De bevlogen nuchterheid van Tomas Transtromer; Achter iedereen zweeft een kruis

De Zweedse dichter Tomas Tranströmer heeft het graag over het hogere en over inzichten verkregen tussen slaap en waken, droom en werkelijkheid. “Ik ben op mijn eigen manier godsdienstig. Met mijn gezicht naar het christendom gekeerd, buiten het hek van de kerk.” Zijn vertaler, J.Bernlef, noemt hem liever ”een religieuze agnost' en ”een ziener in de letterlijke betekenis van het woord'. Dat kan ook. “Het wonderlijke van zijn poëzie is dat zij zo open is.”

Tomas Tranströmer: Het wilde plein. Gedichten 1948 - 1990. Vertaling en nawoord J. Bernlef. Uitg. De Bezige Bij. 220 blz. Prijs ƒ 40,-.

Hoe ontdekt men een dichter? In 1974 las J. Bernlef voor het eerst gedichten van Tomas Tranströmer (Stockholm, 1931), in een Engelse vertaling, maar ze deden hem weinig. Of liever gezegd: er gebeurde niets, zoals hij in zijn essaybundel Op het noorden vertelde. Vier jaar later kreeg hij Tranströmers verzamelde Dikter 1954 - 1978 in handen - en toen zag hij er opeens het werk van een geestverwant in. Meer dan dat zelfs: bij het lezen begonnen zijn wangen te gloeien, hij voelde een kriebel in zijn nek en hij was niet meer in staat zijn benen stil te houden. Dit was geen schok van herkenning meer, dit was eerder een geval van déjà-vu: ”Het was een gevoel alsof de gedichten op de een of andere manier al ergens in mij bestonden (-) en dat alleen het lezen van Tranströmers tekst nodig was geweest om wat als vage vermoedens en intuties al in mij aanwezig was, naar de oppervlakte te brengen.' Hoe het kwam dat hij dat vier jaar eerder niet zag, vermeldde Bernlef niet, en ook niet of het verschil tussen Zweeds origineel en Engelse vertaling er iets mee te maken had. Maar bij zoveel geestverwantschap lag het wel voor de hand om zelf te gaan vertalen en dat is hij sindsdien dan ook gaan doen: in tijdschriften en in drie kleine bundels, voorzien van verhelderende nawoorden. De resultaten van vijftien jaar Tranströmer-bemoeienis zijn nu samengebracht in de kloeke bundel Het wilde plein: 150 gedichten uit de jaren 1948-1990, waarmee nu het volledige dichterlijke oeuvre van een van de belangrijkste Zweedse dichters in het Nederlands beschikbaar is.

Hoe Tranströmer te karakteriseren? Om te beginnen dan maar als de Zweedse Bernlef: nuchter, met een lichte distantie, spreektalig, zonder dikdoenerij en zonder effectbejag. Eerder breedvoerig dan afgewogen, eerder lichtvoetig dan zwaar op de hand. Bijna geen rijm, geen metrum, geen strakke vormgeving. Zijn poëzie offert niet aan de muziek en vertoont nergens trekken van zuivere lyriek. Zijn hardop denkende en sprekende regels hebben eerder de neiging in proza over te gaan, wat ze in de loop van tien bundels trouwens ook steeds meer zijn gaan doen.

Eigenaardiger is dat Tranströmer deze zakelijke instelling verbindt met een merkwaardig soort bevlogenheid. Slaap, doezel, droombeelden, visioenen en dagdromerijen spelen een belangrijke rol in zijn werk. Hij is vooral gespitst op plaatsen en momenten waar die onderbewuste werkelijkheid de alledaagse werkelijkheid bijna raakt, in de hoop dat daar een inzicht te vinden is. Tot zijn meest geciteerde regels behoren de volgende; ze geven het stramien van zijn poëzie:

Twee waarheden naderen elkaar. Eén komt van binnenuit, één van buitenaf/en waar zij elkaar ontmoeten bestaat een kans jezelf te zien.

Dit is door zijn algemeenheid natuurlijk een bruikbaar citaat, geschikt om bijvoorbeeld zijn surrealistische gezindheid aan te demonstreren of zijn psychologische belangstelling, maar evengoed zijn religieuze inslag. Want vaak zijn Tranströmers waarnemingen in dit grensgebied religieus van aard. Over dat laatste doet Bernlef wat paniekerig, alsof hij bang is dat zijn Zweedse geestverwant of hijzelf voor gelovig versleten zal worden. Tranströmers poëzie wordt wel visionair genoemd, zegt hij in zijn nawoord, maar hij voegt er meteen aan toe dat we daarbij niet aan hogere werkelijkheden en oncontroleerbare bewustzijnsverruimingen mogen denken. Eerder had hij ons al eens gewaarschuwd voor ”het kamp van occultisten, parapsychologen en andere handelaars in het onzichtbare' die op de loer zouden liggen om Tranströmer te ”confisqueren'. Dat dient kennelijk voorkomen te worden. En dus wordt de dichter snel tot ”een religieuze agnost' gedoopt, tot ”een ziener in de letterlijke betekenis van het woord', zodat zijn ziel voorlopig gered is voor de Kerk van de H. Raster.

Religieus

De dichter zelf doet er niet zo krampachtig over. In een interview met de Poëziekrant in 1988 gaf hij onbekommerd antwoord op de vraag of hij een agnost was: ”Ik ben op mijn eigen manier godsdienstig. Met mijn gezicht naar het christendom gekeerd, buiten het hek van de kerk. Ik denk dat het typisch is voor de moderne mens, dat hij niet-confessioneel gelovig is, maar zich toch op een of andere eigenaardige manier binnen dat krachtveld bevindt. Mijn gedichten hebben ook veel meer een religieuze tendens dan de meesten beseffen. Ik denk dat ik heel bang ben om te veel te uiten op dat vlak. Het religieuze moment wordt in de gedichten dikwijls uitgedrukt door understatements.' En als voorbeeld noemde hij het slot van zijn gedicht ”Carillon', waarin hij spreekt over zijn eigen werk als over ”mijn voorwoord tot de stilte, mijn binnenstebuiten gekeerde psalm'. Het is veelzeggend dat Bernlef in zijn vertaling psalm verving door gezang.

Men hoeft geen theologische training te hebben gevolgd om Tranströmers geloof in ”iets anders' op eigen kracht in zijn poëzie terug te vinden. In een Italiaanse kerk voelt hij zich even omhelsd door ”een gezichtloze engel'. In een droom hoort hij een troostende stem die zegt: ”Er bestaat iemand die goed is. / Er bestaat iemand die alles kan aanzien zonder te haten.' In de mooie lange reeks ”Schubertiana' is het de muziek die voor een zeker inzicht zorgt: ”De vijf strijkstokken zeggen dat wij op iets anders kunnen vertrouwen. / Op wat? Op iets anders, en zij volgen ons een eindweegs daarheen.' En dan volgt een treffend beeld voor het onbestemde dat aan ieder religieus zoeken eigen is: ”Zoals wanneer het licht op de trap uitschiet en de hand - vol vertrouwen - de blinde tastende armleuning volgt in het duister.' Al even alledaags en verrassend zijn regels als deze: “Achter iedereen die hier loopt zweeft een kruis dat ons in wil halen, passeren, zich verenigen met ons. / Iets dat ons van achteren wil besluipen en zijn handen voor onze ogen wil slaan en fluisteren: ”raad eens wie!' ” En voor wie dit te prozasch vindt, zijn er de vele toevallig geziene beelden, zoals die van het laag over het land scherende vliegtuig waarvan de schaduw ”in de vorm van een groot kruis' over een akker glijdt. Daar, in de brandende zon, zit een mens in de aarde te wroeten en even, ”een onderdeel van een seconde bevindt hij zich in het midden van het kruis.' In een van zijn recente gedichten spreekt Tranströmer met zoveel woorden van De Ongedentificeerde van Wie we soms een glimp kunnen opvangen, maar ook niet meer dan dat: ”Het goddelijke raakt even aan een mens, ontsteekt een vlam/ maar wijkt dan terug.'

Slaap

Voor wie het wat ruimer ziet dan Bernlef is hier dus genoeg religie te vinden, al hoeven we Tranströmer ook weer niet godsdienstiger te maken dan hij is. Het wonderlijke van zijn poëzie is dat zij zo open is: symbolistisch gedachtengoed, surrealistische bevlogenheid, cultuurhistorisch besef, maatschappijkritiek en heldere metafysica liggen er rustig en ongeduid naast elkaar. Het gaat bij hem om onbevangenheid en verwondering en hoe raar het ook klinkt, om afwezigheid. Hij is een dichter die zich van tijd tot tijd terugtrekt in slaap of eenzaamheid of anonimiteit om zo des te beter een glimp te kunnen opvangen van een andere wereld, een ander ik of een ander verband dan het gebruikelijke. In zijn poëzie is hij dus op zoek naar momenten, en dat kunnen momenten van verdiept inzicht zijn, of van contact met iets duisters en raadselachtigs, van helderheid of van existentiële opluchting: ”De sneeuw schitterde en alle lasten drukten minder - een kilo woog nog maar 700 gram.' Onthechting en humor gaan hier hand in hand en dat kenmerkt ook zijn verrassende beeldspraak. Een roodbruin vierkant huis aan de overkant van het meer ligt erbij als ”een bouillonblok'. Een kop espresso is ”in het daglicht een weldadige zwarte stip / snel uitstromend in een bleke klant.' Hij beschikt over een scherp oog voor sprekende details en zoals bij alle surrealisten is het oog ook werkzaam als hij slaapt:

Ik ga liggen om te slapen, ik zie

onbekende beelden

en tekens zichzelf neerkrabbelen

achter mijn oogleden

op de muur van het duister. Door de

spleet tussen waken en dromen

probeert een grote brief zich vergeefs

naar binnen te dringen.

Wie zijn ogen sluit ziet soms meer. En wie zich onbevangen opstelt wordt soms beloond met het gevoel niet meer zelf te schrijven, maar als het ware geschreven te worden. In een prozastuk schrijft hij: ”Iemand pakt mijn arm vast, iedere keer dat ik probeer te schrijven'. En in een gedicht: ”ik ben doorzichtig/ en een schrift wordt zichtbaar/ binnen in mij/ woorden in onzichtbare inkt'. Zulke regels zien er hypermodernistisch uit, maar het wonderlijke is dat zijn gedichten tegelijk ook persoonlijk kunnen zijn, zoals ”Het paar'. Tranströmer zet in zijn poëzie heel wat ramen open, met alle frisse wind en opluchting vandien, maar deze keer blijven ze dicht voor een intiem moment. Wij mogen alleen van buiten toekijken, samen met de huizen met hun ”gedoofde ramen' en ”uitdrukkingsloze gezichten':

Het paar

Zij knippen de lamp uit en de witte

kap

glinstert een ogenblik voordat hij

oplost

als een tablet in een glas duisternis.

En dan opstijgt.

De hotelmuren rijzen het hemelduis-

ter tegemoet.

De bewegingen van de liefde zijn weg-

geëbd en zij slapen

maar hun geheimste gedachten

ontmoeten elkaar

zoals twee kleuren elkaar ontmoeten

en ineenvloeien

op het vochtige papier van een school-

jongensaquarel.

Het is donker en stil. Maar de stad is

vannacht

opgerukt. Met gedoofde ramen. De

huizen zijn er.

Heel dichtbij staan zij opeengepakt te

wachten,

een volksmassa met uitdrukkingsloze

gezichten.