De cultuur is in verval; Gesprek met Rudi Fuchs

De verkoop van twee Picasso's die Rudi Fuchs, directeur van het Haags Gemeentemuseum, zich een jaar geleden voornam, veroorzaakte toen veel opschudding. Fuchs houdt ervan de politiek op de vingers te tikken. “Het is net als bij een hond: als je die laat merken dat je bang bent, gaat hij bijten. Je moet dus een zelfverzekerde houding uitstralen en dat moet bij dit werk ook.” Daarom schrikt hij niet terug voor uitspraken: over de arrogantie van politici, over het falende kunstbeleid, over Goldreyer en, voorzichtig, over de opvolging van Wim Beeren bij het Stedelijk Museum in Amsterdam.

Rudi Fuchs zucht. Ik vertelde hem dat het me bij aankomst opviel hoe ongelooflijk lelijk het Museon aan het Haags Gemeentemuseum vastzit, alsof het filmdecor van Ben Hur aan het Parthenon in Athene is gebouwd. De lichtgele bakstenen van het Museon vloeken bij de okergele steentjes van Berlages gebouw en ook de grove vormen steken onaangenaam af bij de veel subtielere verhoudingen van het Gemeentemuseum.

Fuchs: “De musea zijn op drift geraakt, er is getornd aan hun traditionele activiteiten. De manier waarop het Museon aan het Gemeentemuseum is gekoppeld is daar een voorbeeld van. Het Museon stond op een andere plek in Den Haag en het heette Schoolmuseum, wat een veel mooiere naam is dan Museon. Schoolmuseum zegt precies wat het is, zo'n term als Museon is typerend voor de verschrikkelijke jaren zeventig. Bedrijven hebben ook vaak van die nietszeggende namen: Eurostar, dat is dan een matrassenfabriek die vroeger gewoon Jansen & Zoon, Matrassen heette.

“Het idee was om hier aan de Stadhouderslaan een complex voor kunst en wetenschap te creëren, een soort Smithsonian Institute, groot en allesomvattend. Er wordt dan gepraat over Goethe, de Verlichting, het samengaan van Art and Science en voor je het weet is het zover: er komt een architect en die ziet er geen been in om een van de klassieke Nederlandse gebouwen onherstelbaar te verminken. Vernieuwing laat vaak enorme sporen van vernieling na. Het Museongebouw is op zichzelf nog wel acceptabele architectuur, maar de manier waarop het aan het Gemeentemuseum vastzit is lomp. In de hal van dit museum was een nis met een toonbank van donker hout waar de kaartjes werden verkocht. Die nis is opengebroken, de kerkachtige hal verwoest. In het Amsterdamse Rijksmuseum is de hal wit gemaakt, van een hal is het een lobby geworden. Dat is ook zo'n woord, net als Museon: lobby. Al die dingen gebeuren omdat het museum op drift is, het moet zich op de een of andere manier legitimeren als iets anders dan het is: het moet groter worden, meer mensen trekken, amusement bieden.

“Men dacht dat de mensen hier van de kunst naar de wetenschap zouden lopen, maar dat gebeurt niet. Vrijwel niemand die naar het Museon gaat, bezoekt ook het Gemeentemuseum, of omgekeerd. Die twee instellingen hebben ook niets met elkaar te maken: het Museon legt stap voor stap uit hoe het heelal in elkaar zit, de wereldzeeën. Wij tonen unica. Dat vereist een andere manier van kijken.”

Vijf jaar geleden kwam je van het Eindhovense Van Abbemuseum naar Den Haag. Waren het vijf tropenjaren?

“We zijn hier begonnen met het op een bijna archeologische manier proberen terug te vinden van het klassieke, traditionele museum, de ruimtes aan te passen aan de collectie. In de benedenzalen, waar veel uit weggeslagen was, hebben we de oorspronkelijke verhoudingen terug gebracht. Dat is bevredigend. Zelfs de grote zalen hebben hier iets intiems, huiskamerachtigs, wat ik aantrekkelijk vind. Misschien was dat wel een van de diepste redenen om te zeggen: dit moet een collectiemuseum worden met een permanente opstelling van de vaste verzameling en bescheiden exposities die daarbij aansluiten.

“Als je me vraagt of het moeilijke jaren waren, ja. In die zin dat de plannen die we ontwikkeld hebben telkens weer stagneren. Door geldgebrek. Dat kan ik moeilijk verkroppen, omdat het om zo weinig geld gaat. We zijn nu bezig met een nieuwe inrichting van de kunstnijverheidsafdeling. Donald Judd heeft vitrines ontworpen en we zoeken naar twee- à driehonderdduizend gulden om die uit te kunnen voeren.” Hij vertelt enthousiast over de nieuwe vleugel waar de kunstnijverheidsafdeling in wordt ondergebracht, de drie vloeren die schitterende draagvlakken vormen voor de vitrines, de wanden, waarvan het wit achter warme kleuren zal verdwijnen, voor elke soort kunstnijverheid een andere kleur, de modezaal, waarin de kostuums, alsof het sculpturen zijn, op sokkels worden getoond. “Er is heel hard aan gewerkt, maar alles hangt nu op dat geld voor de vitrines. Dat is frustrerend, want zonder vitrines kan het niet. De gemeente ziet lijdzaam toe, hoewel het hier toch om een belangrijk element gaat.”

Aankoopbudget

Aan het begin van dit jaar, bij de aankondiging van nieuwe bezuinigingen, schreef de Haagse Dienst voor Kunst en Cultuur in een notitie: “De ambitie om het Gemeentemuseum tot een toonaangevend collectiemuseum te maken, staat reeds op een gespannen voet met de huidige begroting. Een vermindering van het budget zal het museum dwingen op een lager niveau verder te gaan. De directeursfunctie krijgt een geheel andere inhoud.” Je hebt daar toen geen commentaar op gegeven.

“In een van de bezuinigingsscenario's - en daar sloeg die notitie op - zou het Gemeentemuseum opnieuw ernstig worden getroffen. Dat is niet gebeurd, we zijn er dit keer goed afgekomen. Maar als ik mijn ambities in dit museum niet kan realiseren, dan kan ik niet goed verder hier.”

Zie je het somber in?

“Ik denk er niet over na. Ik ben ervan overtuigd dat waar we hier mee bezig zijn, zinvol is. Maar met een aankoopbudget van een half miljoen begin je niet veel. Door mijn persoonlijke relaties met kunstenaars weet ik nog wel het een en ander het museum binnen te krijgen. Ik probeer hen tot schenkingen te bewegen, of langdurige bruiklenen. Bijvoorbeeld tekeningen van Kounellis, grafiek van Rainer en Judd, die wij dan verzorgen en tentoonstellen. Maar het mag allemaal niet te zwaar leunen op die persoonlijke relaties, dat kan niet zo blijven.

“Het gemeentebestuur is door alle financiële saneringen voorzichtig geworden, we krijgen geen enthousiaste ondersteuning voor onze activiteiten. Dat is lastig, want ik wil alles met veel ambitie doen. Het is net als bij een hond: als je die laat merken dat je bang bent, gaat hij bijten. Je moet dus een zelfverzekerde houding uitstralen en dat moet bij dit werk ook. Als je maar voor een half miljoen mag aankopen, dan moet je voor twee miljoen aan ambities ontwikkelen in de hoop dat je andere mensen zult meekrijgen: kunstenaars, gemeentebestuurders.

“Ik merk weleens dat nog altijd de gedachte heerst: Het Haags Gemeentemuseum is een beetje een knullig, achtergebleven instituut. Maar dat is allang niet meer zo. Er wordt hier belangrijk werk gedaan, al uit zich dat dan ook niet in eclatante publiekstrekkers.”

Het museum heeft de grootste kostuumcollectie van Nederland. Twee jaar geleden wilde je die afstoten, je vond dat er een nationaal kostuummuseum moest komen.

“Ja, ik dacht: wat we hier ook met die kostuums doen, in verhouding tot de omvang van de verzameling is het altijd te weinig. Met de directeur van het Centraal Museum in Utrecht, Sjarel Ex, die met hetzelfde probleem kampt, heb ik toen gesproken over de mogelijkheid van een nationaal kostuummuseum. Maar zo'n museum bleek bij het ministerie van WVC prioriteit min-tien te hebben en daarmee was dat idee van de baan. De kostuumcollectie wordt nu dus niet afgestoten, maar ze moet wel hevig worden uitgedund.”

Je wilde niet alleen kostuums wegdoen, maar ook meubels, schilderijen. Hoe staat het daarmee?

“Een groot deel van de mankracht verdwijnt in dit museum naar het beheer van allerlei dingen waar we niets mee doen. De depots zijn overvol en wat we nooit tentoonstellen en niet meer kunnen beheren, gaat dus weg. Dat gebeurt heel zorgvuldig: eerst wordt alles gedocumenteerd, dan kijken we of we een goede bestemming weten. De Zeeuwse landschappen van Le Fauconnier gingen bijvoorbeeld naar het Zeeuws Museum, de affichecollectie naar de Rijksdienst voor Beeldende Kunst. Nee, we krijgen er geen geld voor, dat is niet de bedoeling. Ik vind dat je deze verschuivingen zou moeten uitbreiden naar andere Europese landen, maar wanneer je dat probeert blijkt dat Europa nauwelijks een culturele infrastructuur heeft en bij de ministeries, bij WVC of Buitenlandse Zaken, is men hier niet in geïnteresseerd. Ik vind het belangrijk dat al die kunstvoorwerpen op plekken komen waar ze wel een functie hebben, alles is beter dan dat het hier in de kelders ligt. Waar we geen bestemming voor vinden kan na een aantal jaren worden geveild. Elk object vindt dan wel iemand die het hebben wil, een eierdopje, een raar hoedje, god weet wat. Wie het koopt stelt er prijs op en die zal er dus ook voor zorgen, beter dan wij nu kunnen of willen.”

Picasso

Om een aankoopfonds te kunnen stichten kwam Fuchs met het plan twee schilderijen van Picasso te verkopen, topstukken uit de verzameling van het museum. De Haagse gemeenteraad stemde een jaar geleden met deze verkoop in. Kort daarna, op 24 oktober 1991, richtten veertig "vooraanstaande personen uit de Nederlandse kunstwereld' een verzoekschrift aan de Kroon. Ze vroegen hierin het Haagse raadsbesluit te vernietigen.

Als ik Fuchs vraag wat er na dat verzoek aan de Kroon gebeurd is, of de affaire nog sleept, zegt hij korzelig: “Dat neem ik aan. De Raad van State moet het bezwaarschrift ontvankelijk verklaren, als dat gebeurd is wordt het behandeld. Op het moment dat ik voorstel tot die verkoop over te gaan, moet de gemeenteraad overigens nog een definitief besluit nemen. Daarbij zal de raad zich conformeren aan de opvattingen van het Rijk. Toen deze zaak een jaar geleden aan de orde was, heeft minister d'Ancona gezegd dat zij die verkoop zou verhinderen. Maar inmiddels is men er op het ministerie toch ook een beetje anders over gaan denken. Het idee van de museumverzameling als een onaantastbaar gegeven, als een van binnenuit gegroeid kristal, dat fundamentalistische idee van mijn tegenstanders is iets minder heilig geworden. Ik vind: het museum, de collectie is een wezen dat leeft.”

Maar als het aan jou lag: wanneer hoop je die Picasso's te verkopen?

“Als we het doen, moeten we er een prijs voor krijgen die opweegt tegen het verlies van die twee schilderijen. Indertijd, toen het idee opkwam, is er gesproken over een fonds van veertig miljoen. We waren toen in de hoogtijdagen van de kunsthandel, dat is nu niet meer zo. We willen precies nagaan wat die twee doeken nu zouden opleveren. Als dat veel minder is, moeten we opnieuw bepalen of we het daarvoor willen doen. Zolang ik niets voorstel, gebeurt er ook niets. Als die verkoop niet kan doorgaan zal de gemeente zich opnieuw moeten bezinnen op de houdbaarheid van dit museum. Essentieel is dat de verzamelcapaciteit wordt opgevoerd, het aankoopbudget moet omhoog. Het is natuurlijk heel eenvoudig om te zeggen: okay, we kopen bijna niks meer aan en we maken er een tentoonstellingsinstituut van, met sponsorgelden gaan we grote exposities inrichten. Maar daar zou ik niet aan mee willen werken, dat zou botsen met de identiteit van dit museum.

“Als de gemeente geen geld op tafel kan leggen, kun je ook nog denken aan een interventie van de Staat. Met het Stedelijk, Kröller-Müller, Boymans en het Van Abbe hoort het Gemeentemuseum tot de gezichtsbepalende musea van dit land. Het Rijk zou kunnen zeggen: we mogen niet toestaan dat een dergelijk instituut in verval raakt. Het Rijk zou dan financieel kunnen bijspringen en daarbij mogen natuurlijk voorwaarden worden gesteld: dit en dat moet intact blijven. Ik hoop dat de minister daartoe besluit.

“Natuurlijk vind ik ook dat een museum geen schilderijen van Picasso zou moeten verkopen, maar als je geen belangrijke kunstwerken meer aan de verzameling kunt toevoegen, is er geen keus.”

Een paar jaar geleden schreef je dat de cultuur in Nederland schrikbarend in verval is, het cultuurbeleid instort.

“Ja dat vind ik. Ik denk dat het toerisme hier steeds belangrijker zal worden, maar wat heeft Nederland te bieden? Laatst zag ik d'Ancona zitten bij dat rare programma van Peter Brusse, de Orangerie, toen begon ze weer: Nederland is het land met de grootste museumdichtheid van Europa. Maar wat doet ze ermee? Niets anders dan zorgen dat de zaak afkalft. Tien jaar geleden was Nederland voor het tonen van na-oorlogse kunst nog het brandpunt van de wereld. Als je kijkt naar de biografieën van grote kunstenaars, van Beuys, tot en met de generatie van Toon Verhoef, zie je dat ze allemaal hun eerste grote expositie in Nederland hadden. In 1979 exposeerde Kiefer in het Van Abbemuseum, ik was toen in staat om voor het Van Abbe vier belangrijke schilderijen van hem aan te kopen. Zo was het in alle musea. Dat is nu ondenkbaar. In 1967 was de Picasso-expositie in Amsterdam, een jaar later zou Matisse aan de beurt zijn, maar dat ging niet door want het geld was er niet. Vanaf dat moment heeft Nederland geen tentoonstellingen meer gehad van klassieke modernen, op een enkele uitzondering na, zoals Malevitsj. Nederland heeft zich op dat niveau moeten uitschakelen. Ook de leidende positie in het tonen van hedendaagse kunst hebben we op moeten geven.

“Ik heb weleens uitgerekend dat je met veertien miljoen de collectievorming van de musea weer tot leven kunt wekken. Als je ziet wat de PTT uitgeeft om zich op de Europese markt te profileren als een telecommunicatie-gigant, zijn de bedragen die de Nederlandse kunstinstellingen nodig hebben om in Europa mee te tellen peanuts.”

Je houdt ervan politici aan te vallen, hen op de vingers te tikken.

“Ik hamer op een aantal punten. Ik ben ervan overtuigd dat het afbreken van de cultuur erg is, we krijgen de rekening gepresenteerd. Op de universiteiten is de verschraling al jaren aan de gang, binnenkort kunnen we onze eigen ingenieurs niet meer opleiden. Wat me irriteert is de arrogantie van politici die op grond van gewenste uitkomsten uitspraken doen over de werkelijkheid. Ik was verbijsterd over Vermeend, die zegt dat hij als kamerlid anders analyseert dan als hoogleraar. Ik vraag me af of die man wel geschikt is om kamerlid of hoogleraar te zijn. Hij bedoelt dat hij in de kamer met partijstandpunten en -belangen te maken heeft. Het is hier de DDR niet.”

Hij kijkt schichtig als ik begin over zijn jeugd in Eindhoven. Vertelt dat zijn vader instrumentmaker bij Philips was (“Mijn vader bouwde het eerste proefmodel van een bandrecorder.”). Voor hij omzwaaide naar kunstgeschiedenis studeerde hij in Leiden Nederlands. Hij wilde dichter worden. Ik vraag waarom het daar nooit van gekomen is.

“Omdat ik niet genoeg capaciteiten in die richting heb. Het was het normale patroon: redacteur van de schoolkrant en gedichten schrijven. Ik ging Nederlands studeren omdat ik dichter wilde worden, een onzinnig idee, je kunt dan nog beter landbouwwetenschap kiezen. Als je kunstenaar wilt worden, dan moet dat een volstrekt ononderdrukbaar verlangen zijn. Voel je dat niet, dan is het fout, dan ga je het van de buitenkant bekijken, je afvragen: wat is een dichter. Wat mij in de kunst aantrekt, is het complete. Iemand begint aan een schilderij en maakt dat af. Het is zeldzaam, dat iemand bij het hele produktieproces betrokken is: als je in een fabriek schroeven maakt, worden die weer onderdeel van een auto. Er zijn twee beroepen waarbij het wel zo is, kunstenaar en boer. Ik ben gefascineerd door boeren, ik heb niet voor niks een huisje op het Engelse boerenland. Ja, ik zou graag boer zijn.”

Hij beschrijft de hectische dagen die hem te wachten staan, eerst naar Manchester en Yorkshire, dan meteen door naar Tilburg. “Een kunstenaar is in zijn atelier of schrijfkamer alleen met zijn eigen werk bezig. Als hij iets afzegt, of een schilderij is nog niet klaar, dan vind je dat normaal. Maar als ik een notitie voor de wethouder af moet hebben, krijg ik op m'n lazer als ik er te laat mee ben. De tijd ergens voor nemen, dat is alleen een boer en een kunstenaar toegestaan.”

Later in het gesprek: “Als ik verstandig was ging ik in mijn huisje in Engeland wonen en af en toe wat schrijven.”

Waarom doe je dat niet?

“Omdat ik een moralist ben. Ik wil nog een hoop dingen veranderen in Nederland. Ja, ik heb zendelingsneigingen. Mijn wekelijkse collumnpjes zie ik als kleine sermoentjes. Ik heb ooit overwogen om theoloog te worden. Een dichter heeft alleen pen en papier nodig, dat is prachtig. Een schilder kan niet zonder ezel, verf, doek en kwasten, dat is een zwak punt van de schilderkunst. Een theoloog heeft zijn hele leven maar één boek nodig: het Oude en het Nieuwe Testament. Schaken trekt me ook aan: die enorme concentratie en beperking.”

Schrijf je nog weleens gedichten?

“ Ja, maar ik maak ze niet af. Ik wilde een lang, verhalend gedicht over de wereld schrijven. Het speelde in de zeventiende eeuw, het ging over een reis naar Indië en terug. Het begon met een Amsterdamse koopman die over de Dam loopt, bij het pas gebouwde stadhuis. Ik heb er jaren niet meer naar gekeken. Soms denk ik: ik moet er aan verder, maar dan aarzel ik: nee, het is niet goed genoeg.”

Opvattingen

In de Goldreyer-affaire nam je het op voor Wim Beeren, die de restauratie van Newmans schilderij "goed en bevredigend' had genoemd. Dat verbaasde me.

“Goldreyer heeft de zaak geflest, dat is nu gebleken. Maar de manier waarop die affaire begon, schoot me in het verkeerde keelgat. Het is niet zo duidelijk, hoe moderne kunst gerestaureerd moet worden, dus vind ik zo'n campagne tegen een museumdirecteur misplaatst. Het kreeg bijna het karakter van een volksgericht, terwijl het hier om een artistiek-historisch probleem gaat: om de vraag of er nog andere restauratiemethoden denkbaar zijn dan bij de doeken van Rembrandt. Dat Van de Wetering zijn kritiek meteen aan de grote klok hing, zinde mij niet.”

Je hebt me gezegd dat je niet wilt praten over de opvolging van Beeren in het Stedelijk Museum. Waarom niet?

“Omdat het voor mij niet aan de orde is, ik ben hier met van alles bezig. Ik heb niet gesolliciteerd en ik heb geen contact gehad met de gemeente Amsterdam.”

Maar als de gemeente het je zou vragen?

“Dan hangt het ervan af wat ze me vragen. Op dat moment ga ik erover nadenken.”

In januari '89 zei je tegen Bibeb: “Ik zal nooit solliciteren. Als het gemeentebestuur zou vinden dat ik er moet komen, moeten ze het vragen met mijn aanstelling ondertekend in de hand. Dus je kunt zeggen: Fuchs komt nooit in Amsterdam.”

“Als mij nu iets zou worden gevraagd, gaat het erom hoe het gebeurt en daar heb ik niets aan toe te voegen. Ik zat nog geen blauwe maandag in Den Haag, of de mensen zeiden al tegen me: over een paar jaar ga je toch naar Amsterdam? Alsof het Stedelijk iets heiligs is. Het gaat hier niet om wat ik wil. Ik heb opvattingen over kunst, over collecties. Die zijn voor een deel gebonden aan de instelling waar ik werk en voor een deel zijn ze absoluut. Ik zal mijn hele leven weigeren om populistische tentoonstellingen te maken. Het gaat er dus om wat de Gemeente Amsterdam met het Stedelijk Museum voorheeft. Op basis daarvan moet men kijken, wie men daar wil neerzetten. Ik zit niet te denken: ik moet hier of daarheen. Ik moet niks.”

Volgende maand gaat het paleis aan het Lange Voorhout open, als dependance van het Gemeentemuseum. Wat krijgen we daar te zien?

“Op de twee benedenverdiepingen komen wisselende exposities die zo'n vier maanden duren. Op de bovenverdieping maken we elke zes weken een nieuwe tentoonstelling van prenten of tekeningen uit de museumcollectie. We beginnen met een serie etsen van Penck, illustraties bij zijn roman Sieben Jahre West.

“Het is een achttiende-eeuws stadspaleisje. Je kunt er niet zomaar schilderijen ophangen, want die hangen daar in een context van lijsten, krullen en spiegels. De exposities op de beneden-etages zullen allemaal een beetje theatraal zijn. We laten nu eerst drie periodes zien waarin de kunst heel gestileerd was: het maniërisme, de empire en de art nouveau met daarbij ook een beetje expressionisme. Uit die stijlen tonen we prenten, schilderijen, beelden, vazen en bij de art nouveau bijvoorbeeld ook zilver uit de Wiener Werkstätte. Alles past in de sfeer van artificieel, overdreven, glanzend. En daar doorheen plaatsen we dan sculpturen uit deze eeuw:, Fabro, Lüpertz, Zadkine, Kounellis, Lipchitz, Permeke. De hele tentoonstelling krijgt iets van een merkwaardige verzameling, de kunstverzameling van een denkbeeldig persoon, ik had in mijn hoofd om dat te imiteren.

We hebben twee vernieuwingen aangebracht in het paleis: er ligt een parketvloer van Donald Judd, in drie soorten hout, en de wanden hebben kleuren gekregen, frambozenroze, citroengeel. De gemeente heeft alleen meebetaald aan de verwerving van het pand, sponsors hebben toegezegd elk jaar geld te storten voor het tentoonstellingsprogramma, verder moet alles uit de entreegelden bekostigd worden. Het is, na Overholland, het eerste museum dat zonder overheidsgeld moet draaien. Het is een interessant experiment, als het niet lukt kunnen we het niet voortzetten, het paleisje mag niet op de begroting van het Gemeentemuseum drukken.''

Er is je weleens verweten dat je je bij exposities en ook bij aankopen te eenzijdig richt op kunstenaars van jouw generatie: Dibbets, Baselitz, Judd, Kounellis en anderen.

“ "Hij toont alleen maar werk van vriendjes' - het irriteert me wanneer mensen dat zeggen, omdat het niet waar is. Ik heb ook werk van jonge kunstenaars laten zien: Birza, Daniels, Dumas en noem maar op. Toen ik studeerde kwam ik al net zo vaak in ateliers als in de bibliotheek en dat is zo gebleven. Met sommige kunstenaars ben ik bevriend geraakt en dat vind ik geen reden om hen te discrimineren. Als je met iemand bevriend bent, leer je zijn werk begrijpen en kun je het beter beoordelen.” Hij praat over Donald Judd: “Het gaat me niet om de vorm van zijn werk, die is relatief oninteressant. Als Judd zegt: ik ga portretten schilderen, dan zouden dat heel bijzondere portretten zijn. Het gaat om de instelling, de mentaliteit van een kunstenaar. Wat me in Baselitz fascineert is het resolute: het omkeren van het motief was een resoluut gebaar.

“Overigens heb ik altijd bewust jonge conservatoren aangesteld, die op hun beurt weer met jonge kunstenaars omgaan. Ze hebben nu eenmaal dezelfde films gezien, dezelfde boeken gelezen. Er zijn een aantal jonge kunstenaars die me interesseren, maar ik heb niet meer het idee dat ik hun werk systematisch moet volgen.”

Vorig jaar, toen de minister van WVC een beeld aan het parlement wilde aanbieden, suggereerde jij als adviseur van de commissie die zich hiermee bezig hield, de opdracht aan Kounellis te geven. Hij ontwierp een "Monument voor de democratie'. Het beeld is er niet gekomen.

“Het kabinet wilde de Tweede Kamer een kunstwerk aanbieden, als een bos rozen, die bedoeling had het. Maar ik, eigenwijs als ik ben, dacht: zo'n beeld op het plein voor het parlementsgebouw moet toch iets betekenen, op symbolische wijze iets uitdrukken. Ik vroeg of het ook door een buitenlander gemaakt mocht worden. Ja, dat mocht. Als je een Nederlandse kunstenaar kiest, dan staat er weer de zoveelste Visser of Volten. Niet dat ik die beelden slecht vind, maar ze staan ook al op 26 andere plaatsen. Vervolgens dacht ik: het moet een beeld zijn dat niet-traditioneel is en toen kwam ik op Kounellis.

“Maar dat beeld mocht eenvoudig niets betekenen, het mocht alleen maar decoratief zijn. In het beeld van Kounellis zou tot uitdrukking komen dat mensen hun eigen geschiedenis maken, die niet door God gegeven is - iets in die trant schreef minister d'Ancona. Daarop kwam de SGP in het geweer. Maar elke andere betekenis had ook tegenreacties opgeroepen, want het mág niets betekenen, in dat stadium is de kunst aangeland.”

Hij vertelt over een CDA-kamerlid dat viel over de brokken steenkool in het beeld, ze zouden herinneringen oproepen aan de gesloten mijnen in Limburg.

“Toen het in de kamer kwam, dacht ik dat Brinkman, bij wie het plan begonnen was, voor zou stemmen, maar die liet toch de binding met het christelijk volksdeel prevaleren. De kamerleden stemden als "gebruikers' van het nieuwe gebouw en plein, maar als je alle gebruikers, al het personeel, bij elkaar optelt, dan vormen die 150 kamerleden maar een kleine minderheid, dus dat sloeg nergens op.

Ach, het was pure machtspolitiek. Ik schrijf het allemaal nog weleens op mijn gemak op.''