Zwevend pond hindert Europa '92 niet

De speculanten hebben opnieuw gewonnen. Gisterenmiddag ging het pond sterling en vannacht devalueerde de lire opnieuw, samen met de Spaanse peseta. De winst van de speculanten is uiteraard het verlies van de Centrale Banken die tevergeefs hun munt proberen te beschermen, en dus van de belastingbetalers in de landen die devalueren.

Volgens de regels van het Europese Monetaire Systeem moest De Nederlandsche Bank bijvoorbeeld gisteren steunaankopen doen van het Engelse pond. Dat betekent dat DNB op de laagst toegestane koers van ƒ 3,13 alle ponden moest opkopen die door speculanten werden aangeboden. Vandaag is het pond heel wat minder waard, zodat DNB verlies leidt wanneer ze het ingekochte Engelse geld van gisteren weer wil verkopen. Voor het hele verlies mag De Bank echter een rekening sturen naar de Bank of England in Londen.

Zo arriveert ook een nog veel grotere rekening van de Bundesbank dezer dagen in Rome. Eind vorige week, vlak voor de eerste devaluatie van de lire, kocht de Duitse Centrale Bank voor 24 miljard DM aan lires, in een laatste poging de koers van de lire binnen de afgesproken bandbreedte te houden. Dat mislukte, de lire devalueerde met zeven procent, de Bundesbank maakte dus een verlies van meer dan anderhalf miljard en krijgt daarvoor compensatie van de Banca d'Italia.

Zuiver financieel geredeneerd is dus de winst van de speculanten een verlies voor de belastingbetalers in de devaluatie-landen, maar veel belangrijker is het economische voordeel voor Italië, Engeland en Spanje van een betere waardering van de munt en een grotere vrijheid bij het voeren van een eigen beleid. Tot vorige week moesten de monetaire autoriteiten in Rome, Londen en Madrid nauwkeurig alle stappen volgen van de Duitse Bundesbank. Bij een systeem van vaste wisselkoersen hoort immers dat het land met de meest vertrouwenwekkende munt de laagste rente heeft en dus dicteert wat de bodem wordt voor de rentestanden in alle andere deelnemende landen. De rente in Nederland is een fractie van een procent hoger dan de Duitse rente, omdat buitenlandse beleggers de gulden beschouwen als bijna even solide als de Duitse mark. Daarentegen waren rentestanden in Italië, Engeland en Spanje aanzienlijk hoger dan de rente in Duitsland, omdat de internationale valutahandel - en zoals nu bleek terecht - lang niet zeker was dat die munten wel een vaste wisselkoers zouden kunnen blijven verdragen.

De Duitse economie kon blijven groeien ondanks het beleid van een hoge rente, vooral omdat de Duitse overheid grote bestellingen plaatst bij het Westduitse bedrijfsleven om de Oostduitse provincies te repareren. Bovendien lijdt West-Duitsland - evenals Nederland - niet onder de ongunstige gevolgen van dalende huizenprijzen die z'n grote rol spelen bij de zwakke economie in Engeland, de Verenigde Staten en de Scandinavische landen. Terwijl de Duitse economie dus in bescheiden mate blijft groeien ondanks de hoge rente, bleek de nóg hogere rente in Engeland en Italië te ongunstig voor die landen.

Engeland verkeert in een zware recessie, de huizenprijzen zijn 30 tot 40 procent gedaald en de Engelse industrie is niet in staat voldoende te exporteren.

Italië lijdt onder een bestuurlijke en fiscale crisis en is bovendien heel gevoelig voor elke rentestijging wegens de kolossale Italiaanse staatsschuld. Daarom zijn bedrijven en burgers in Engeland en Italië veel beter af met een munt die tijdelijk vrij zwevend een nieuwe waarde kan zoeken, omdat zo'n vrije wisselkoers de beleidsmakers de kans geeft een monetair beleid te voeren dat is afgestemd op de binnenlandse omstandigheden.

Het voorbeeld van Japan laat goed zien hoe belangrijk die vrijheid is bij het verwerken van negatieve schokken op de economie. De aandelenkoersen daalden in Japan met meer dan zestig procent, grond en onroerend goed kelderden in waarde maar toch bleef de Japanse economie overeind. Ten dele komt dat door specifiek Japanse factoren zoals een heel modern machinepark en een goed werkende arbeidsmarkt, maar ook had de Bank of Japan de vrijheid om de Japanse rente flink te laten dalen, omdat Japan niet participeert in enig systeem van vaste wisselkoersen. Die vrijheid hebben Engeland en Italië nu ook, en dat zal zeker gunstig uitwerken voor de economie, de export en de woningmarkt.

Nederland hoeft de gulden niet te laten zweven, omdat wij net als Duitsland goed konden leven met de hoge rente van de Bundesbank. Onze inflatie is gelijk aan die in Duitsland, en de kostenstijging in het Nederlandse bedrijfsleven ontwikkelt zich al vele jaren zelfs iets gunstiger. Dan overwegen voor Nederland de grote praktische voordelen van een vaste wisselkoers sterk en is het potentiële nadeel van een gebrek aan vrijheid in het monetaire beleid niet relevant. Dezelfde overweging geldt voor België - zij het in mindere mate wegens de veel slechtere conditie van de overheidsfinanciën - Frankrijk en Denemarken. Die kleine groep van landen lijkt nog steeds goede kansen te maken om in 1999 te beginnen met het experiment van de ene munt, maar de gebeurtenissen van de afgelopen dagen tonen duidelijk aan dat men de monetaire integratie niet mag forceren en dat de schade groot is wanneer landen met hogere produktiekosten (Engeland) of een instabiele overheidssector (Italië) te lang vasthouden aan een vaste wisselkoers, hoewel hun kostenstijging sneller doorgaat dan die in Duitsland en hun economie niet bestand is tegen een hoge-rentebeleid.

In Engeland spreekt iedereen vandaag over gezichtsverlies voor de minister van financiën, die tot gisterochtend volhield dat het pond niet zou devalueren. Veel belangrijker is echter het goede nieuws voor de Engelse economie, die nu kans maakt uit een hevige recessie te komen, en de opluchting bij de Engelse huizenbezitters, die kunnen uitzien naar een lagere rentestand. En ook voor Nederlanders zijn de hectische gebeurtenissen van de afgelopen dagen gunstig. In Engeland en Spanje kan de economie weer gaan groeien en dat betekent meer bestellingen voor ons bedrijfsleven. In de financiële markt hoort Nederland onmiskenbaar bij de eredivisie als het gaat om lage inflatie en stabiel beleid, en dat werkt gunstig voor onze rentestand. Deze week is onze rente al zo sterk gedaald, dat minister Kok op termijn bijna twee miljard gulden per jaar uitspaart op rentebetalingen van de staatsschuld. En ten slotte kan "Europa 1992' met de ene markt ongehinderd doorgaan, omdat economische integratie wel gemakkelijker is bij vaste wisselkoersen, maar evenzeer slaagt wanneer lire en pond in vrijheid moeten zoeken naar een nieuwe evenwichtskoers.