De filosoof is clown geworden; Malcolm Bradbury over vliegende intellectuelen

Met zijn deze week verschenen boek "Doctor Criminale' heeft Malcolm Bradbury een "roman van de jaren negentig' geschreven. Wat is er overgebleven na het verdwijnen van de grote ideologieën? Wat komt er terecht van de nieuwe Europeaan? "Een chaotische mengeling van tolerantie, permissiviteit, pragmatisme, morele onzekerheid, wereldomvattende angst en deconstructief scepticisme.'

Malcolm Bradbury: Doctor Criminale. Uitg. Secker & Warburg. 344 blz. Prijs ƒ 49,75.

De Nederlandse auteur Geerten Meijsing mag dan verontwaardigd zijn over de literaire inteelt binnen de Amsterdamse grachtengordel, buiten die paar vierkante kilometer gaat het er in de literatuur misschien niet veel beter aan toe. Dat kunnen we ten minste lezen in Doctor Criminale, de deze week verschenen vijfde roman van Malcolm Bradbury. De inmiddels 60-jarige Engelsman geeft in zijn boek een beeld van een Europees literatuurcircuit dat nog heel wat negatiever uitvalt dan wat Meijsing in zijn De grachtengordel liet zien.

Komen in de Nederlandse roman nog verschillende persoonlijkheden voor die van tijd tot tijd serieuze gesprekken voeren over boeken en schrijvers, bij Bradbury is het intellectuele leven tot gevaarlijk dicht bij het nulpunt gedaald. In zijn literaire wereld wordt voornamelijk gegeten, gedronken en geroddeld. Als er wordt gepraat, wordt er nagepraat. De enige idealen die de internationale literaire jet set er volgens Bradbury nog op na houdt, zijn vrouwen, drankjes en geld.

Nu is Bradbury natuurlijk een satiricus, veel meer dan de van huis uit doodserieuze Geerten Meijsing. Hij is erop uit je aan het lachen te krijgen. Zijn personages zijn karikaturen. Hun gedrag is grotesk.

Maar dat maakt zijn observaties niet minder juist. Niemand kan ontkennen dat de bevlogenheid uit eerdere decennia voor een groot deel uit de literatuur verdwenen is. Sommige Europese schrijvers blijken zich de afgelopen halve eeuw met dubieuze regimes te hebben vereenzelvigd. En wie dat niet hebben gedaan, zoals de jongeren, hebben weinig waarden of ideeën waaraan ze zich op zouden kunnen trekken.

In de deze zomer verschenen bloemlezing New writing (uitg. Minerva) schrijft Bradbury, die in het dagelijks leven aan de Universiteit van East Anglia doceert, dat de huidige literatuur zich in een zelfde soort situatie bevindt als honderd jaar geleden. Systemen en ideologieën zijn uiteengevallen en het gevolg is dat de literatuur nu de angst en de spanningen weerspiegelt waarmee dat gepaard is gegaan. “Sinds 1989, toen de Berlijnse muur verdween, hebben we alle reden om te veronderstellen dat we niet langer in een moderne of post-moderne, of zelfs maar na-oorlogse wereld leven. We leven in een tijd die moeizaam bezig is over te gaan in een andere wereldorde.”

Overgang

Over die overgang naar een andere wereldorde en de spanningen die daar uit voortkomen gaat Doctor Criminale. Bradbury heeft het boek geschreven op aandringen van zijn uitgever. Secker & Warburg wilde aan het begin van de jaren negentig graag een roman uitbrengen over het nieuwe tijdsgewricht en Bradbury had in zijn The history man (1975) laten zien dat hij een van de weinigen was die zoiets op korte termijn konden.

Bradbury heeft gewetensvol aan het verzoek van zijn uitgever voldaan. Er is in 1989 en 1990 inderdaad maar weinig gebeurd dat in het boek niet ergens een plaatsje heeft gekregen. Het ineenstorten van de Berlijnse muur staat erin, de ontmanteling van de Oosteuropese geheime diensten, de zaak Waldheim, de moeizame Europese eenwording, en ook de val van Thatcher, in dit geval beschreven aan de hand van artikelen in een Oostenrijks krantje uit die dagen.

Interessanter is echter hoe Bradbury de modes en ideeën van de laatste jaren heeft verwerkt. Hoofdpersoon van de roman is een 26-jarige journalist, een punk-journalist zoals hij zichzelf noemt. Zijn werkwijze bestaat eruit dat hij bij voorkeur onderwerpen aanpakt waar hij de grootst mogelijke minachting voor heeft. Nadat hij het bij de bekendmaking van de Bookerprijs te bont heeft gemaakt, wordt hij door een nieuw commercieel televisiestation ingehuurd om een documentaire voor te bereiden voor de reeks "Denkers van het Glasnost Tijdperk'.

De documentaire moet gaan over Doctor Bazlo Criminale. "Wie kent hem niet?' denkt de journalist. Criminale is een veel gelezen en geprezen Hongaarse denker, schrijver van de roman Homeless, de "Lukacs van de jaren negentig'. Hij is het type van de "vliegende intellectueel'. Waar hij woont, weet bijna niemand, maar overal ter wereld duikt "de meester van de conferentie-badge' en de "virtuoos van de openingstoespraak' even op, steevast omringd door journalisten, politici en vrouwen.

Het is moeilijk bij de beschrijvingen die Bradbury van de Hongaar geeft, niet te denken aan de huidige president van de internationale PEN, György Konrád. Net als Konrád is Bazlo Criminale in de jaren tachtig en negentig uitgegroeid tot een symbool van de twintigste-eeuwse Europese geschiedenis. Hij is voor de oorlog in een oud Bulgaars stadje geboren, studeerde in vele Europese hoofdsteden en bleef uiteindelijk steken in een oud appartement in Boedapest. Met zijn verleden is hij volgens velen degene die bruggen zou kunnen slaan tussen Oost en West, tussen Marx en Freud, en tussen politiek en literatuur. Hij drukt, zoals Bradbury schrijft, internationaliteit uit, contemporaniteit, en eeuwigheid. Hij is een held van deze tijd, van alles een beetje en niets helemaal.

Aan de hand van de journalist en de denker geeft Bradbury zijn vermakelijke tijdsbeeld. De twee zijn in zekere zin tegengesteld aan elkaar. De journalist verpersoonlijkt het vluchtige, het nieuwe, de toekomst. Hij is opgevoed in een tijd van deconstructie en postmodernisme. De Hongaar staat voor het verleden, het stabiele, het onderbewuste, het geheugen. Maar bij nader inzien hebben ze eigenlijk heel veel gemeen. Tijdens een gesprek aan het eind van het boek komen ze tot de conclusie dat ze onder hetzelfde manco lijden. In de woorden van de journalist: een "chaotische mengeling van tolerantie, permissiviteit, pragmatisme, morele onzekerheid, globale angst en deconstructief scepticisme.'

Een filosoof is in deze door de media beheerste tijden geen denker meer. Hij is eerder "de clown van de gedachte'. Hij heeft de rol van wijze opgedrongen gekregen, maar het is niet meer nodig om ook wijs te zijn. Net als de journalist laat hij elk tijdperk, elk idee aan zich voorbij trekken. Het enige wat hij hoeft te doen is een beschrijfbaar beeld van de werkelijkheid geven, het opentrekken van een trommel clichés.

Wat Bradbury laat zien is dat het deconstructivisme waarmee de journalist is opgevoed aansluit bij wat de media met de filosoof doen. Gaat het deconstructivisme er van uit dat de persoon en de ideeën van de schijver er niet toe doen omdat elke lezer zijn eigen boek schrijft, in de wereld van de televisie doen de ideeën van schrijvers en denkers er niet toe omdat ze niet gevisualiseerd kunnen worden. Een schrijver moet een persoonlijkheid zijn, met intriges en schandalen, een achtergrondverhaal dat het goed doet bij de kijkers.

Verwikkelingen

Het decor van al deze verwikkelingen is het eenwordend Europa. De roman speelt zich voornamelijk af in Engeland, Oostenrijk, Hongarije, Italië, Zwitserland en het Brussel van de Europese Commissie en we krijgen zo een aardig alhoewel niet erg origineel beeld van de vele aspecten van de Europeaan. Er zijn Oostenrijkers die met hun oorlogsverleden worstelen, Hongaren die alles weten te regelen, lawaaiige Italianen, en zwijgzame Zwitserse bankbedienden die beseffen dat ze zich aan de internationale regels moeten aanpassen.

Hoewel Malcolm Bradbury de afgelopen tijd verschillende tv-programma's over Europa en de Europese gemeenschap heeft gemaakt, is hij daar zo te zien niet enthousiaster van geworden. Een onderwerp dat in de gesprekken van de journalist bijvoorbeeld geregeld terugkomt is de tegenstelling tussen het denken op het Europese continent en het angelsaksische gedachtengoed. De tegenstelling lijkt onoverbrugbaar. De Engelsen zien de Europeanen in de visie van Bradbury als tobbers die vooral met het verleden bezig zijn. Aan de andere kant vinden de Europeanen weer dat de Engelsen alleen maar in hoogst onbenullige vraagstukken zijn geïnteresseerd. Voor hen zijn feiten kennelijk niets meer dan feiten. Ervaringen en interpretaties kennen ze niet.

Bradbury laat iemand opmerken dat Engeland zich altijd de luxe van de empirische filosofie heeft kunnen permitteren omdat het gespaard is gebleven voor de tragedies uit de geschiedenis. De Engelsen hebben geen volkerenmoord aan den lijve meegemaakt en ze hoeven geen schuldgevoel over collaboratie te hebben.

Doctor Criminale is een wonderlijk boek. Het zit vol onverwachte invalshoeken en rake observaties en het verveelt geen moment. Het volgt de journalist zestien hoofdstukken lang op zijn zoektocht naar Criminale. Maar, zoals in deze tijd verwacht mag worden, er ontstaat geen helder beeld. In elk hoofdstuk krijgt de jonge held nieuwe getuigenissen en waarnemingen. Een definitief portret van de denker blijft onmogelijk. Het onderwerp dat hij onderzoekt blijkt even veelzijdig en glibberig als hijzelf.