DE OPEN VOORKANT VAN HET HOOFD; tentoonstelling over het gezicht in jouy-en joas

Tentoonstelling: À visage découvert. T/m 23 oktober. In: Fondation Cartier in Jouy-en Josas.

Een gezicht is maar klein, maar er is waarschijnlijk geen oppervlak dat zo'n orkaan van mogelijke betekenissen de wereld inslingert. In Jouy-en Josas, even buiten Parijs, is nu een tentoonstelling te zien over het menselijk gezicht. Fysionomische handboeken, grafbeelden, dansmaskers en godenbeelden staan er broederlijk door elkaar. “De meeste gezichten op de tentoonstelling hebben niets te maken met het menselijk gezicht zoals dat de tram, de Hema of het bed bevolkt. Je zou ze buitenmenselijke gezichten kunnen noemen.”

Ongeveer een maand geleden verscheen er op de pagina met streeknieuws van het Limburgs Dagblad een merkwaardig bericht. Het ging over een man uit Maastricht en een massief eiken bed op de logeerkamer. Toen de man op een dag het bed wilde omdraaien en de kussens weghaalde, zag hij iets dat hij nog nooit gezien had. In het hout van het hoofdeinde was een gezicht te herkennen. En niet zo'n kleintje ook, het mat twintig centimeter in doorsnee.

Zijn vrouw, erbij geroepen door de enthousiaste ontdekker, zwoer dat ze nooit meer in dezelfde kamer als dat bed wilde zijn. Ze vond de verschijning van het gezicht (omschreven als dat van een oude vrouw) "akelig' en na een week moest het "rotding' wat haar betrof onmiddellijk uit huis verdwijnen. Het staarde haar aan en ze sliep er onrustig door. Tegenover de krant gaf de man toe dat hier bijgeloof in het spel was, net als bij veel vrienden en familie, die sinds de dag van de ontdekking weigerden het huis te betreden.

Omwonenden waren wel komen kijken. Sommigen zagen er het gezicht van Jezus in, anderen dat van Maria, en een enkeling meende de tronie van de Duivel te herkennen. De ontdekker noemde zichzelf nuchter ingesteld en beschouwde het als een staaltje wonderlijk natuurschoon. Toch betrapte hij zich erop urenlang naar het bed met het gezicht te kijken, "en maar denken en denken, hè'.

Hij wist dat het een moeilijk te verklaren verschijnsel was, maar als hij naar het lieve, wijze gezicht van de vrouw in het hout keek, kon hij niet ophouden te denken aan zijn zuster, die sinds 1944, bij een bombardement op Maastricht, wordt vermist. Ze zou nu ongeveer de leeftijd hebben gehad van de verschijning in het eikenhout, volgens de man, ze leek er zelfs op, of misschien was het beter om te zeggen dat ze er op kon lijken. Dat hij er zo vreselijk over na moest denken kwam omdat hij maar niet verklaren kon hoe zijn zusters gezicht in het beddepaneel terecht moest zijn gekomen. Wat hem dan weer aan het twijfelen bracht of ze het was, enzovoort.

Als het eikehout de afbeelding van een ezel, een bos bloemen of een formule 1 wagen had laten verschijnen was de verslaggever van het Limburgs Dagblad waarschijnlijk niet eens op pad gegaan. De vrouw van de ontdekker had in dat geval geen angst voor kwade geesten gehad en haar man was niet gaan mijmeren over berichten van zijn geliefde zuster uit het hiernamaals. En dat terwijl de verschijning van bijvoorbeeld een formule 1 wagen in het hoofdeinde van een eiken bed minstens zo miraculeus mag heten als die van het gezicht van een oude vrouw.

Maar blijkbaar is een gezicht zelfs in al zijn eenvoud (ovaal oppervlak met drie gaten voor ogen en mond) een beeld met een krachtige, voor sommigen magische lading. Zo vreemd is dat niet. Het is door het bestuderen van gezichten dat mensen ontdekken dat ze bestaan.

De afstand waarop een pasgeborene scherp ziet is precies die tot het gezicht van de moeder. De ogen, de bewegende lippen, de haarlijn, dat zijn de sterren waarop de baby navigeert op weg naar de tepel. Het dynamische oppervlak met gaten betekent "eten; warmte; niet alleen'.

Kersverse ouders maken nieuwe en vreemde dingen mee, zoals: bijna met schrik beseffen, dat men nog nooit zo lang achter elkaar in het gezicht van een vreemde heeft gestaard, als nu, nu het eigen kind, die nieuwe vreemdeling, uren- en urenlang onvermoeibaar terugkijkt.

Het is een gezicht waar nog geen uitdrukkingen of persoonlijkheid wortel hebben kunnen schieten, dat wel reageert, maar niet communiceert, omdat het de spelregels nog niet geleerd heeft. Er is maar weinig verslavenders dan kijken in het gezicht van iemand die onze blik niet interpreteert, iemand die niet weet dat hijzelf een gezicht heeft. Ergens in ons achterhoofd groeit het beklemmende vermoeden dat we een nieuw gezicht te voorschijn kijken.

Een gezicht is maar klein, een paar vierkante decimeter. Er is waarschijnlijk geen oppervlak dat zo'n orkaan van mogelijke betekenissen de wereld inslingert en tegelijkertijd zo virtuoos ongrijpbaar blijft voor de lezende, kennende, interpreterende blik. Het verandert niet alleen onder onze ogen, het verandert ook door onze blik.

En zelfs of alles wat we er zien wel iets betekent, of dat het maar landschappelijke eigenaardigheden en bewegingen zijn (zoiets als wuivende struiken, wolken en waterpartijen) blijft onzeker. Iedereen heeft wel eens zo lang in het gezicht van de geliefde gekeken dat er een landschap van vel en haartjes overbleef en men het gevoel kreeg dat ogen nutteloos waren geworden om de ander te zien. Niets makkelijker om naar te kijken, niets moeilijker om te zien dan een gezicht.

Over het menselijk gezicht, dat wil zeggen, hoe het afgebeeld, geanalyseerd, vervormd, en in rituelen gebruikt is, gaat een tentoonstelling in de gebouwen van de Fondation Cartier in Jouy-en Josas even buiten Parijs. Het hoofdeinde van het Maastrichtse bed, uiteraard vergezeld van het mooie bericht, zou er op zijn plaats zijn geweest.

Meesterwerken

Wie van de tentoonstelling À visage découvert een verzameling van 's werelds mooiste portretten verwacht, moet de reis naar het schitterende landgoed niet ondernemen. Het portret is volgens de makers zelfs de vijand van het gezicht zoals zij dat bedoelen. Een portret geeft een expressief beeld van iemand, als personage in het verhaal van zijn leven. Er wordt gestreefd naar een gelijkenis, die verder gaat dan wat kan worden waargenomen en betrekt het karakter, het gedrag, de geschiedenis, de macht, het beroep of het lot van de geportretteerde in het schilderij of de sculptuur. Een portret levert een daarmee kloppend beeld, en niet zelden komt dat overeen met het beeld dat de geportretteerde graag van zichzelf heeft.

De onder de "wetenschappelijke leiding' van Georges Didi-Huberman samengestelde tentoonstelling kiest een antropologische benadering. Dat wil zeggen dat het er in eerste instantie niet om te doen is geweest oude of hedendaagse kunst te tonen, of kunsthistorische verbanden te laten oplichten. Hedendaagse kunst, fysionomische handboeken uit de zeventiende eeuw, grafbeelden uit de Romeinse oudheid, dansmasker uit de Congo en godenbeelden uit Oceanië staan broederlijk door elkaar.

Het portret is de nabootsing van een persoon en zijn karakter en wereld. De beelden, schilderijen en maskers die Jean de Loisy, conservator van de Fondation Cartier bij elkaar heeft gebracht, tonen naar hij hoopt het menselijk gezicht, dat die toeëigening door afzonderlijke personen en bedoelingen ontsnapt. Het gaat hier om het menselijk gezicht als zichzelf, oftewel als een basis-vorm, zonder specifieke context. De tentoonstelling wil de vele verschijningsvormen laten zien van Het Gezicht, als een plaats waar opvattingen van religieuze, magische, wetenschappelijke en filosofische aard gestalte krijgen. Vandaar dat werken en voorwerpen uit alle werelddelen en tijdperken door elkaar staan. Ze worden niet getoond als vertegenwoordigers van bepaalde culturen of historische periodes, maar als meesterwerken.

De studie van het gezicht zoals die vanaf de middeleeuwen uitgroeide tot de leer van de fysionomie, brengt de betekenis die er aan het oppervlak van de voorkant van het menselijk hoofd zou zijn, in kaart. Prominent in de tentoonstelling vertegenwoordigd is het werk van de zeventiende-eeuwse Fransman Charles le Brun. Uit zijn classificatie van gezichtsuitdrukkingen "Conférence sur l' expression des passions' zijn verschillende tekeningen te zien. Le Brun had het menselijk gezicht ingedeeld langs horizontale lijnen, die voorhoofd, wenkbrauwen, ogen, neus, mond en kin ieder een eigen zone toebedeelden. Haaks erop, midden over het gezicht is een verticale lijn te zien, die de symmetrie tussen beide gezichtshelften zichtbaar maakt.

In ieder van die zones is een scala aan spiersamentrekkingen mogelijk, en een bepaalde combinatie van wat er in die zeven zones gebeurt vormt de uitdrukking van een gevoel, zoals jaloezie, bewondering of woede. Het gezicht wordt door Le Brun opgevat als een tekensysteem, te vergelijken met de grammaticale zin. Het voorhoofd treedt op als het onderwerp, de ogen als het werkwoord, de mond als het lijdend voorwerp, of de nadere bepaling van wat wordt uitgedrukt.

Het resultaat van deze classificatie bestaat uit tekeningen met gezichten zoals waarschijnlijk niemand ze in het wild gezien heeft. Om te beginnen omdat degene die hier de emoties uitdrukt een neutraal, karakterloos modelmens is, een soort Elkerlyc. Het best is dat te zien in de tekeningen waar minder heftige emoties worden afgebeeld, zoals Bewondering of Rust. Hoe minder onrust, angst of opwinding, hoe minder ver het afgebeelde gezicht zich verwijdert van zijn anatomische kern. In dit geval een glad, onwezenlijk minimum-gezicht, dat nog het meest lijkt op een Pierrot.

Deze wiskunde van de gezichtsuitdrukkingen is verre van beschrijvend. Geen van de tekeningen heeft iets van wat we tegenwoordig psychologische geloofwaardigheid zouden noemen. Het zijn optelsommen van minutieus onderscheiden "trekken', die gezamenlijk het diagram van een expressie vormen. De gezichten die op de tekeningen staan, zijn de produkten van een verfijnde theorie van de betekenis van het menselijk gezicht. Het zijn fictieve uitdrukkingen, pantomimes, die we nooit bij levende mensen hebben gezien. Zonder de verklarende onderschriften zou het niet gemakkelijk zijn te raden welke emotie bij welke grimas hoort. Het zijn stuk voor stuk mythes, zoals Theseus een mythische figuur is, of Heracles.

Le Bruns quasi-uitputtende classificatie van gezichtsuitdrukkingen presenteert zich niet als mythologie, maar als kennis. Men brengt hier natuurwetten in kaart, of nauwkeuriger: men schrijft hier natuurwetten. Ook door de tekeningen van Dellaporte en Lavater, die getoond worden, krijg je het gevoel dat de fysionomie een vorm van wetgeving voor het gezicht beoogt. Het gezicht moet zich aan de regels houden: om te beginnen mag het niets doen wat niet expliciet iets betekent, en vervolgens dienen de getrokken gezichten te corresponderen met de voor iedere emotie nauwkeurig vastgestelde schema's. De anarchie van het gezicht wordt vervangen door het ordelijke systeem van uitdrukkingen.

Le Brun is ook vertegenwoordigd met de beroemde tekeningen waarin hij dieren vergelijkt met menselijke types: de kameelman, de uileman, de varkensman. Het zijn schitterende tekeningen waarin op één blad het dier in kwestie en het menselijke type tot een eenheid versmolten worden. Het zijn geen karikaturen, daarvoor missen ze iedere spot; en juist dat maakt ze zo sterk, om niet te zeggen enigszins huiveringwekkend. Vooral wanneer men bedenkt dat het dezelfde ernst was die in de negentiende eeuw de fysionomische studie van geestelijk gestoorden en criminelen voortbracht, de wetenschap, die een betekenisvol systeem droomde en mensen indeelde naar de vorm van hun neus, schedel of voorhoofd. Het zou de wetenschap zijn waarop de nazi's hun beruchte klassificaties baseerden. Ook de nationaal-socialistische kunstbeschouwing liet zich erdoor leiden: om aan te tonen hoe ontaard de moderne kunst was toonde men portretten van de hand van Modigliani, Picasso, Beckmann en Dix naast foto's van zwakzinnigen en misvormden.

Europees

De meeste gezichten op de tentoonstelling hebben niets te maken met het menselijk gezicht zoals dat de tram, de Hema of het bed bevolkt. Je zou ze buitenmenselijke gezichten kunnen noemen: beelden, schilderijen en maskers, waarin de figuur van het gezicht de bühne is waarop andere zaken dan de menselijke emoties hun theater maken. Godenbeelden zijn daarvan een goed voorbeeld en ze zijn ruim vertegenwoordigd. De overbekende Griekse en Romeinse godenbeelden worden gemeden, maar Egyptische, Peruaanse, Oceanische, Chinese en Afrikaanse zijn er volop. De samenstellers hebben ervoor gekozen alle "meesterwerken' los te halen uit hun historische en culturele context, wat veel van de tentoongestelde voorwerpen reduceert tot curiositeiten en exotica. Een voorbeeld: in een van de vitrines stond een breed lachend masker met een sleep van bonte veren, een bloempotachtig hoofddeksel waaruit een enorme wolk van wol kwam en een smalle papagaaiesnavel-neus tussen twee olijke bolle wangen. Na al die sombere godheden moest ik de neiging onderdrukken om te zwaaien en terug te lachen. Dichterbij gekomen las ik dat dit masker uit Nieuw-Caledonië afkomstig was en de oppergod van het land der doden voorstelde. Dat was verwarrend en de vraag kwam op of hier nu sprake was van een misverstand en zo ja welk.

Hetzelfde geldt voor de voorwerpen die tot de boeiendste van de tentoonstelling behoren, namelijk de echte hoofden. Terwijl de rest van de tentoonstelling bestaat uit door mensenhand vervaardigde afbeeldingen, zijn er ook ex-gezichten te zien, dat wil zeggen, van de romp losgemaakte en geprepareerde hoofden. Uit het Braziliaanse Amazone-gebied is er een gesnelde en gekrompen kop, gemonteerd op een stok. Het gezicht, waarvan de lippen met een dikke draad zijn dichtgenaaid, is omgeven door een bos glanzend zwart haar. Het is zelfs in een flatterende pony geknipt. Uit Nieuw-Zeeland komen getatoeëerde hoofden ingelegd met blauwe glazen ogen. Hun liploze mond staat open in een grimas en toont gave, hagelwitte tanden. Van andere Zuidzee-eilanden komen de met klei en touw versierde voorouderschedels, soms met bizar grote neuzen, die als een tabakspijp omhoog groeien. En als klap op de vuurpijl is er de onvermijdelijke Egyptische mummie. Helemaal in grauwe windsels, maar met een open mond, die zicht geeft op verrassend kleine tanden en het onbeschrijfelijk onsmakelijke interieur van het hoofd.

Dit zijn hoofden, maar zijn het gezichten? En waar moet je naar kijken als het alleroverheersende idee is dat je naar het afgehakte hoofd van een lijk staart? Eens was dit iemand die at, praatte en zingend naar huis wandelde. Nu staat zijn hoofd in een Franse vitrine het Menselijk Gezicht te belichamen. Dat is een gedachte die duidelijk maakt dat het concept van de tentoonstelling een bij uitstek Europees idee is, dat weinig uit te staan heeft met de overwegingen van degenen die deze hoofden hebben afgehakt en geprepareerd.

Het verschil tussen het gezicht als abstracte vorm en het gezicht als plek waar rituele en symbolische transformaties plaatsvinden wordt zonneklaar als men oog in oog met het Supergezicht komt: Jezus. Op de tentoonstelling hangt een indrukwekkende vroege Russische ikoon en die is in zekere zin het centrum van de hele tentoonstelling. Het westerse begrip van Het Menselijk Gezicht, als beeld van de openbaring van het Zijn en teken van de metafysica van de aanwezigheid steunt op de figuur van Jezus. Het Menselijk Gezicht, dat is dat van Jezus de Witte Man.

Het gestileerde gezicht van de Christus is een perfecte harmonie tussen het menselijke en het goddelijke. Daarom is het geen afbeelding van een antropomorfe godheid, noch een portret. Het is de kern van het christendom in één enkel beeld: God krijgt een menselijk gezicht, en dat laadt alle menselijke aanwezigheid met Gods aanwezigheid op. Dat is gebeurd met de komst van Jezus en diens verschijning geeft de geschiedenis en het menselijk leven zijn zin en bestemming.

In al zijn onbewogenheid straalt het tegelijk tirannieke en weerloze gezicht van Jezus een programma uit, dat het westerse denken al bijna twee millenia beheerst. Dat deze tentoonstelling gemaakt wordt, toont aan dat het het zich nog steeds laat gelden, zij het nu in de gedaante van een filosofisch concept, een herleving van de antropologie. Het menselijk gezicht als teken voor het transcendente besturingsprogramma van het bestaan en waarmerk van het Zijn, is het sleutelgat waardoor de bezoeker de heidense maskers, godenbeelden en moderne kunst begluurt. Daar is het gezicht geen Vorm, maar een plek.

Het belangrijkste punt van kritiek op de tentoonstelling is dat hij te deftig en te esthetisch is. Dat heeft onder andere tot gevolg dat er nauwelijks fotografie is opgenomen. Al die onontkoombaar echte, concrete personen, de dubieuze status van de foto als kunstvoorwerp; de samenstellers zijn het uit de weg gegaan, op een paar veilige Mapplethorpes, een Lüthi en een Nauman na. De tentoonstelling wasemt zoveel ingetogen beschaving uit, dat je als toeschouwer behoefte krijgt aan "foute' gezichten. Zo was ik graag een zaal binnen gelopen die aan de ene kant vol hing met ideale gezichten uit de nationaal-socialistische en socialistisch-realistische school, en aan de andere kant ge-airbrushte anti-ideale, kwijlende monsters, die horrorfilms en fantasystrips bevolken.

In een vitrine op de binnenplaats is een kleine uitstalling van Yves Saint-Laurent-cosmetica. Een goed idee, want de dames en heren gebruiken hun lunch er recht tegenover op het terras. Maar in de tentoonstelling ontbreekt aandacht voor het fenomeen glamour en de invloed van de film en het hedendaagse sterrendom via mode en make-up op het gewone gezicht. En waar waren de triomfen van de plastische chirurgie, de robots, Frankenstein en de mannen die vrouwengezichten op hun billen hebben getatoueerd? In plaats daarvan waren er veel te veel Boeddha's, eskimo-maskers en zelfportretten van onbeduidende Franse kunstenaars.

Virtueel

Het onderdeel van de tentoonstelling waar ik me het meest op mijn gemak voelde was de afdeling gewijd aan het stille gezicht, dat geen uitdrukkingen meer wil of kan hebben. Hier waren de blanco gezichten van cycladische vrouwenbeeldjes, mediterende boeddha's, slapende prinsessen en doodshoofden te zien. Dwalend tussen al die in zichzelf gekeerde gezichten viel op dat ik me in die andere zalen onrustig en bekeken had gevoeld. Dat was een merkwaardige vaststelling, die precies de goede atmosfeer schiep voor mijn ontmoeting met De Ander.

De doodlopende gang was met zwarte stof bekleed en onverlicht zodat het scherm van vijf bij vijf meter alle aandacht opeiste. Ik raapte het doosje ter grootte van een pakje boter van de grond en richtte het groene lampje dat aan de kopse kant zat op het scherm. De Ander was meer dan levensgroot, wit en glad. Alleen een gezicht, maar een leeg gezicht; er waren geen ogen in de kassen. De Ander zweefde los in het donker, knipperde met de afwezige ogen en glimlachte stijfjes. Wanneer ik met het doosje naar het scherm toeliep kwam de Ander dichterbij. Zo dichtbij dat ik door hem heen ging en zijn binnenkant op het scherm verscheen. Die was hol en donker.

Ook kon ik de belichting van De Ander besturen door het doosje schuin van boven of vanaf de vloer te richten. Dan trok de Ander een duivels gezicht, en werd zijn schaapachtige glimlach een angstaanjagende grijns. Steeds bewoog de Ander met me mee, draaiend, knikkend, knipperend. Als ik te snel bewoog spatte de Ander uit elkaar als een kubistisch portret om in een oogopslag weer in elkaar te vouwen tot hetzelfde slome nietszeggende masker.

De Ander is de titel van Catherine Ikams "virtuele installatie', die ontstaat door een computer bliksemsnel te laten reageren op een lichtsignaal dat door tientallen ruimtelijke zones beweegt waarin de omringende kamer is ingedeeld. Iedere ontmoeting tussen een bezoeker en de Ander is verschillend. Ook als er niemand is heeft de Ander een leven: hij blijft bewegen en zoeken naar iemand die het doosje oppakt en zijn gezicht aanstuurt.

Dit stille, trage masker op het scherm herinnerde me aan de momenten waarop ik me erover verwonderde een uiterlijk, een gezicht te hebben. Dat klinkt gek, maar we zitten toch allemaal met zo'n ding, een uitermate dynamisch orgaan dat voortdurend een stroom van signalen uitzendt, maar hoeveel en welke, dat ontgaat ons grotendeels. Natuurlijk doet ons gezicht veel wat parallel loopt aan wat er in ons omgaat, maar het doet nog veel meer, in een voortdurende reflex op de omgeving. Al kan het er onmogelijk ooit niet geweest zijn, toch is mijn gezicht me overkomen en wat het doet overkomt me de hele dag.

Het is een marteling om via de omweg van foto's, video en opmerkingen van anderen weet te krijgen van de operaties van ons gezicht. Het is niet zo dat ons gezicht een masker is dat ons eigenlijke zelf niet toont. Eerder andersom. We kunnen niet bijbenen en bevatten wat er allemaal aan onze open voorkant gebeurt. Toch zijn het die ongewilde gebeurtenissen waaruit we voor anderen bestaan en waarop zij hun gedrag afstemmen.

In het donker met het doosje in de hand, de Anders onmenselijke smoel besturend, overwoog ik dat er ergens in het heelal wezens moesten bestaan, die in intelligentie, gevoeligheid en beschaving aan de mens gelijkwaardig waren, maar geen menselijke vorm bezaten. Ik probeerde me hun intelligente, gevoelige, beschaafde gezichten voor te stellen, maar er kwam niets. Ik legde het doosje op de grond en draaide me om, de Ander aan zijn eigen virtuele zelf overlatend. Onderweg naar buiten fluisterde er iets dwaas in mij: "I want to be an alien.' Maar op straat kon niemand het aan me zien.