Apollo in het postkantoor; Het laboratorium van de Zwitserse kunstenaar Thomas Huber

Tot en met 8 nov. in Centraal Museum Utrecht, di t/m za 1017u., zo 12-17u. Reserveringen lezingen op zaterdag en zondag, 14-16u., of spreekuren za en zo, 10-12u. : 030 - 362 362. Catalogus (multiple): 45 gld.T/m 28 okt. in galerie Akinci, Singel 74 Amsterdam, di t/m za 12-18u., eerste zo van de maand 14-17u.

In een installatie voor de Bayerische Hypothekbank zou de Zwitserse kunstenaar Thomas Huber het geld van de klanten in zeep veranderen, maar de directie vond de ingreep te radicaal en de onderneming ging niet door. Het kunstwerk "De Bank' is nu wel te zien in Utrecht en Amsterdam. Huber vindt dat kunstenaars en bankiers op elkaar lijken: “Wisselaars, goudmakers, speculanten van de schijn zijn we, charlatans zelfs. Wij verleiden met de belofte van de wonderbaarlijke vermeningvuldiging.”

Het ruikt naar zeep. De catalogus die het Utrechtse Centraal Museum uitbrengt bij de tentoonstelling van de Zwitser Thomas Huber, geurt naar muskus. In het smaakvol vormgegeven doosje blijkt een zeepje te zitten: het is een kunstwerk in oplage, summier begeleid door een foldertje waarop de belangrijkste uitgangspunten van Hubers project zijn afgedrukt. De Bank heet het project waaraan de kunstenaar een paar jaar werkte en waarvan de laatste fase nu in Utrecht en in galerie Akinci te Amsterdam is te zien.

De onderneming begon drie jaar geleden als een opdracht van de Bayerische Hypothekbank, die een kunstwerk van Huber wilde aankopen. De installatie werd nooit uitgevoerd, de directie vond de geopperde ingreep te radicaal. De nu 37-jarige Huber, die in Duitsland woont, stelde namelijk voor om het geld dat zich in de bank bevindt, om te vormen tot zeep. De kunstenaar zou plaatsnemen in de hal van de bank, vlak voor de loketten, naast een enorme ketel waarin zijn Bildsubstanz pruttelt, de geheimzinnige vloeistof waarvan beelden worden vervaardigd.

Onder die ketel brandt een flink vuurtje dat gestookt wordt in de kluis van de bank die zich onder de ketel in de kelder bevindt. De rode gloed van het brandende geld werpt een warm licht over de loketten waar de mensen hun geld aan Huber toevertrouwen ten bate van de kunst. Om hem heen staan symbolische dieren van bijbelse herkomst: onder meer een vis, lammeren, slangen en een leeuw. Deze "assistenten' fluisteren de kunstenaar in hoe hij zijn beelden moet smeden. De dieren worden tenslotte geofferd om te veranderen in kunst; na verbranding blijven diervet en as over, die, vermengd met water, stollen tot glanzend gele zeep.

Geld wordt aldus omgezet in schoonheid - dit moet het nieuwe principe worden waarin alles van waarde wordt uitgedrukt, aldus Huber. Want is cultuur niet onze eigenlijke rijkdom? Deze vervanging van geld stinkt bovendien niet, maar geurt en je houdt er schone handen bij. Het instituut bank is zo getransformeerd tot een tempel voor de kunst.

Huber waarschuwt dat ook de kunstenaar niet te vertrouwen is. In een van de vele teksten die hij schreef ter begeleiding van zijn tentoonstellingen zegt hij: “Lijken kunstenaars en bankiers niet op elkaar? Wisselaars, goudmakers, speculanten van de schijn zijn we, charlatans zelfs. Wij verleiden met de belofte van de wonderbaarlijke vermeningvuldiging.” Zijn vervanging van geld door kunst heeft veel weg van een kinderspelletje: monopoly spelen met zeep in plaats van klinkende munt.

Miniatuuur

Hoe heeft Huber deze mengeling van ironie en ernst vormgegeven? De tentoonstelling houdt het midden tussen een laboratorium, een toonzaal en een modelbouwdoos. De schilderijen, aquarellen en maquettes zijn aanzichten van de imaginaire bank of geven delen van het proces weer dat zich binnen die muren afspeelt. Zo is er een schaalmodel ter grootte van een flink poppenhuis waarin de kookpotten, stollingsvaten en dieren als speelgoedjes in de miniatuur-bank zijn neergezet. In galerie Akinci staan de met rood pigment bestrooide beesten in optocht opgesteld naast de koperen stollingsvaten waarmee de kunstenaar daadwerkelijk zeep heeft geproduceerd.

In een hyperrealistische stijl geven de schilderijen in het Centraal Museum het interieur van de bank op het platte vlak weer, maar er is ook een doek waarop alleen maar schuimende zeep is afgebeeld. Er staan kookpotten van keramiek van bijna een meter hoog, zoals ze bedoeld waren in de eigenlijke Hypothekbank. Op een tafel ligt het eindprodukt, de zeep, verleidelijk opgetast, net als op de cosmetica-afdeling van de Bijenkorf. Hubers tentoonstelling lijkt het werk van een gedreven modelbouwer die zijn schijnwereld met absurde nauwkeurigheid uitvoert.

De strakke, overzichtelijke vormgeving - van een "handschrift' kun je eigenlijk niet meer spreken - suggereert het onomstotelijke bestaan van deze illusie, maar tegelijk heerst er een surreële atmosfeer in Hubers heelal. Wie ronddwaalt in deze combinatie van over-georganiseerdheid en consequent doorgevoerde absurditeit, raakt erdoor bevangen als door een heldere, maar vervreemdende droom.

Humor

Bij kennismaking met de streng-ogige, ernstig betogende kunstenaar is van humor of ironie aanvankelijk niets te bespeuren. Huber verklaart op zoek te zijn naar de essentie van beelden, dat wat hij "reine Bildsubstanz' noemt. Hij vraagt zich steeds weer af wat het ene beeld tot "goud' maakt, tot kunst, terwijl het andere achteraf niet meer dan een waardeloos prul blijkt. Net als een alchemist die goud probeert te maken, jaagt hij op een pasklare formule om kunst te maken, in de wetenschap dat hij die nooit zal vinden.

Om die reden neemt hij zijn toevlucht tot metaforen voor het artistieke proces, alsof hij greep zou kunnen krijgen op dat mysterieuze scheppen. De laatste vijf jaar nam de kunstenaar onder meer de Bibliotheek en het Postkantoor als uitgangspunt voor zijn werk. De boeken in zijn denkbeeldige Bibliotheek, die net als De Bank gestalte krijgt in schilderijen, installaties en aquarellen, bevatten uitsluitend gegevens over het vervaardigen en beschouwen van kunst. Hij herinnert aan de volmaakte bibliotheek die Borges beschreef, waar alle kennis bijeengebracht is - je zou alleen maar al die boeken hoeven lezen om een geniaal kunstenaar te worden.

Het Postkantoor wordt onder zijn handen een koeriersdienst voor de kunst, alle pakjes die verzonden en bezorgd worden, bevatten kunstwerken. De kunstenaar vervult hier de rol van Apollo, de bode van het hogere, onder het motto: “Denk eraan, alleen de kunstenaar is uw boodschapper”.

In deze bureaucratische bolwerken vestigt Huber zijn imaginaire atelier en vervangt de eigenlijke functies van de genoemde instituten door het maken en distribueren van kunst. Zo breidt hij zijn atelier uit over de wereld, net als Thlön, de denkbeeldige wereld van Borges, die de reële wereld langzaam maar zeker verdringt.

Ook in het museum tracht de Zwitser de normale gang van zaken naar zijn hand te zetten. In Utrecht hing hij zijn schilderijen niet zomaar aan de muur om na de opening onmiddellijk af te reizen, maar hij nam er min of meer zijn intrek. De bezoeker kan een kijkje nemen in de keuken waar de kunstenaar in zijn ketels roert en recepten beproeft. Precies als in een atelier staan zijn doeken op schildersezels of zijn quasi-nonchalant met hun gezicht naar de muur gekeerd. “Mijn werk verlaat het atelier nooit, en ik evenmin”, verklaart Huber. Hij wil de schijn wekken dat zijn werkplaats tijdelijk werd verhuisd. Courbets schilderij Het Atelier dat als een metafoor van de (ideale) samenleving kan worden opgevat, stond Huber daarbij voor ogen: in het centrum van het immense doek troont de kunstenaar, rondom hem zitten vertegenwoordigers uit alle lagen van de maatschappij.

Dominee

In Hubers schijnwereld deelt de kunstenaar de lakens uit. Maar in werkelijkheid is de kunst geen vanzelfsprekendheid meer. “De eerste taak van een kunstenaar is dan ook het vinden van een publiek,” zo citeert hij een uitspraak van zijn landgenoot, de schrijver Max Frisch. “Een van de grootste misvattingen over kunst is, dat zij voor zichzelf zou spreken.” Dus reikt Huber de bezoekers van zijn tentoonstelling de helpende hand: hij houdt tot en met dit weekeinde elke dag een lezing in de expositie en licht zijn werk vanaf een spreekgestoelte toe op de didactische toon van een dominee.

Voor wie dat nog niet genoeg is, zijn er de spreekuren waarin men de kunstenaar onder vier ogen vragen over zijn bedoelingen kan stellen. Huber ontvangt in de directeurskamer die naar zijn ontwerp opnieuw is ingericht. Zijn "assistenten', een vriendelijk uitziende gouden leeuw en een zilveren lam die - net als in De Bank - fungeren als kachel, luisteren mee.

Thomas Hubers oeuvre is een verslag van een pseudo-wetenschappelijk onderzoek. Hij legt ons zijn vragen en hypotheses voor, de expositie is nadrukkelijk een schetsontwerp, een essay. Al die pogingen tezamen vormen een kleurrijke wereld-op-schaal die eruit ziet alsof hij zojuist is geschapen door een wat kinderlijke god: logisch maar absurd, ernstig maar luchthartig, als een kamer achter de spiegel. De bezoeker kan niet anders dan als Alice in Wonderland proberen de geheimzinnige wetten van De Bank te begrijpen, maar krijgt er nooit werkelijk vat op. Net als ik denk dat ik alle dubbele bodems van grapjes en metaforen nu wel doorzien heb, herinner ik me de triomfantelijke, plagerige uitspraak in het zeep-foldertje waarmee Huber mijn ijver logenstraft: “Ik schilder. Zo zeep ik jullie in. Mijn werk is schuim.”