich binnen hun eigen gelederen onderwerpen, met eindeloze zelf-analyses en zelfkritiek, doen soms denken aan Alcoholics Anonymous of meer nog aan de collectieve therapie die in sommige centra voor drugsverslaafden wordt toegepast.

Dat heeft aanvankelijk nog wel iets zonderlings en ik moet bekennen dat ik ook nu nog geneigd ben te denken dat alleen een dergelijke puriteinse instelling bij machte kon zijn om een land als China te verlossen uit de nacht van corruptie, nepotisme en achterlijkheid waarin het zich sinds eeuwen bevond. Dat was ook de achtergrond van de eerdergenoemde vergelijking met landen als India, die zich zonder een dergelijke eensgezindheid en offervaardigheid nooit uit hun misère leken te kunnen verheffen. Zoals Mu Fu-sheng al in 1962 schreef in The Wilting of the Hundred Flowers, een van de eerste boeken waarin het Maoisme werd aangevallen, zouden veel van de verwijten die de communisten toen gemaakt werden toepasselijk zijn op onverschillig welke regering die van China een moderne staat trachtte te maken.

Hebzucht

Het wereldcommunisme is nu vrijwel overal verslagen; helaas niet door democratisch gezond verstand en fatsoen maar door de losgebroken hebzucht onder aanvoering van een wedergeboren filmacteur die in astrologie gelooft. Maar verslagen is het en dat heeft een eigenaardige situatie in het leven geroepen. Het is alsof nu algemeen aanvaard is dat het geen zin heeft te proberen de samenleving in te richten volgens principes van rationaliteit, onzelfzuchtigheid en fatsoen, dat ongecontroleerd eigenbelang het enige principe is dat "werkt' en dat het brengen van offers hoogstens iets is voor achterlijke domoren.

Als het Chinese communisme er eens werkelijk "toch maar' in geslaagd was 800 miljoen mensen te voeden en te kleden zou alles een stuk overzichtelijker zijn. Maar het heeft integendeel alleen maar naamloze verschrikkingen veroorzaakt, met een astronomisch aantal doden (75 miljoen naar sommige schattingen), een groot deel van de Chinese culturele erfenis (kunst, bibliotheken, architectuur) moedwillig vernietigd en de levens van ongetelde miljoenen onschuldige mensen onherstelbaar verwoest. Hoe heeft zoiets kunnen gebeuren? Het bijzondere van Jung Changs Wilde zwanen is dat het daar een zeker inzicht in geeft en het verband laat zien met juist die puriteinse moraal, die bereidheid zich op te offeren en alles ondergeschikt te maken aan een ideaal.

Het is, denk ik, niet iets dat Jung Chang bewust probeerde te bewijzen, maar wat als een rode draad door de beschreven gebeurtenissen loopt is dat een dergelijke doctrine de mensen een onaantastbaar alibi verschaft voor het uitleven van de meest infame laagheden en een graad van onbarmhartigheid mogelijk maakt die op een andere manier niet bereikbaar is. Wanneer iemand als "volksvijandig', "klassevijand', "vijand van de revolutie' e.d. kan worden gezien is het of dat ontslaat van de verplichting om medelijden te voelen; zo iemand kan dan met totale genadeloosheid worden mishandeld; hij heeft geen recht meer op voedsel, onderwijs, woonruimte, medische behandeling, loon naar prestatie en bescherming tegen willekeur - en bovendien zijn vrouw, zijn kinderen, zijn familieleden ook niet, zomin als iemand die het waagt om voor hem op te komen. Het is de arrogantie van het totale, onaantastbare gelijk, te allen tijde en in alles, en daarin kan dan dat klimaat ontstaan waarin een beschuldigde zijn zaak verergert door vol te houden dat hij onschuldig is (de enige getolereerde houding is boetvaardigheid) en de regering de familieleden de rekening stuurt voor de kogels waarmee hun vader (moeder, zoon, dochter, broer, zuster) is geëxecuteerd.

Sommige van die dingen, zal iemand kunnen tegenwerpen, zijn specifiek Chinees. Daar is iets van waar. Bij het lezen van Wilde zwanen heb ik mij afgevraagd in hoeverre Jung Chang zelf op een niet al te nadrukkelijke manier de aandacht heeft willen vestigen op de continuteit van sommige barbaarse gebruiken, zoals zij ook doet met betrekking tot bepaalde vormen van bijgeloof en preutsheid, die door de communisten klakkeloos werden overgenomen. Het is zeker waar dat het in het traditionele China gebruikelijk was hele families te straffen zoniet uit te roeien voor werkelijke of vermeende misdaden van een harer leden; maar het beginsel is bij ons ook niet onbekend en heeft altijd een duidelijke aantrekkingskracht uitgeoefend op communisten waar ook ter wereld. Net als de manie om elkaars gedrag tot in de kleinste kleinigheden te bespioneren en elkaar aan te geven, die in China speciaal kon gedijen in wat Jung Chang noemt "een eeuwenoude conciergementaliteit'.

Maar dit alles valt toch onder die speciale eigenaardigheid van het marxisme die je het helpen bevorderen van Historisch Noodzakelijke Processen zou kunnen noemen, verwant aan het merkwaardige verschijnsel dat er, zodra ergens sprake is van absolute macht, met inbegrip van Almacht, altijd onmiddellijk van ijver blakende helpers komen opdraven; zij lopen het vuur uit hun sloffen om de machtige of Almachtige een handje te helpen, onder andere om Hem de aanblik van mensen die aan Zijn almacht twijfelen te besparen. En ook daarin bestaan weer allerlei vertakkingen en verfijningen, zoals de haat en nijd tussen de helpers. Ook op dit terrein heeft China eeuwenoude tradities. Mao was een meester, schrijft Jung Chang, in het manipuleren van de neiging van de ene mens om de andere voor de leeuwen te gooien. Zijn favoriete lectuur, die hij andere partijleiders aanbeval, was een klassieke reeks van dertig delen over hofintriges in China.

Kinderen onder druk zetten om tegen hun ouders te getuigen kwam onder alle communistische regimes voor en is niet specifiek voor China, maar wel de zg. "aanklachtbijeenkomsten' in de Culturele Revolutie, meetings waarin één individu, soms een kind, urenlang door honderden mensen werd uitgejouwd en toegeschreeuwd te "bekennen', waarbij het slachtoffer vaak werd mishandeld en soms gedood; idem de gewoonte mensen achterop een vrachtauto door de straten te rijden met een bord om hun hals waarop hun misdaden vermeld stonden. Jung Chang beschrijft verschillende gelegenheden waarop zij dit met haar ouders zag gebeuren. Haar grootmoeder werd geparadeerd als "stinkend lid van de bezittende klasse' nadat men bij haar de reçu's had gevonden voor de juwelen die zij aan de regering had geschonken tijdens de oorlog in Korea. Ook zijzelf heeft eindeloze ondervragingen ondergaan en zelfbeschuldigingen moeten schrijven; een van de meest sinistere vragen die daarbij gesteld kon worden luidde: "De massa's hebben een klacht over je. Weet je welke?'

"Waar een wil is om te veroordelen,' zo luidde een Chinees gezegde, "zijn ook bewijzen.'

"De Culturele Revolutie,' merkt Jung Chang ergens in het voorbijgaan op, "had me geleerd de mensen niet naar hun overtuigingen in te delen maar naar hun vermogen tot wreedheid of gemeenheid.' "Het leek wel,' zegt zij ergens anders, "of er geen ontsnappen mogelijk was aan de manier waarop de communisten zich van morele principes en edele gevoelens van anderen meester maakten.' De Culturele Revolutie (zie ook "de zingende fontein', de "landschapsschilderijen', blz 360) moet wel de meest satanische episode zijn geweest die China ooit heeft gekend.

Zelfbedrog

Het citeren van karakteristieke passages uit het boek wordt bemoeilijkt doordat de ingewikkelde context meestal een lange inleiding nodig zou maken. Er zijn aangrijpende beschrijvingen, zoals van de manier waarop de schrijfster zich als kind bevoorrecht waande om in China te wonen en hoe zij zich de misère in het Westen voorstelde (blz 270-71), of van het om zich heen grijpen van de waanzin wanneer de mensen tijdens de Grote Sprong Voorwaarts steeds fantastischer oogst- en produktierecords moeten verzinnen en er op 't laatst zelf in gaan geloven (blz 244-248). "Zelfbedrog door anderen te bedriegen (zi-qi-qi-ren) kreeg het land in zijn greep. Tal van mensen - met inbegrip van landbouwdeskundigen en hoge partijleiders - zeiden dat ze de wonderen met eigen ogen hadden aanschouwd. Degenen die er niet in slaagden de fantastische dromen van anderen te evenaren begonnen te twijfelen en zichzelf de schuld te geven (-) Het Volksdagblad startte een discussie over het onderwerp: “Hoe bieden we het probleem het hoofd dat we te veel voedsel produceren?' ” Hierbij komt ook en passant de fatale rol ter sprake die het hoerageroep van buitenlandse bezoekers kon spelen; een paar keer (bijvoorbeeld blz. 521) smaakte ik het genoegen bijna letterlijk bevestigd te zien wat ik hierover tijdens het China-debat en in het voorwoord bij Ombres chinoises had geschreven; idem over Lu Xun (blz. 467). Ik moet bekennen dat ik mij bij het lezen van dit boek meermalen heb afgevraagd wat er is geworden van de eertijdse sympthisanten met dit genadeloze moordenaarsregime, die mij in die tijd hebben uitgemaakt voor handlanger van de Kwomintang, vijand van het Chinese volk en nog veel meer. Karel van het Reve was van "fascistoïde drek overgoten'; Renate Rubinstein werd tot in deze krant verketterd over haar Klein Chinees woordenboek.

Wat mij ook nog levendig voor de geest staat is hoe dezelfde mensen die nu het hoogste woord hebben en rechtspraakje spelen over de houding van "links' in de tijd van voor de ineenstorting van het communisme, zich toen niet lieten horen en zich angstvallig afzijdig hielden.

En dat doet iedereen eigenlijk nog steeds. In juni verscheen een onthutsend rapport van Asia Watch over de nog steeds voortdurende onderdrukking en marteling van politieke gevangenen in Zuidchina; Van Kemenade schreef er over in deze krant van 2 juni, maar niemand maakt zich er druk over. Een rapport over de martelingen in de Lingyuan gevangenis werd door iemand met levensgevaar uit China gesmokkeld; het werd afgedrukt in De Volkskrant van 10 september (Bai Yong, "Chinese heropvoeder kijkt niet op een dode meer of minder'); geen verdere reacties. De oprichter van het Democracy for China Fund, Shen Tong, die na Tiananmen naar Amerika wist te ontkomen en ervoor ijverde dat China tenminste de status van "most favoured nation' zou worden onthouden besloot kortgeleden uit wanhoop naar China terug te gaan, waar hij prompt werd gearresteerd. Er is bijna niet over geschreven en alles blijft hetzelfde. Het vrije Westen - de massa's hebben een klacht over je. Weet je welke?