De kwaden èn de goeden

AL GERUIME TIJD zijn er tekenen dat de criminele kaart van Nederland in beweging is. De grenzen staan open voor buitenlandse aanvoer en doorvoer van illegale drugs en dat laat onvermijdelijk sporen na in de criminele milieus. Maar ook binnenslands is sprake van verdichting van criminaliteit, of men dat nu zware beroepscriminaliteit noemt, of misdadige ondernemingen, misdaadmanagers, dadergroepen dan wel georganiseerde criminaliteit. Het kabinet kiest voor de laatste term in een dezer dagen uitgelekte nota van de ministers Hirsch Ballin (justitie) en Dales (binnenlandse zaken) over een “dreigingsbeeld en plan van aanpak”.

De terminologie is in dit geval niet zonder betekenis, zeker niet wanneer zij zoals hier dient als scharnier tussen de analyse en een therapie die in belangrijke mate afkomstig is van de minister van justitie. Het enkele gebruik van de aanduiding georganiseerde criminaliteit legt een zware hypotheek op een justitieel plan van aanpak. Er bestaat strafrechtelijk gezien namelijk bijna geen onbestemder begrip. En het strafrecht eist juist een klare taakstelling als bindmiddel voor de inzet van overheidsbevoegdheden die diep in kunnen grijpen in het leven van concrete burgers - en zelfs in het hele maatschappelijke verkeer - inclusief menige onschuldige.

HET BUITENLAND levert voorbeelden dat politici niet aarzelen zich achter het diffuse begrip van de georganiseerde criminaliteit te verschuilen om een eenzijdige verscherping van het geldende strafrecht te pousseren: undercoveragenten, “Rasterfahndung” (het net halen door allerlei computerbestanden), richtmicrofoons, melding van transacties en omkering van de bewijslast ten aanzien van verdachte winsten. Deze buitenlandse voorbeelden prijken stuk voor stuk ook op het verlanglijstje van Hirsch Ballin.

Het “dreigingsbeeld” dat hij en zijn collega van binnenlandse zaken daar tegenover zetten is echter onbestemd; de hele term komt trouwens uit het BVD-jargon dat niet uitmunt door helderheid. De nota gooit van alles op één hoop, van Brabantse textielrovers tot het onlangs opgerolde XTC-miljoenencomplot. Zo wordt het begrijpelijk dat de eigentijdse “misdaadanalisten” van de recherche niet zo lang geleden konden komen tot bijna zeshonderd criminele organisaties, maar de nota geeft nu zelf toe dat deze rapportage “slechts indicatieve waarde” had, zoals het diplomatiek wordt genoemd. Was het ook niet gewoon een beetje stuntwerk?

Aardige clubjes vormen die zeshonderd natuurlijk niet, maar het kaliber van georganiseerde criminaliteit die voldoet aan alle vijf criteria die de nota noemt, hebben “slechts enkele”. Daarmee wordt waarschijnlijk een drietal bedoeld. Dat is geen reden tot luchthartigheid, want doorslaggevend voor een dergelijke kwalificatie is dat een criminele groep er in slaagt mensen uit het bedrijfsleven of de overheid voor haar karretje te spannen. Dat is pas goed huiveringwekkend.

MAAR ER DIENT te worden afgewogen of het thans gepresenteerde dreigingsbeeld werkelijk massale melding van alle banktransacties boven een betrekkelijk bescheiden bedrag bij de overheid rechtvaardigt. Is het ook niet ten minste voorbarig aan te kondigen dat alle bestaande wettelijke beperkingen die de informatieverzameling in de weg staan, naar believen zullen worden opgeruimd? Een dergelijke manier om de goeden onder de kwaden te laten lijden is niet alleen principieel onjuist maar ook kortzichtig. De overheid heeft er geen belang bij burgers af te schrikken die juist moeten helpen de onderwereld buiten de deur van onze normale samenleving te houden.