"Als je ouder bent is een luxe-wijk beter'

Voor een groot aantal mensen speelt het werk zich op straat af. Pomphouders, politie-agenten, marktlui. Alice Oppenheim vroeg naar hun belevenissen. Vandaag Gijs Klijn, krantenbezorger.

Voor Gijs Klijn is een krant een "ding an sich'. Hij concentreert zich al een leven lang op de wijze waarop het dagelijkse nieuws dient te worden bezorgd. Daarover heeft hij veel nagedacht en daarvoor voelt hij zich verantwoordelijk. Thuis is hij gewoon de vriend van zijn tien jaar oudere vriendin, die zesenzeventig is. Hij wordt daar verwend met zuurdesemboterhammen overdekt met onbespoten lekkers van de biologische groenteman en scharrelslager. Tevreden wrijft hij zichzelf over een gevuld buikje waarlangs zijn kokette bretels strak gespannen staan. Ze houden een broek op met een glanzend zitvlak.

Sinds een jaar of twee heeft Klijn een fietswijk van het Financieele Dagblad. “In een rijke buurt. Dat is makkelijker als je ouder bent. Een loopwijk in het centrum is veel bewerkelijker en vermoeiender.” Trots toont hij het keurig opgeruimde schuurtje met daarin de diverse attributen die hem in staat stellen zijn werkzaamheden zo doeltreffend mogelijk te verrichten. “Ik heb nu een damesfiets omdat de dokter vond dat ik mijn rechterbeen niet meer zo hoog achterlangs moest slingeren. De FD-tassen hebben een houten achterkant, die zet ik vast met dat dikke elastiek waarmee ze de kranten bij mekaar houden. Anders horen je klanten je 's morgens klapperen in de wind. Als het regent heb ik dit blauwgrijze plastieke pak aan. Niet te opvallend en goed waterdicht. De krant mag niet nat worden, maar je moet ook op jezelf letten.”

Binnen, onder de antieke weegschaal voor het grote doorzonraam, bladert hij in een gelinieerd kroontjesblok. “Ik krijg altijd computerlijsten uit Den Haag, maar ik schrijf alle adressen ook zelf nog eens op. In de volgorde van het traject dat ik moet afleggen. Als er nieuwe klantjes bijkomen ga ik 's middags altijd eerst even proefrijden. Zodat je 's morgens vroeg niet voor verrassingen komt te staan. Toen ik het FD net had ben ik wel vijf, zes keer gaan oefenen, samen met mijn vriendin. Het zijn maar veertig abonnees, maar je moet wel weten waar ze zitten en hoe de opritten en brievenbussen eruit zien. Voor je timing. Ik heb nu een lekker wijkje van krap twee uurtjes, een luxe-wijkie.”

Toen hij nog jong was, bespeelde Klijn de hobo in een harmonieorkest. Hij had er het muzikale talent en de fysionomie voor, een goede ademsteun en embouchure. “In de muziek had ik wel willen doorleren. Maar dat ging vroeger niet, daar kon je je kost niet mee verdienen.” Kranten las Klijn nooit. “Ik had alleen maar lagere school, dus ik begreep niet wat er in stond. Ik heb de Telegraaf jarenlang rondgebracht, daar keek ik wel es in. Vooral als het over de sport ging. In het Financieele Dagblad heb ik nog nooit gelezen, dat is de moeilijkste krant van Nederland. Daar heb je een knappe kop voor nodig. Ik heb niks anders aan die krant dan dat ik hem op het goede adres en voor zeven uur bij de mensen thuis heb gebracht. En dat ik er een tientje per ochtend mee verdien. Vijf keer per week. Het is een dure elitekrant en hij weegt niet zoveel. Dat komt me goed uit. De meeste kranten zijn te zwaar geworden, vooral naar het week-end toe. Op donderdag begin je het te merken.” Gelaten bekijkt hij zijn grijzende levensgezellin die hem zo nu en dan bijdehand aanvult. “Ik had vroeger altijd een dubbele wijk. Dat ben ik nou zat. Mijn conditie is niet meer zoals vroeger, terwijl ik toch niet meer rook en ook geen borreltjes meer pak. Zij hielp me tot een paar jaar geleden met die zware vrachten. Totdat ze door een voetbal van spelende kinderen werd geraakt en van de fiets viel. Sindsdien ligt ze een beetje in de prak.”

In de vroege ochtend, rond vijf uur, gaat Gijs Klijn op pad met het financiële wereldnieuws. Hij heeft de kranten dan al gevouwen en met de kop naar beneden in de tassen gestoken. “Ik probeer ze altijd zo op de mat te laten terechtkomen, dat de abonnee gelijk ziet welke krant er ligt.”

In zijn behoefte om de hoogste graad van perfectie in zijn werk te bereiken wordt hij ernstig gefrustreerd door zijn vele jeugdige collega's. Die gooien er in zijn ogen met de pet naar. “De krant moet in de huisbus en niet in de bus aan het hek. Die jongens en meisjes proppen hem er vaak half doorheen. Ik zie ze wel 'ns rammen, douwen en drukken. En als het niet lukt laten ze hem gewoon vastzitten. Dat mag niet, hij mot er helemaal in. Zodat ik er mooi achteraan kan als het zo uitkomt. Nou is de gemiddelde bus in mijn soort wijk veel te smal voor de tegenwoordige krant. Dat zouden de mensen moeten laten veranderen. Waar ze ook 'ns op zouden moeten letten is de manier waarop ze hun auto vlak tegen het hek aan parkeren. Ik moet mezelf er wel eens tussendoor wrikken. De buitenverlichting is in de winter meestal hartstikke slecht, je kunt geen hand voor ogen zien. Voor honden ben ik niet bang en dat voelen ze aan. Hou je blaffer makker, denk ik vaak. En dat helpt. Ik heb nu wel een adres waar de hond elke ochtend achter de deur staat te wachten. Ik treiter hem dan een beetje door de krant vast te houden als hij er binnen al naar hapt. Daar moet ik om lachen. Een hond is leuker dan een alarm. Je schrikt je te pletter als dat ineens afgaat. Het is eigenlijk een a-sociale beveiliging van je eigen huis ten koste van anderen. Soms duurt het wel een kwartier voordat die lui van de politie erop afkomen. De meeste mensen zijn niet zo vroeg tegenwoordig. Vorige week stond er een man in zijn onderbroek op straat een kop koffie te drinken. Die wist precies wie ik was en wat ik deed. En waar ik allemaal kom. Een aparte kerel. Een paar maanden geleden liep er een vrouwtje in haar bh rond te dwalen. Ze was er de avond tevoren door haar man uitgegooid. Ze wou verder niet geholpen worden. Vaak is de afstand tussen de mensen te groot. Als ze had geweten wat ik allemaal aan verdriet op dat gebied heb meegemaakt, had ze wel met me gepraat. Een krantenbezorger is ook een mens. Daarom heb ik een hekel aan het rondbrengen van nieuwjaarskaartjes, ik ben geen straatschooier.”

Gijs Klijn werkt niet voor geld en maatschappelijke bevestiging, maar voor zichzelf. “Een jaar of tien geleden heb ik een attaque gehad, ik was helemaal verlamd aan de linkerkant. Ik kon geen kopje koffie meer vasthouden en geen drie stappen meer zetten. Mijn vriendin heeft me met haar liefde weer op de been geholpen. Ik loop weer, maar mijn linkerbeen sleept nog een beetje. Dat geeft moeilijkheden met de neus van mijn linkerschoen. Die slijt na een paar weken al door aan de bovenkant. Ik koop daarom wel twee paar schoenen per maand. Die krijg ik niet vergoed. Maar de dokter zegt, "ga jij maar gewoon door. Jij hoeft niet naar de psychiater, jij hebt je eigen therapie'.”